Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) / Alluviale bossen / Herstelbeheer en inrichting

Alluviale bossen

Inhoud van deze pagina:

HERSTELBEHEER EN INRICHTING

Geduld hebben!
Bosplanten in het bos
Natuurlijke processen
Bosrandenbeheer
Hydrologisch herstel
Wat te doen met populieren in het bos?
Experimenteer met oude en nieuwe iepen

Geduld hebben!
De meeste bossen op alluviale gronden zijn jong, vaak zelfs erg jong. De natuurwaarde van deze bossen is in de regel vrij laag maar is in het verleden ook nooit hoog geweest om de simpele reden dat deze bossen nauwelijks een verleden hebben. Herstelbeheer is hier dan ook niet aan de orde. De uitdaging voor de beheerder is hier om een verzameling bomen zich te laten ontwikkelen tot een volwaardig bosecosysteem. Dit vergt altijd veel tijd, hoeveel tijd is onder andere afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem en van de gekozen beheerstrategie.

Bosplanten in het bos
Het is al eerder opgemerkt: pas als de overmaat aan voedingsstoffen door de bodemfauna is vastgelegd in stabiele humus treden de ruigtesoorten terug en krijgen de echte bosplanten een kans. Hoe rijker het substraat, des te langer dit zal duren. De ontwikkeling zal echter sneller verlopen indien er weinig licht tot de bosbodem kan doordringen. Dit kan in lichte bossen worden bereikt door omvormingsbeheer (andere dominante boomsoort) en vooral door het stimuleren van een struiklaag of een tweede boomlaag. Daarbij geldt bovendien dat de activiteit van de bodemfauna bevorderd wordt door soorten met strooisel met een goede kwaliteit dat gemakkelijk afbreekt: o.a. es, esdoorn, linde en hazelaar. Meer in het algemeen geldt dat de meeste alluviale bossen gebaat zijn bij een verhoging van de soortendiversiteit in de boom- en struiklaag, waarbij – mits in niet te hoge dichtheden – ook gebruik gemaakt kan worden van soorten met een mindere strooiselkwaliteit, waarbij aanplant van eik weer de voorkeur geniet boven die van beuk.

Natuurlijke processen
Een alternatieve strategie in jonge, voedselrijke bossen is het vergroten van de dynamiek en daarmee van de ruimtelijke variatie in het bos. Dit is te realiseren door ruim baan te geven aan processen als windworp, natuurlijke verjonging en bosbegrazing. De vegetatie op de bodem zal hierdoor langer en op sommige groeiplaatsen mogelijk zelfs blijvend in een ruigtefase blijven steken, waardoor veel bodembewonende bosplanten geen kans krijgen. Maar open plekken, structuurvariatie, dood hout en wortelkluiten zullen kansen bieden aan andere vormen van biodiversiteit, met name aan de fauna en (epifytische) mossoorten. Afhankelijk van de locatie en de afmetingen van het bos kan begrazing met grote grazers (runderen) van het bosgedeelte samen met de mantel-, zoom- en aangrenzende ruigte- of graslandvegetatie extra structuur in het bos geven en de dominantie van ruigte terugdringen. Deze strategie zal sneller resultaten opleveren dan de hierboven genoemde sturing via de strooiselvertering, maar is alleen uitvoerbaar in relatief grote bosgebieden. Overigens kan men het ene doen en het andere niet laten. Ruimtelijke variatie, ook in beheer, is dan de oplossing. Dit geldt vooral in gebieden met waardevolle oude boskernen. Begrazing kan hier ten koste gaan van de bestaande waarden, bijvoorbeeld doordat de ondergroei vertrapt en vermest wordt. Uitrasteren van de botanisch meest waardevolle plekken is dan aan te bevelen.

Bosrandenbeheer
Omdat het bij de binnendijkse alluviale bossen vaak gaat om kleinere vrijstaande boscomplexen is het van belang om extra aandacht te hebben voor de bosranden. Bij het achterwege blijven van beheer en het ontbreken van natuurlijke processen (begrazing) kunnen zoom- en mantelvegetaties hier niet op natuurlijke wijze tot ontwikkeling komen. Om toch de gewenste ontwikkeling te bereiken kunnen de bosranden over een breedte van minimaal 10 meter worden gelicht (meer dan 30-40% van de kronen verwijderen) en kunnen open plekken worden ingeplant met soorten van mantelvegetaties (Sleedoorn, Eenstijlige meidoorn, Gelderse roos, Hazelaar, Rode kornoelje, Mispel, Spaanse aak).

