Pad: Natuurtypen / Rijke graslanden en akkers (N12) / Kruiden- en faunarijke akker (N12.05) / Faunarijke akker / Herstelbeheer en inrichting

Faunarijke akker

Inhoud van deze pagina:

HERSTELBEHEER EN INRICHTING
Limburg
Zeekleigebieden en inpolderingen
Akkers en natuur: agrarisch beheer noodzakelijk
Naschrift

Limburg
De grootste winst voor de biodiversiteit van akkerfauna valt te behalen in het kleinschalige cultuurlandschap van de zandgronden en in Limburg, omdat daar de meeste typische en (ernstig) bedreigde akkersoorten voorkomen. Op de hogere zandgronden en in Limburg is het mogelijk om op een landschapsschaal de koppeling te herstellen tussen akkers enerzijds en andere habitattypen anderzijds. Het herstel van faunarijke akkers kan bovendien in een kleinschalig landschap gekoppeld worden aan het herstellen van de akkerflora. Het gaat hierbij veelal om kleine akkers of akkercomplexen, waar door middel van reservaatbeheer optimale leefomstandigheden gecreëerd kunnen worden voor de doelsoorten. Kleinschalig flora- en faunavriendelijk beheer van akkertjes in de duinen, op de Veluwe, in het rivierengebied en in beekdalen kan bijvoorbeeld een positieve bijdrage aan het behoud van bedreigde soorten als Geelgors, Knoflookpad en overwinterende akkervogels. Het Korhoen kan profiteren van de aanleg van kleinschalige akkers op heideterreinen, aangezien herstel van de overgangen tussen heidegebieden en extensief agrarisch gebieden tientallen jaren zal vergen of onmogelijk is geworden in Nederland (door wegenaanleg en aanleg van woonwijken). De Hamster neemt een middenpositie in, omdat herstel van de hamsterpopulatie vooral mogelijk is op de relatief open lössplateaus. Kleine landschapselementen, zoals graften en kleine bosjes, kunnen een bijdrage leveren aan het herstel van de populatie, maar vormen tegelijkertijd een bedreiging, omdat zulke elementen ook predatoren aantrekken.

Zeekleigebieden en inpolderingen
In de noordelijke en westelijke open zeekleigebieden en inpolderingen kunnen soorten als de Grauwe kiekendief, Kwartelkoning, Veldleeuwerik, Gele kwikstaart, Haas en Patrijs profiteren van genomen maatregelen in de vorm van duo- of trioranden volgens het ‘Groningse model’. In de grootschalige akkerbouwgebieden zijn maatregelen alleen effectief als de maatregelen ook grootschalig worden ingevoerd, eventueel gecombineerd met soortspecifieke maatregelen, zoals het beschermen van nesten van grauwe kiekendieven en kwartelkoningen. Het creëren van kleine geïsoleerde faunavriendelijke akkers in grootschalige open landschappen is zinloos en leidt tot ecologische valkuilen. De doelsoorten en hun predatoren worden dan aangetrokken tot de kleine stukjes geschikt habitat in een verder ongeschikt landschap. De maatregelen moeten liefst regionaal worden ingevoerd en over een voldoende groot oppervlak. Enkele (buitenlandse) onderzoeken wijzen erop dat minimaal 5% à 10% van het oppervlak aan akkers faunavriendelijk beheerd zou moeten worden om een positief effect te hebben op de fauna. Door het toepassen van braakliggende akkers is zo’n percentage zeker haalbaar in grootschalige akkergebieden, maar brede akkerranden kunnen eveneens een belangrijke bijdrage leveren.

Akkers en natuur: agrarisch beheer noodzakelijk
Het is belangrijker dat alle beheermaatregelen uitgaan van een agrarisch beheer, wat betekent dat (lichte) bemesting een onlosmakelijk onderdeel is van het beheer. Akkers worden van oorsprong bemest, bewerkt, ingezaaid, braak gelegd, etc. Zonder deze handelingen gaan akkers uiteindelijk in kwaliteit achteruit, waarmee ook de akkersoorten zullen verdwijnen. Ook het chemisch bestrijden van probleemonkruiden (zuring, kweek, akkerdistel) moet onderdeel kunnen zijn van het beheer. Het is namelijk zeer de vraag in hoeverre biologische bestrijding een oplossing biedt voor het bestrijden van probleemonkruiden, enerzijds doordat de vele mechanische bewerkingen ten koste gaan van het broedsucces van akkervogels, anderzijds omdat onduidelijk is in hoeverre probleemonkruiden echt effectief bestreden kunnen worden op wat grotere schaal.
Voor een faunavriendelijk beheer is het allerbelangrijkste dat het landbouwkundige gebruik zoveel mogelijk gehandhaafd blijft of wordt hersteld op de (voormalige) akkers en dat de handelingen als oogsten, mesten en zaaien afgestemd worden op de soortspecifieke eigenschappen van doelsoorten. In de praktijk betekent dit veelal dat het beheer geëxtensiveerd moet worden: minder gewasopbrengst, meer natuurwaarden.
Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat sommige akkersoorten tegengestelde eisen stellen aan het beheer. De hamster is bijvoorbeeld gebaat bij een dicht gewas met veel dekking, terwijl de veldleeuwerik en de patrijs beter uit de voeten kunnen met een meer open gewas. Een akkervriendelijk beheer betekent dan ook keuzes maken of een project zo grootschalig opzetten dat ruimte is voor meerdere soorten. Het gebruik van zomergranen, i.p.v. wintergranen kan echter voor veel soorten al een enorme verbetering betekenen, doordat zomergranen langzamer groeien, opener zijn en later worden geoogst.

