Pad: Natuurtypen / Vogelgraslanden (N13) / Wintergastenweide (N13.02) / Ganzegrasland / Regulier beheer

Ganzegrasland

Inhoud van deze pagina: 

REGULIER BEHEER
Wat kan een beheerder beïnvloeden en waarom zou hij dat doen?
Samenstelling van de vegetatie
Voedselhoeveelheid, kwaliteit en productiviteit
Zijn natuurdoelen in termen van overwinterende ganzen strijdig met andere (natuur)doelen?

Wat kan een beheerder beïnvloeden en waarom zou hij dat doen?
De beheerder (natuurbeheerder en/of boer) heeft invloed op de aantrekkelijkheid van het ‘ganzengrasland’ door in meer of mindere mate te zorgen voor rust, een gepast maai- of begrazingsbeheer, de juiste waterstanden en bemesting. Hiermee kunnen de ganzen geweerd of juist ‘gelokt’ worden. Dit kan gedaan worden in een poging om een bestaand probleem met landbouw elders te op te lossen. Het is namelijk zo dat maatregelen die boeren nemen om ganzen te weren (en zo ganzenschade te voorkomen) slechts zinvol zijn als er alternatief foerageergebied voorhanden is. Een andere reden voor ‘lokken of weren’ kan de effectieve bescherming van ganzen zelf zijn. Dit zijn achterliggende gedachtes van het huidige opvangbeleid. We stippen wel even aan dat terreinbeheer slechts één van een reeks opties is om handen en voeten te geven aan de omgang met ganzenpopulaties en het spanningsveld met de landbouw.
Concreet wordt de aantrekkelijkheid van ganzengrasland bepaald door de vegetatiesamenstelling en structuur, de voedselhoeveelheid, kwaliteit en de productiviteit alsmede de locatie en het oppervlak. Gebiedjes kleiner dan 5 ha dienen te worden vermeden. Grote aaneengesloten gebieden zijn aan te bevelen in verband met rust. Het is overigens zinvol om te beoordelen of er misschien ook behoefte is aan een rustige slaapplaats.

Samenstelling van de vegetatie
Ganzen zijn zelf niet in staat om vegetatieverandering (successie) tegen te gaan in Nederland, omdat ze hier het belangrijkste deel van het plantengroeiseizoen niet aanwezig zijn. Het landgebruik bepaalt dus welke voedselplanten er staan en wat de voedselkwaliteit daarvan is. Maaien en begrazen zijn beheersmaatregelen die jonge grassen bevoordelen en veroudering van de vegetatie tegengaan. Grassen tolereren het verlies van blad beter dan hun concurrenten. Zij hebben, in tegenstelling tot de meeste kruidachtigen, het weefsel dat voor de nieuwe bladmassa zorgt laag bij de grond zitten. Als er bladeren verwijderd worden kunnen er snel weer nieuwe aangroeien.
In natuurgebieden vindt onkruidbestrijding gewoonlijk om natuurbehoudredenen niet plaats, net zo min als doorzaaien met een geschikt grasmengsel. Dit zijn desondanks mogelijkheden om, met grote terughoudendheid en in bepaalde gevallen, in te zetten voor het specifieke doel van ganzenopvang in natuurgebieden. Op gangbaar boerenland zijn het normale ingrepen.

Voedselhoeveelheid, kwaliteit en productiviteit
De juiste gewashoogte verschilt per ganzengeslacht. De Rot- en Brandganzen, alsmede de Smienten, hebben het liefst een mat van rond de vier cm lang, maar in ieder geval korter dan 10 cm. Voor de overige soorten mag het gras wel 13-20 cm lang zijn.
De keuze tussen begrazen of maaien maakt niet erg veel uit, zolang de resulterende grasmat maar een hoge levend/dood verhouding heeft en van de juiste hoogte is. Naweiden is gunstig voor het genereren van een dichte zode, maar ten behoeve van ganzen moet het vee tijdig uitgeschaard worden in verband met directe voedselconcurrentie.
Waterbeheer en bemesting beïnvloeden de gewasproductiviteit. Bij een goede ontwatering warmt de bodem sneller op. Mest, en kalk, zorgen voor de juiste voedingstoestand en zuurgraad van de bodem. Onder een regime van bemesting neemt ook de gewaskwaliteit toe, in termen van energie en eiwit. Als de mest wordt gegeven gedurende het ganzenseizoen, onder gunstige omstandigheden voor gewasgroei, kan de verhoogde productiviteit ten goede komen aan de ganzen. Afhankelijk van de omstandigheden zorgt bemesting voor een toename van de benutting door ganzen met tien tot enkele tientallen procenten. Bemesting in de herfst (en voor Brand- en Rotganzen in het voorjaar) met matige hoeveelheden (50-150 kg N.ha-1) is optimaal.
Met afnemende intensiteit van agrarisch gebruik zal in het algemeen de productiviteit en ook de voedselkwaliteit afnemen. Dat proces is de omkering van de eerder besproken toename over de afgelopen decennia. Op zandige bodems is het effect op ganzen na enkele jaren meetbaar. Uit de vegetatiekundige literatuur blijkt dat verschraling op meer gebufferde nutriëntenrijkere kleibodems meer tijd neemt en minder ver gaat dan op zand. Een effect van verschraling op ganzen is vooralsnog niet aangetoond op kleibodems. Daarbij speelt mee dat extensief gebruikte graslanden vaak onder enige vorm van natuurbeheer zijn, waardoor de rust er vaak beter is gewaarborgd. In de praktijk blijken de effecten van extensivering op de ganzenbenutting dan ook beperkt, zolang de grasmat niet verruigt.

