Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) / Alluviale bossen / Bedreigingen

Alluviale bossen

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Kwetsbare beekdalbossen
Verruiging van het hardhoutooibos
Populierenteelt
Iepenziekte

Kwetsbare beekdalbossen
Waarschijnlijk is er geen boslandschap in de afgelopen halve eeuw zo achteruit gegaan als het beekdallandschap van de hogere zandgronden. Er zijn hier twee boosdoeners aan te wijzen. In de eerste plaats is er in vrijwel alle beekdalbossen sprake van verdroging onder invloed van grondwaterwinning en ontwatering van het aangrenzende landbouwgebied. Door hoge stroomsnelheden bij versnelde afvoer slijt de beekbodem uit, waardoor de beek zelf ook drainerend kan werken.
Twee natte bostypen zijn bijzonder gevoelig voor verdroging. Het Goudveil-Essenbos is afhankelijk van de aanwezigheid van bronmilieus. Als de kwelinvloed afneemt en het grondwater niet meer aan het maaiveld kan komen, zal dit bostype snel verdwijnen. Maar ook het Vogelkers-Essenbos is gevoelig voor verdroging. Wanneer de wortelzone buiten de invloedsfeer van het grondwater komt te liggen, treedt geleidelijke uitspoeling van basen op, met verzuring, verarming en ophoping van strooisel aan het maaiveld als gevolg. Voor het bostype betekent dit een geleidelijke overgang naar de arme bossen van het Zomereik-verbond.
Wanneer echter (nog) sprake is van periodieke overstroming zal deze ontwikkeling niet optreden. In het oppervlaktewater zitten normaal gesproken voldoende basen om de buffercapaciteit van de bodem op peil te houden. Maar het beekwater is tegenwoordig in den regel wel sterk verontreinigd met meststoffen uit de landbouw. En dat betekent vermesting van de bosbodem, waardoor de oorspronkelijke begroeiing overgaat in een rompgemeenschap van Grote brandnetel. Het probleem is nu dat beide problemen – verdroging en vermesting – veroorzaakt worden door ontwikkelingen buiten het bosgebied zelf. Oplossing van de problemen ligt daarmee doorgaans buiten de macht van de bosbeheerder.

Verruiging van het hardhoutooibos
In de hardhoutooibossen langs de grote rivieren speelt een vergelijkbare problematiek. Het rivierwater is zo voedselrijk dat de hoog opschietende ruigtesoorten de ontwikkeling van een gevarieerde ondergroei tegenhouden. Dit speelt vooral in de relatief frequent overstroomde en kleiige zone met Essen-Iepenbos. Gezien het vermogen van de kleibodems om enorme hoeveelheden nutriënten te binden (zeer grote adsorptiecapaciteit), is – ook bij sterk verbeterende waterkwaliteit en zelfs op zeer lange termijn – in de uiterwaard­bossen geen herstel van deze historische toestand te verwachten. Dit betekent echter niet dat binnen de hardhoutooibossen geen grote variatie in soortensamenstelling mogelijk is. De variatie zal echter vooral afhankelijk zijn van het lichtklimaat en de (overstromings)dynamiek. Zo blijkt Grote brandnetel bijvoorbeeld, in tegenstelling tot jonge houtige soorten, niet tegen inundaties in de zomer te kunnen. Jonge houtige soorten kunnen echter niet ontkiemen als de lichttoetreding in het bos beneden de 10% komt.

Populierenteelt
Zowel in de beekdalen als in de kleilandschappen bestaan veel bossen uit gelijkjarige, homogene opstanden van populier. Wanneer de ondergroei van deze aanplant gemaaid of begraasd wordt, hebben wij in feite niet met een bossysteem maar met een grasland met bomen van doen. Wordt de ondergroei ongemoeid gelaten, dan zal zich een – veelal zeer soortenarm – bos ontwikkelen waarin ruigtkruiden en vooral Grote brandnetel een belangrijke rol spelen. Het optreden van brandneteldominantie is in hoge mate gekoppeld aan de lichtinval op de bosbodem. De kansen op de ontwikkeling van een soortenrijkere ondergroei met ook echte bosplanten is beduidend hoger, indien er ook een struik- of lage boomlaag onder de populieren aanwezig is. Daarbij speelt ook de nabijheid van oude boskernen een rol en wat dat betreft is – zeker in de kleilandschappen – de situatie doorgaans verre van gunstig. Dat het bij populierenaanplant meestal gaat om een teelt met een (zeer) hoge omloopsnelheid is eveneens niet gunstig. Regelmatige opstandwisseling betekent regelmatige verstoring en verdere bevordering van de ruigteplanten. Toch is voor de uiteindelijke ontwikkeling van een botanisch interessante ondergroei niet zozeer de ouderdom van de opstand maar de ouderdom van de bosbodem van belang.
Naast monoculturen van populier zijn er op de alluviale gronden ook veel gemengde, meer natuurlijke bossen met populier doorgeplant. Deze hebben in potentie een veel hogere natuurwaarde dan de monoculturen. Het nadeel van doorplant met populier is echter dat populieren veel vocht aan de bodem onttrekken. Vooral in de beekdalen kan doorplant van populieren resulteren in verdroging van de bosbodem en daarmee in een achteruitgang van het eventueel aanwezige Vogelkers-Essenbos.

Iepenziekte
De eerste gevallen van iepenziekte werden in Nederland geconstateerd in 1918. Vooral sinds de jaren dertig van de vorige eeuw is op grote schaal sterfte van iepen opgetreden, niet alleen van vrijstaande bomen en laanbomen in stedelijke omgeving, maar zeker ook in bossen en houtwallen in het landelijk gebied. Sinds het jaar 2000 kent de ziekte in Nederland weer een opleving. Het gevolg van dit alles is dat in minder dan een eeuw tijd de iep voor een groot deel uit het Nederlandse landschap en uit onze bossen is verdwenen. Hiermee ging niet alleen een karakteristiek element van onze cultuur- en boslandschappen – met name op de kleigronden – verloren, maar ook een boom die door zijn schaduwwerking en goede kwaliteit van het (gemakkelijk afbreekbare) bladstrooisel een gunstige uitwerking had op de ontwikkeling van bosbodem en ondergroei. Vooral in jonge bosecosystemen op kleigrond wordt de iep vanwege deze eigenschappen node gemist. Daarbij komt dat gelijktijdig afsterven van iepen grote gaten in de kroonlaag kan slaan, die door de massale ontwikkeling van klimplantsluiers (met o.a. Bosrank en Heggerank) gedurende langere tijd niet door verjonging van andere boomsoorten wordt opgevuld. Deze ontwikkeling, die bijvoorbeeld een aanzienlijk deel van het hardhout­ooibos bij Cortenoever heeft opgerold en ook in het Abelen-Iepenbos langs de binnenduinrand optreedt, kan overigens vanuit faunistisch oogpunt wel weer interessant zijn (zie ook: ‘Bosstructuur en voedselrijkdom van belang voor fauna’ onder Betekenis).

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website