Naschrift
De kennis van een effectief en efficiënt akkerbeheer voor typische akkerfauna staat in Nederland nog in de kinderschoenen. Hoewel met enkele projecten (hamster & grauwe kiekendief) al enige ervaring is opgedaan, blijven nieuwe projecten zeer wenselijk vooral in het kleinschalige cultuurlandschap op de zandgronden en in Limburg. Het zijn juist deze cultuurlandschappen waar tal van karakteristieke akkersoorten voorkomen die ernstig zijn bedreigd (Knoflookpad, Hamster, Korhoen) of inmiddels uitgestorven zijn als broedvogel (Ortolaan, Grauwe gors).
Op korte termijn is veel winst voor de akkerfauna te behalen door de vele tientallen akkerranden-projecten die reeds in uitvoering zijn te evalueren op inhoudelijke ecologische kwaliteit en, indien nodig, aan te passen aan soortspecifieke eisen van bedreigde doelsoorten.
Verder is het belangrijk om te beseffen dat de ontwikkelingen in de akkerbouw (gewaskeuze, mechanisering, intensivering van de bedrijfsvoering) in de afgelopen decennia vrijwel altijd ‘gestuurd’ werden door de vragen en behoeften van de ‘markt’. In de afgelopen eeuwen was de vraag en daarmee de productie vooral lokaal georiënteerd, daarna regionaal en nationaal en tegenwoordig internationaal. De akkerfauna en akkerflora hebben lang, onbedoeld, kunnen profiteren van deze ontwikkelingen, maar tegenwoordig gaan de ontwikkelingen zo snel of zijn de veranderingen in het landschap of in de bedrijfsvoering zo groot dat veel van de karakteristieke akkersoorten niet meer kunnen overleven.
Herstel of behoud van akkersoorten op de langere termijn is niet eenvoudig en vereist een internationale (of in ieder geval Europese) aanpak. Binnen het Europese Gemeenschappelijke Landbouw Beleid (GLB) zijn de eerste verschuivingen daaromtrent al zichtbaar. De lidstaten van de EU zijn in zekere mate vrij om een deel van de EU-subsidies voor prijs- en inkomenssteun (eerste pijler) over te hevelen naar plattelandsontwikkeling (tweede pijler). Door Nederland wordt van deze zogenaamde vrijwillige modulatie nog maar weinig gebruik gemaakt. Na 2013 zal er echter veel veranderen in het GLB. Er zal sprake zijn van een verdere liberalisering van de markt voor landbouwproducten, waarbij de generieke inkomenssteun van boeren geleidelijk zal worden verminderd. In het kader van plattelandsontwikkeling zal er veel meer worden ingezet op gerichte betaling voor geleverde prestaties en groene diensten waarvoor een maatschappelijke vraag bestaat. Bijvoorbeeld een verbetering van de kwaliteit van milieu, natuur en landschap in het agrarische gebied. Boeren zullen met financiële middelen worden gestimuleerd tot een milieuvriendelijke bedrijfsvoering met instandhouding van landschapselementen en landbouwsystemen met een hoge natuurwaarde. Deelname is op basis van vrijwilligheid en vergoedingen worden berekend op basis van gederfde inkomsten en/of extra kosten die worden gemaakt. Door slimme beheerpakketten te ontwikkelen die goed inpasbaar zijn in de reguliere agrarische bedrijfsvoering, die aantoonbaar positief uitpakken voor akkerfauna (dus géén pakketten met te smalle akkerrandjes) en die qua financiële vergoeding kunnen concurreren met gangbare landbouwproducten, is enorm veel winst te behalen voor de akkerfauna. Niet alleen in het kleinschalig zandlandschap van Oost-Nederland en Brabant, maar ook in het Limburgse lössgebied en de grote open akkergebieden van Noord- en West-Nederland.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website