Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) / Wilgenvloedbos / Bedreigingen

Wilgenvloedbos

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Milieuschade valt mee?
Opstuwing is ongewenst
Bodemrijping funest voor karakteristieke ondergroei
Met bijdragen van
Literatuur

Milieuschade valt mee?

Wilgenvloedbossen hebben veelal een zeer ruige ondergroei. Dit houdt uiteraard verband met het zeer voedselrijke karakter van het rivierwater waarmee de standplaatsen van de wilgenvloedbossen regelmatig worden overstroomd en met de zeer voedselrijke bodems. Het lijkt dus voor de hand te liggen de voedselrijkdom en ruige verschijning te zien als ‘systeem-eigen'. Een kleiige bodem zal altijd voor een relatief voedselrijk milieu zorgen. Er zijn echter aanwijzingen dat in vroegere eeuwen het gehalte aan voedingsstoffen (= nutriënten) van het water in onze rivieren zeer veel lager is geweest. In feite kunnen wij ons geen goede voorstelling meer maken van het karakter en de soortensamenstelling van de rivierbegeleidende bossen in tijden dat het rivierwater nog niet zo extreem voedselrijk als tegenwoordig was. Er moeten vooral op zandige trajecten minder voedselrijke gebieden in het overstromingsgebied zijn voorgekomen en die omstandigheden zullen zeker in de vegetatie tot uitdrukking zijn gekomen. In breder historisch perspectief is er dus wel degelijk sprake van een ‘verloedering' van de bossen in het rivierengebied door eutrofiëring. Gezien het vermogen van de kleibodems om enorme hoeveelheden nutriënten te binden (zeer grote adsorptiecapaciteit), is - ook bij sterk verbeterende waterkwaliteit en zelfs op zeer lange termijn - in de lager gelegen uiterwaard­bossen en in het gehele zoetwatergetijdengebied geen volledig herstel van de historische toestand te verwachten.

In het zoetwatergetijdengebied zijn de bodems kleiiger en is de milieuschade die door eutrofiëring is opgetreden zo mogelijk nog groter dan in het bovenstroomse rivierengebied. In het zoetwatergetijdengeboed ligt het tijdstip van vermesting en verloedering echter in een recenter verleden zodat wij wel weten hoe de ongestoorde situatie er uit zag. Het benedenstroomse deel van de delta heeft van oudsher de hoogste nutriëntenbelasting, maar tot 1970 werd verruiging door de dagelijkse getijdenwerking tegengegaan. Daarna heeft een onvoorstelbaar omvangrijke brandnetelmassa dit gebied veroverd terwijl in het bovenstroomse rivierengebied de incidentele overstromingen de brandnetels in toom houden: ze functioneren als mini- catastrofes. Enige interessante ontwikkelingen op hoger gelegen kades daargelaten, leek het systeem in het zoetwatergetijdengebied te zijn vastgelopen en vrijwel ‘op slot' te zitten. In de soortensamenstelling van de vegetatie in de moeraszone veranderde er heel weinig. Deze patstelling wordt echter radicaal doorbroken wanneer door sterfte en windworp de bosstructuur verandert, zoals in de laatste jaren meer en meer wordt waargenomen. Hierbij kunnen in relatief korte tijd monotone brandnetel-wilgenbossen veranderen in vrijwel ondoordringbare, zeer structuur- en soortenrijke oerwouden. Een van de sturende processen hierbij houdt verband met het feit dat de regeneratie van het bos vrijwel uitsluitend vegetatief plaatsvindt. Vanuit gevallen stammen ontspruiten rijen nieuwe bomen die bij gebrek aan een goede beworteling in de bodem op hun beurt ook weer snel en vaak gelijktijdig omwaaien (" wentelwilgen" ), een proces dat zich in principe eindeloos kan herhalen. Zo ontstaat in korte tijd een zeer reliëfrijk landschap, met veel dood hout, enorme wortelkluiten naast diepe poelen, en een zeer gevarieerd lichtklimaat. Ondanks het zeer eutrofe milieu leidt dit nieuwe oerlandschap met zijn talrijke "instap-punten" voor plant- en diersoorten tot een sterke toename van de biodiversiteit.