Zijn natuurdoelen in termen van overwinterende ganzen strijdig met andere (natuur)doelen?
De meeste ganzen overwinteren op intensief bemest agrarisch grasland. Bij een iets lagere graad van intensivering kan ‘ganzengrasland’ tegelijkertijd ook ‘weidevogelgrasland’ zijn, of ‘botanisch grasland’ of ‘kwelder’. In grote lijnen hoeven natuurdoelen in termen van overwinterende ganzen dus niet strijdig te zijn met andere natuurdoelen. Alleen specifieke ingrepen als doorzaaien, onkruidbestrijding, of bemesten in grote hoeveelheden zijn in het algemeen niet gewenst vanuit het oogpunt van andere natuurdoelen.
De ruimtelijke overlap tussen overwinterende ganzen en broedende weidevogels is groot. In de tijd echter is dat maar heel beperkt het geval. De Kolganzen zijn grotendeels verdwenen als de weidevogels arriveren om te gaan broeden. De Brandganzen en de Rotganzen zijn echter lokaal nog in hoge aantallen aanwezig als de weidevogels arriveren. Het gaat dan om de Waddeneilanden, de buitendijkse gebieden van Noord Nederland, de Workumerwaard en de Bantpolder in Friesland. De vrees bestaat dat de toenemende ganzenaantallen nadelig zijn voor weidevogels. Onderzoek heeft dit echter niet kunnen bevestigen. Ganzen en weidevogels hebben beide een voorkeur voor landschappelijke openheid en rust, maar waar ganzen baat hebben bij een lage waterstand is voor weidevogels een hoge waterstand geschikter. Engelse onderzoekers concluderen dat weidevogels en ganzen prima samen kunnen gaan, en dat het waterbeheer de sleutelfactor is om de resultaten te optimaliseren. Een laag peil in de winter om een beetje gewasproductie op gang te houden voor de ganzen en een opgezet peil in het vroege voorjaar ten bate van de weidevogels zijn dan gunstig. Als er gekozen moet worden is het aan te raden specifiek ganzenbeheer nabij een ganzenslaapplaats uit te voeren en specifiek weidevogelbeheer verder weg daarvan.

Botanische graslanden worden vaak verschraald. Dat proces is strijdig met een natuurdoel in termen van hoge aantallen ganzen. Maar ganzen kúnnen en zullen er gaan eten zolang het aandeel grassen nog aanzienlijk is. Het grazen van de ganzen zelf zal leiden tot een netto export van nutriënten en daardoor geen afbreuk doen aan het botanische doel. Als het land schraler wordt zal de benutting door ganzen minder worden. Overigens zal er op de slaapplaats een netto import van nutriënten plaatsvinden die als meer of minder belangrijk kan uitpakken, afhankelijk van de aantallen ganzen, de bestaande lokale voedselrijkdom en de lokale hydrologie. Voornamelijk in zeer voedselarme situaties, bijvoorbeeld vennen, zijn dan negatieve effecten mogelijk.
De kwelders ontlenen hun waarde aan de zoute invloed, de dynamiek en het al dan niet gevoerde begrazingsbeheer. Ganzen benutten de kwelders, maar beïnvloeden de vegetatie niet noemenswaardig. De aanwezigheid van ganzen is wel een toegevoegde natuurwaarde. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de ganzen op kwelders conflicteren met enig botanisch of faunistisch natuurdoel. Er zijn echter wel overwegingen van andere aard ten aanzien van het beheren van ganzengrasland die het verdienen om genoemd te worden. Het beheren van grasland als foerageergebied voor ganzen brengt het gevaar met zich mee dat sommige ganzensoorten verder af komen te staan van hun traditionele voedsel (denk bijvoorbeeld aan de Rotgans). Het is aanbevelenswaardig om daar voorzichtig mee om te gaan. Ook is het aannemelijk dat de ganzenpopulaties verder zullen toenemen door eventuele verbeteringen in de conditie van de dieren. Wanneer daar niet adequaat mee wordt omgegaan is dit strijdig met landbouwbelangen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website