Pad: Natuurtypen / Rijke graslanden en akkers (N12) / Kruiden- en faunarijke akker (N12.05) / Kruidenrijke akker / Regulier beheer

Kruidenrijke akker

Inhoud van deze pagina:

REGULIER BEHEER
Beheer: aansluiten bij oude landbouwmethoden
Gewaskeuze en zaaihoeveelheden
Vruchtwisseling
Grondbewerking
Braak
Bemesting
Bestrijding van plaagonkruiden
Akkerreservaten versus biologische landbouw

Beheer: aansluiten bij oude landbouwmethoden
Naast de inrichting is het jaarlijkse beheer erg belangrijk voor de instandhouding van soortenrijke akkers. Bij dit beheer zal zoveel mogelijk aangesloten moeten worden bij de oude landbouwmethoden.

Gewaskeuze en zaaihoeveelheden
De keuze van het gewas is erg belangrijk voor de ontwikkeling van de vegetatie op de akker, omdat hiermee ook het tijdstip van de laatste grondbewerking vastligt. Bij wintergranen valt dit moment in de herfst (voor 15 oktober), bij de teelt van hakvruchten en zomergranen moet de grondbewerking voor 15 maart gebeuren. In akkerreservaten is een overwicht aan wintergranen wenselijk, aangezien zich onder de wintergraanonkruiden de meeste bedreigde soorten bevinden. Op plekken waar nog winterannuelle soorten voorkomen, dient zelfs permanent wintergraan geteeld worden, om het verdwijnen van deze zeer sterk bedreigde groep te voorkomen. Om uitputting van de grond te voorkomen en om voldoende diversiteit te waarborgen moet in reservaten ruimte zijn voor zomergranen en bijzondere gewassen. Teelt van deze gewassen moet niet plaatsvinden op plaatsen met bedreigde winterannuelle soorten.
Bij de keuze voor granen verdienen langhalmige graanrassen de voorkeur boven korthalmige rassen, omdat tussen de laatste gemakkelijk grassen en Kleefkruid kunnen gaan domineren. Als richtlijn voor de zaaizaadhoeveelheden kan het volgende gelden. Voor een op akkerplanten gericht beheer is van winterrogge 60 kg/ha zaaizaad voldoende (100 kg/ha in de reguliere landbouw) en 80 kg/ha bij de teelt van wintertarwe (150 kg/ha in de reguliere landbouw). Voor zomergraan is 50 kg/ha voldoende.

Vruchtwisseling
Vruchtwisseling is van belang om het optreden van probleemonkruiden te voorkomen. Een te krap schema maakt het echter voor een aantal soorten onmogelijk om langdurig stand te houden. Daarom dient 2 van de 3 jaar (klei- en lössgronden) of 5 van de 6 jaar (zandgronden) een graan verbouwd te worden. Vruchtwisseling kan voor de sterk bedreigde groep van winterannuellen echter de doodsteek betekenen en moet daarom voorkomen worden op plaatsen waar deze soorten optreden.

Grondbewerking
Een jaarlijkse grondbewerking is nodig om het optreden van triviale overblijvende soorten binnen de perken te houden. Daarom dient de akker in de herfst te worden geploegd, ook als binnen de vruchtwisseling een braakjaar is opgenomen. Eggen of het oppervlakkig woelen van de bodem leidt ook tot het optreden van overjarige soorten. De diepte van de grondbewerking is van belang voor bolgewassen, zoals de Roggelelie. Door te diepe grondbewerking komend de wortels aan de oppervlakte te liggen, waardoor de planten niet meer hun volledige cyclus kunnen voltooien. Dit betekent dat niet dieper geploegd dient te worden dan 20 cm. Zwaar materieel moet vermeden worden om verdichting van de bodem te voorkomen.

Braak
Verscheidene soorten kunnen profiteren van een braakjaar, dus een jaar waarin geen gewas wordt geteeld. Ook vanuit het oogpunt van ziektebestrijding is het soms nuttig een braakjaar toe te passen. Voordat de akker een jaar braak blijft liggen, dient er eerst geploegd te worden, in de herfst.

Bemesting
Hoewel bemesting in het natuurbeheer bijna klinkt als vloeken in de kerk, is het noodzakelijk om de akker af en toe te bemesten. Er moet echter voor gewaakt worden dat dit plaatsvindt in de hoeveelheden die gangbaar zijn in de (historische) landbouw! Een goede bemesting, met ruige stalmest, draagt bij aan een goede bodemstructuur, waar akkerplanten van profiteren. Bemest echter niet boven de productieniveaus van 1500 kg korrel en 3 ton stro per hectare. Het gangbare gemiddelde ligt momenteel op het dubbele. Op zand is dit niveau sneller te halen dan op klei door de relatief snelle uitputting van de voedselreserves op zand.

Bestrijding van plaagonkruiden
De simpelste manier om plaagonkruiden te bestrijden is een jaar een dicht staande hakvrucht te telen. In het geval dat Kweek dominant wordt, kan in een droge periode de bodem licht geëgd worden, waardoor de wortelstokken van deze grassoort uitdrogen. Het verzamelen van de wortelstokken moet voorkomen dat de Kweek opnieuw tot dominantie kan komen.

Akkerreservaten versus biologische landbouw
Hoewel veel natuurbeheerorganisaties hun akkers biologisch (laten) beheren, is dit niet optimaal voor de ontwikkeling van een rijke akkerkruidenflora. Dit heeft vooral te maken met de krappe vruchtwisseling, waardoor vooral de soorten van wintergranen sterk onder druk komen te staan. Er zijn voorbeelden bekend van akkers waar deze vroeger wel voorkwamen, maar waar ze na de invoering van biologische landbouw zijn verdwenen. Voor de instandhouding van de typische wintergraanonkruiden is dan ook een netwerk van reservaatsakkers nodig. Sommige soorten doen het echter erg goed bij een biologisch beheer, zoals bijvoorbeeld Gele ganzenbloem.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website