Er valt echter nog iets positiefs te melden. Dankzij het overwegend hoge kleigehalte van de bodems en de regelmatige aanvulling met basen van het buffercomplex bij overstromingen, speelt in het zoetwatergetijdengebied bodemverzuring geen rol van betekenis. Bij sterke getijdeninvloed treedt wel enige ontkalking op in de bodem die rijk is aan organische stof door redoxreacties, maar dit uit zich niet in een ecologisch relevante vermindering van pH en van beschikbare voedingsstoffen.

Opstuwing is ongewenst

De ruimte voor spontane natuurontwikkelingsprocessen in het rivierengebied is beperkt. Een teveel aan opgaande vegetatie in het winterbed beïnvloedt de stroomsnelheid en afvoercapaciteit en zou het rivierwater kunnen gaan opstuwen tijdens rivierhoogwater. Rijkswaterstaat volgt de uitbreiding van met name dichte bossen en wilgenstruwelen dan ook met argusogen. Natuur- en waterbeherende instanties streven in samenwerking naar de realisatie van gevarieerde rivierbegeleidende ecosystemen die bestaan uit een mozaïek van ooibos, graslanden, moeras en andere ‘korte' vegetaties. Al dan niet ‘aangetakte' nevengeulen kunnen daarbij voor een snelle afvoer van rivierwater zorgen en opstuwing voorkomen. Dankzij allerlei natuurontwikkelings­projecten (Plan ooievaar, Project Grensmaas, PKB Ruimte voor de rivier etc.) maken wilgenvloedbossen in toenemende mate deel uit van het Nederlandse rivierenlandschap. Overigens kan men zich afvragen of de effecten van opstuwing niet te eenzijdig negatief worden beoordeeld. Opstuwing heeft ook vanuit  het waterbeheer bezien zijn positieve kanten: pieken in de waterafvoer worden gedempt en  de golfbrekende werking is erg groot.

Bodemrijping funest voor karakteristieke ondergroei

Veranderingen in de waterhuishouding laten langdurig merkbare sporen na in het ooibosecosysteem. Verdroging van permanent natte groeiplaatsen brengt bodemrijpingsprocessen op gang. Daarbij komen in de uiterwaarden door versnelde mineralisatie extreem veel voedingsstoffen vrij, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de ontwikkeling van brandnetelruigtes in het Lissen-ooibos. Dit verschijnsel treedt echter vooral op waar de overstromingsduur en overstromingsfrequentie worden gereduceerd door waterhuishoudkundige ingrepen. Sterke verruiging met brandnetel is dan het gevolg. Ook in het Veldkers-ooibos overheerst in de kruidlaag vaak Grote brandnetel (Urtica dioica) als gevolg van verdroging. In het deltagebied vond na de afsluiting van het Haringvliet in 1970 een drastische daling van het aantal overstromingen plaats. Terwijl de brandnetel oprukte werden karakteristieke specialisten zoals Spindotterbloem en andere aan getij aangepaste planten teruggedrongen tot de natste en meest dynamische groeiplaatsen in de directe nabijheid van greppels en kreken.

Met bijdragen van:

Klaas van Dort, 14.11.06; Patrick Hommel & Rein de Waal, 26 april 2007; Patrick Hommel, november 2010.

Literatuur:
Bijlsma, R.J., E.J. Weeda & E. Verkaik, 2009. Wentelwilgen, wortelkluiten en wave dieback. Rapport 1910. Alterra, wageningen.52 pp.

Peters, B, G. Kurstjens & W. Helmer. 2002. Van Rijnruit tot Maasraket. 10 jaar natuurontwikkeling in Nederland. WWF.

Stortelder, A.F.H., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel, 1999. De vegetatie van Nederland. Deel 5: Plantengemeenschappen van ruigten, bossen en struwelen. Opulus Press, Uppsala.


Siebel, H.N. 1998. Floodplain forest restoration. Tree seedling establishment and tall herb interference in relation to flooding and shading. Dissertatie Katholieke Universiteit Nijmegen. IBN Scientific Publications 9, Wageningen, 79 pp.


Wolf, R.J.A.M., A.H.F. Stortelder & R.W. de Waal. 2001. Ooibossen, Bosecosystemen van Nederland deel 2. KNNV, Utrecht.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website