Hydrologisch herstel
Werkelijk herstelbeheer speelt vooral in oude, eertijds soortenrijke maar nu verdroogde en verzuurde, dan wel geëutrofieerde beekdalbossen. Voorwaarde voor herstel van de oorspronkelijke natuurwaarden in deze bossen is herstel van het hydrologisch systeem: hogere grondwaterstanden, herstel van de kwelstromen, geen overstromingen met vervuild landbouwwater. De tragiek van de beekdalbossen is dat de oorzaken van de problemen (ver) buiten het bos liggen, en daarmee buiten de macht van de beheerder. Slechts in incidentele gevallen kan een koppeling tussen hydrologisch herstel en bosontwikkeling worden gelegd. Een voorbeeld is de zuivering van beekwater met behulp van rietfilters in het landgoed Het Lankheet (bij Haaksbergen) waarbij het gezuiverde water niet direct teruggeleid wordt in de beek, maar gebruikt wordt om verdroogde bosecosystemen te herstellen. Vaak echter is een dergelijke combi van waterzuivering en natuurherstel geen optie en behoort ook herstel van het regionaal ecohydrologisch systeem voorlopig niet tot de mogelijkheden. De beheerder kan dan, zowel in verzuurde als geëutrofieerde situaties, trachten het kwaad zoveel mogelijk te beperken door de bosontwikkeling te sturen via de strooiselvertering. Zoals hierboven al werd aangeduid, betekent dit: houd het donker en bevorder boom- en struiksoorten met ‘rijk’ goed afbreekbaar bladstrooisel.

Wat te doen met populieren in het bos?
Vooral in oude beekdalbossen kunnen doorgeplante populieren de beheerder een doorn in het oog zijn. Vaak is dat terecht, want populieren kunnen bijdragen aan verdroging. En ontbreekt een struiklaag of tweede boomlaag, dan kan zich onder de populieren vaak een soortenarme (brandnetel)ruigte ontwikkelen ten koste van de ooit aanwezige bosplanten. Toch is het rigoureus kappen van de doorgeplante populieren niet altijd de beste oplossing. De ernst van de verdroging moet altijd ter plekke worden beoordeeld, soms blijkt ook in met populieren doorgeplante beekdalbossen toch nog een interessante, botanisch waardevolle ondergroei aanwezig te zijn. Bij grootschalige, gelijktijdige kap en de daarop volgende verruiging kan het middel daardoor erger uitpakken dan de kwaal. Voorzichtige, gefaseerde kap is dan een betere strategie. En is dit geen optie, bijvoorbeeld omdat we met een productiebos van populier met korte omloop van doen hebben, dan blijft gelden: houd het donker. Dus zorg voor een dichte struiklaag of tweede boomlaag. Uiteraard geldt deze regel niet alleen in de beekdalen, maar ook in de kleilandschappen.

Experimenteer met oude en nieuwe iepen
Het nagenoeg verdwijnen van de iepen uit onze kleibossen (zie ‘Iepenziekte ‘ onder Bedreigingen) heeft zowel de waarde als de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bossen duidelijk aangetast. Op korte termijn is daar weinig aan te doen. Enkele veelbelovende, resistent geachte iepenrassen bleken uiteindelijk toch niet onkwetsbaar, doordat een tot voor kort onbekende, agressieve schimmelsoort (Ophiostoma novo-ulmi) op het toneel verscheen, maar waarschijnlijk ook als gevolg van de eeuwige genetische wapenwedloop tussen parasiet en gastheer. Toch is het aan te bevelen om te trachten de iep als vast bestanddeel van onze kleibossen te bewaren, al is het maar op bescheiden schaal. Afhankelijk van de oppervlakte en van de natuurlijkheid die in een bosgebied wordt beoogd kan men hierbij kiezen tussen

De Fladderiep is waarschijnlijk van onze inheemse iepensoorten het minst gevoelig voor iepenziekte. Het gebruik van zaailingen verdient de voorkeur boven het gebruik van klonen vanwege de grotere genetische variatie – niet ieder boompje is dan genetisch gezien even resistent.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website