Pad: Natuurtypen / Droge schraalgraslanden (N11) / Droog schraalland (N11.01) / Zinkweide / Bedreigingen

Zinkweide

Inhoud van deze pagina

BEDREIGINGEN
Beëindiging van de zinkwinning  
Afkalving, aanplant van populieren en roof van mierennesten
Vergrassing door bemesting en alkalinisering
Met bijdragen van
Literatuur

Beëindiging van de zinkwinning
De verwerking van metaalertsen in België vond plaats door een zeer inefficiënte extractietechniek waarbij het afvalwater direct geloosd werd op de Geul. Rond 1890, op het hoogtepunt van deze metaalindustrie, waren er mijnen tot op 170 m diepte. Door wateroverlast in de diepe mijnschachten werd toen zeer zinkhoudend water weggepompt naar de Geul. Het zinkgehalte van het beekwater werd hierdoor erg hoog. Speciaal bij hoog water werd zinkhoudend water en slib in de ondergelopen weilanden afgezet. Analysen aan bodemprofielen laten zien dat de zinkconcentratie in graslandbodems van de Geul inderdaad een piek laat zien in een 100 cm dikke bodemlaag die gevormd is halverwege de 19e eeuw. Zinkweiden komen in Nederland alleen voor in de voormalige overstromingsgebieden van de Geul waar in het verleden veel zinkrijk slib is afgezet. Doordat het slib in het verleden ook rijk was aan reactief ijzersulfide, leidde afzetting hiervan tevens tot verzuring van de bodem. De zure omstandigheden verhoogden de concentraties van niet vastgelegde zink in deze beekdalgraslanden nog meer.
De huidige zinkconcentratie bedraagt in dit gebied 20- 80 μmol/g droge bodem, terwijl dit in 1925 opliep tot 450 μmol/g droge bodem. De achteruitgang van onze zinkflora heeft zeker te maken met deze daling in de zinkconcentratie van de bodem die begonnen is met het stoppen van de mijnbouw in België in 1950. Het Geulwater kan ook nu nog veel zink bevatten, vooral doordat erosie optreedt van bovenstroomse zinkrijke oevers. De jaarlijkse aanvoer uit België wordt op 60.000 kg geschat, en de afvoer naar de Maas op 70.000 kg/jaar. De totale hoeveelheid zink die in het systeem is opgeslagen wordt geschat op 20.000 ton. 

 

Foto's: Afkalving vormt een ernstige bedreiging voor de zinkflora in Nederland.

Afkalving, aanplant van populieren en roof van mierennesten
Momenteel komt de zinkflora in Nederland vrijwel alleen nog voor op een enkel weilandje op de bovenrand van een buitenbocht van de Geul. Ook hier gaat de zinkflora achteruit, ondanks dat het deel uitmaakt van een gebied dat al 50 jaar geleden aangekocht werd, speciaal om de zinkflora te beschermen.
Een ernstige bedreiging voor de achteruitgang van de zinkfora in dit reservaat is de afkalving van de oever. Deze afkalving treedt op door het kronkelen of ‘meanderen' van de Geul in combinatie met het uittreden van kwelwater vanuit de hoger gelegen omgeving (zie foto's). De laatste zinkweide van Nederland dreigt binnen afzienbare tijd te verdwijnen tenzij er maatregelen worden genomen die de afkalving tegengaan.
Naast afkalving speelt mogelijkerwijs nog de aanplant van populieren in het terrein een rol bij de achteruitgang van de zinkflora. Hierdoor neemt de beschaduwing van de zinkweide toe en dat is ongunstig voor de zinkflora die lichtminnend is. Een bijkomend negatief effect is, dat populieren wellicht bijdragen aan vermesting van het gebied omdat de populierenbladeren extreem rijk zijn aan voedingsstoffen. Echter, plag- en kiemproeven in het grasland laten zien, dat de populieren wellicht ook een positief effect hebben op de overleving van kiemlingen na plaggen. De beschaduwing maakt dat de bodem minder sterk verdroogt.
Ten slotte vormt het afgraven van mierennesten van de Gele weidemier een bedreiging in het gebied. Op deze nesten komt de zinkflora uitbundig voor, waarschijnlijk omdat de mieren zinkrijke bodem aan de oppervlakte brengen en zaden ingraven. De nesten worden afgegraven voor de winning van de miereneieren en poppen, waarschijnlijk om als voer voor huisdieren te dienen.
       



