Pad: Natuurtypen / Droge schraalgraslanden (N11) / Droog schraalland (N11.01) / Stroomdalgrasland / Bedreigingen

Stroomdalgrasland

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Neerwaartse trend
Oorzaken voor aftakeling
Vergrassing
Struweel- en bosvorming
Minimum areaal wordt niet gehaald
Met bijdragen van
Literatuur

Neerwaartse trend
In de afgelopen eeuw is het stroomdalgrasland schrikbarend achteruitgegaan, zowel in oppervlakte als in kwaliteit. De inkrimping blijkt duidelijk uit de achteruitgang van de twee meest typerende plantengemeenschappen. Het Sedo-Thymetum (Associatie van Vetkruid en Tijm) is teruggelopen van 133 km-hokken van de natuuratlas in de vijftiger jaren naar 16 in 1990. Het Medicagini-Avenetum (Associatie van Sikkelklaver en Zachte haver) kelderde van 173 naar 22 in 1990. De oppervlakte is in een halve eeuw afgenomen van circa 200 hectare in de periode 1930-1950 naar hoogstens 30 goed ontwikkeld stroomdalgrasland nu. Maar een kentering dient zich aan. Als gevolg van natuurontwikkeling langs de rivieren nam de pionierfase, het Bromo-Eryngietum (Kweekdravik-associatie) toe van 8 naar 32 uurhokken.

Oorzaken voor aftakeling
De belangrijkste oorzaken van de aftakeling zijn habitatvernietiging, door zand- en grindwinning (vooral langs de Maas) en aanleg van infrastructurele werken zoals wegen en verzwaarde dijken, een intensief agrarisch gebruik of juist het staken van maaien of beweiding. In de uiterwaarden is verder vooral de vastlegging van de rivier een probleem, waardoor er geen nieuwe oeverwallen en rivierduinen kunnen worden gevormd. In veel rivierduinen en rivierdalranden die door de aanleg van dijken werden afgesneden van de rivier heeft het achterwege blijven van overstroming bovendien geleid tot sterke verzuring. De kortstondige overstromingen, een of twee keer per jaar, zijn essentieel voor het tegengaan van verzuring en strooiselophoping, maar blijven jarenlang uit of treden helemaal niet meer op.

In het rivierengebied is nog relatief weinig onderzoek gedaan naar de bodemprocessen die hebben geleid tot vermesting. Er is bijvoorbeeld nog geen antwoord op de vraag of de sedimenten die tegenwoordig door de rivier worden afgezet voedselrijker zijn dan vroeger. Ook is er de stikstofdepositie, het overspoelen met voedselrijker geworden rivierwater en vaak ook de aanvoer van voedingsstoffen uit een veel voedselrijkere omgeving door grazers (koeien, ganzen). Deze elementen staan waarschijnlijk de zo broodnodige vorming van nieuwe stroomdalgraslanden in de weg. Voor aanverwante graslanden, zoals duingrasland en kalkgrasland, is aangetoond dat stikstofdepositie sterk heeft bijgedragen aan vergrassing en de verdwijning van schaars begroeide bodem.

Vergrassing
Het cyclisch patroon van opbouw en afbraak is door rivierregulatie drastisch ingeperkt. Hiermee is het stuwende mechanisme achter het ontstaan van rivierduinen en de handhaving van een minerale bodem met een zeker aandeel kale plekken weggevallen. De natuurlijke successie die dan op gaat treden wordt nog eens versneld door stikstofdepositie. Veel rivierduinen groeien tegenwoordig dicht met grassen. Soorten die open plekken nodig hebben om te kiemen hebben het moeilijk, bijvoorbeeld Gulden sleutelbloem (Primula veris), Veldsalie (Salvia pratensis) en Ruige weegbree (Plantago media). In de bodem vindt ophoping van organisch materiaal plaats en de bodem kan ontkalken. Waarschijnlijk leidt dit net als in de grijze duinen tot een verhoogde beschikbaarheid van stikstof en fosfor.

Struweel- en bosvorming
Bij het staken van maaien en / of beweiding treedt op hooggelegen terreindelen al snel uitbreiding op van Dauwbraam (Rubus caesius), Sleedoorn (Prunus spinosa), Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) of van andere soorten van doornstruwelen. Plaatselijk zijn jonge Essen (Fraxinus excelsior) gesignaleerd en andere voorlopers van ooibos. De oeverwallen, rivierduinen en dijken blijven alleen geschikt voor stroomdalgrasland als de successie naar struweel en bos wordt tegengegaan. In uiterwaarden waar natuurontwikkelingsprojecten zijn uitgevoerd, blijkt dat een lage dichtheid aan grote grazers onvoldoende is om bosvorming tegen te gaan. De vraag luidt: is dat erg? De gedachte dat dit niet erg is omdat steeds weer elders nieuwe mogelijkheden voor graslandsoorten ontstaan, wint steeds meer veld; zie onder het kopje ‘Cyclisch beheer' op de subpagina ‘Regulier beheer'. We weten echter nog niet in welke mate de huidige jonge rivierduinen zich verder kunnen ontwikkelen tot geschikte standplaatsen voor soortenrijk stroomdalgrasland; zie onder het kopje ‘Nieuwe kansen door meer ruimte voor de rivier'op de subpagina ‘Herstelbeheer'.

Minimum areaal wordt niet gehaald
Een ander punt van zorg is de beperkte omvang van de groeiplaatsen van stroomdalgrasland. Vrijwel alle restanten liggen tegenwoordig in relatief kleine natuurreservaten. De mogelijkheden voor uitwisseling van genen tussen deze populaties zijn zeer beperkt. De rivier voert grote aantallen zaden mee van vooral algemene planten, die zich dan vrij gemakkelijk te verspreiden. Dit geldt waarschijnlijk niet voor veel diersoorten en voor de nu zeldzame planten van de karakteristieke stroomdalflora. De huidige beschermde status van de kleine restanten van stroomdalgrasland is betrekkelijk en vormt beslist geen garantie tegen de achteruitgang van de biodiversiteit. Tot op het moment dat er zich weer voldoende nieuwe soortenrijke stroomdalgraslanden vormen met populaties van bedreigde soorten die als bronpopulaties kunnen dienen, is het van groot belang om in de huidige restanten een kleinschalig intensief beheer toe te passen dat verruiging en struweelvorming tegengaat.

Met bijdragen van:
Klaas van Dort en Moniek Nooren, november 2006, Emiel Brouwer, oktober 2007.

Literatuur:
Dijk, H.F.G. van, B.G. Graatsma & J.N.M. van Rooy. 1984. Droge stroomdalgraslanden langs de Maas. Wetenschappelijke mededeling KNNV nr. 165.

Hegland, S.J., M. van Leeuwen & J.G.B. Oostermeijer. 2001. Population structure of Salvia pratensis in relation to vegetation and management of Dutch dry floodplain grasslands. Journal of applied Ecology 2001 (38): 1277-1289.

Peters, B., E. Kater & G. Geerling. 2006. Cyclisch beheer in uiterwaarden. Natuur en veiligheid in de praktijk.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren. 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland deel 2. Graslanden, zomen en droge heiden. KNNV, Utrecht.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren. 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland deel 3. Kust en binnenlandse pioniermilieus. KNNV, Utrecht.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website