Zinkweide figuur 1
Figuur: Bodemfactoren die het voorkomen van zinkflora bepalen. 
▲, tertair vervuilde graslanden in Nederland waar de zinkflora verdwenen is;
∆, tertiar vervuilde graslanden in Nederland waar de zinkflora nog voorkomt;
□, secundair vervuilde locaties in Plombières (Belgie) met zinkflora;
○, secundair vervuilde locaties in La Calamine (Belgie) met zinkflora.
Concentraties zijn gegeven in µmol/gram droge bodem (Lucassen e.a. submitted).

Vergrassing door bemesting en alkalinisering
Op een deel van de plekken waar de zinkflora is verdwenen overheersen nu grassen, vooral Gewoon struisgras (Agrostis capillaris) en Gestreepte witbol (Holcus lanatus). Omdat die grassen zowel metaalbestendig zijn als hard kunnen groeien op fosfaatrijke bodem, zijn dit de soorten die bij vermesting de zinkweiden overwoekeren. Onderzoek in graslanden langs de Geul heeft verschillen in onder meer zink- en fosfaatbeschikbaarheid aangetoond voor locaties waar de zinkflora zich heeft weten te handhaven en waar de zinkflora vervangen is door metaalbestendige grassen (zie Figuur). Waar momenteel nog zinkflora voorkomt is de bodem zwak gebufferd, is de pH 5,0-5,5 en is het zinkgehalte hoger dan 40 µmol/gram droge bodem en is de Zn/Ca ratio in de bodem hoger dan 0,8. Locaties waar grassen zijn gaan domineren zijn sterker gebufferd, de pH is er 5,5-7,5 en de zinkconcentratie is lager dan 40 µmol/gram droge bodem en de Zn/Ca ratio in de bodem is lager dan 0,8. Het sterk toegenomen gebruik van kalkhoudende kunstmest vanaf het begin van de vorige eeuw zal bijgedragen hebben aan een ‘alkalinisering', een verhoging van de pH van de bodem, waardoor de zinkbeschikbaarheid is afgenomen. Bovendien zullen overstromingen met Geulwater nu niet meer leiden tot een hogere zinkbeschikbaarheid door bodemverzuring. Het Geulwater is nu gebufferd, terwijl het vroeger rijk was aan ijzersulfiden die bodemverzuring bevorderden. Onder deze omstandigheden hangt het van de totale hoeveelheid zink in het slib af of de zinkbeschikbaarheid voldoende hoog is voor de groei van zinkflora, dus hoger dan 40 µmol/gram droge bodem. Omdat de zinkflora een verhoogde behoefte heeft aan zink, zal alkalinisering geleid hebben tot zinkgebrek bij de zinkflora. Metaalbestendige grassen zijn, zoals gezegd, niet afhankelijk van metaalhoudende bodem. Zowel het dalende zinkgehalte als de verhoogde fosfaatbeschikbaarheid door de bemesting zal de uitbreiding van de grassen hebben bevorderd en mede geleid hebben tot achteruitgang van de zinkflora.

Met bijdragen van:
Esther Lucassen, juni 2007 en André Aptroot, september 2006.


Literatuur:
Lucassen, ECHET, Eygensteyn, J., Smolders, A.J.P., Riet, BP van de, Kuijpers, DJC, Bobbink, R. & JGM Roelofs. Causes for the decline of metallophytes in tertiary polluted floodplain grasslands: field investigations. submitted 

Riet, BP van de, Lucassen, ECHET, Bobbink, R, Willems, J.H. & J.G.M. Roelofs, 2005. Preadvies Zinkflora. Rapport DK nr. 2005/DK007-O.

 

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website