Pad: Natuurtypen / Droge schraalgraslanden (N11) / Droog schraalland (N11.01) / Kalkgrasland / Bedreigingen

Kalkgrasland

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Stoppen van gebruik of beheer
Te intensief gebruik of beheer
Vermesting door atmosferische stikstofdepositie
Vermesting vanuit hoger gelegen landbouwgrond
Versnippering
Met bijdragen van

Stoppen van gebruik of beheer
Kalkgraslanden in Nederland zijn zogenoemde ‘half-natuurlijke' vegetaties, die door extensieve beweiding of hooien voor landbouw- of natuurdoelen lange tijd in stand kunnen worden gehouden. Bij verwaarlozing van deze activiteiten verdwijnt een kalkgrasland binnen een termijn van 20 tot 50 jaar. Het kalkgrasland raakt vervilt met gras en verruigt, en het raakt uiteindelijk begroeid met struweel of bos. Veelal ontstaat er eerst een ‘tussenstadium' met zeer veel gras waarbij vooral Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum) of Bergdravik (Bromus erectus) naar voren treden (zie Figuur 3). Er ontstaat een dik strooiseldek en de nutriëntengehaltes in de bodem zijn duidelijk verhoogd door het niet meer afvoeren van de biomassa. Deze verruiging van kalkgrasland is in de tweede helft van de 20ste eeuw in West- en Midden-Europa helaas op veel plaatsen waargenomen. Vervolgens ontwikkelt zich struweel door opslag van Meidoorn (Crataegus spp) en Sleedoorn (Prunus spinosa), waarna uiteindelijk loofbos tot ontwikkeling komt. Dit illustreert heel duidelijk dat voor de instandhouding van kalkgraslanden beheer altijd noodzakelijk is.

kalkgrasland figuur 3
Figuur 3. Overzicht van een restant verlaten kalkgrasland op de St. Pietersberg (Cannerhei) in de winter van 1983/'84. Duidelijk is de enorme strooiselophoping afkomstig van plantenmateriaal van Gevinde kortsteel te zien (foto R. Bobbink).

Te intensief gebruik of beheer
Hoewel beheer in kalkgraslanden noodzakelijk is, kan een zeer intensieve toepassing voor een verstoring van het systeem leiden. Veel van de karakteristieke faunasoorten hebben op verschillende momenten in hun levenscyclus bepaalde structuren of elementen nodig; bijvoorbeeld graspollen om in te overwinteren, struwelen om eitjes in af te zetten, stenen om onder te schuilen of bloemen voor het verzamelen van nectar en stuifmeel. Bij intensievere begrazing verdwijnen deze structuren al dan niet tijdelijk en deze faunasoorten zijn niet in staat dat te overleven. Met name in de fase van herstelbeheer waarin gepoogd wordt extra nutriënten af te voeren, worden de eisen die de karakteristieke faunasoorten stellen soms uit het oog verloren, zodat relictpopulaties ‘in het zicht van de haven' alsnog kunnen verdwijnen.

Vermesting door atmosferische stikstofdepositie
Kalkgraslanden zijn voedselarme tot zeer voedselarme ecosystemen, waarbij de samenstelling van de vegetatie en fauna in hoge mate beïnvloed wordt door extra nutriëntentoevoer. Uit veldonderzoek in binnen- en buitenland is duidelijk geworden dat zowel atmosferische stikstofdepositie als directe nutriëntenverrijking uit hoger gelegen landbouwgronden negatieve invloed kunnen hebben op kalkgrasland.

Aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw is geconstateerd dat de plantendiversiteit in de Zuid-Limburgse kalkgraslanden in toenemende mate bedreigd werd door de steeds dominantere aanwezigheid van Gevinde kortsteel. Vroeger nam deze kenmerkende grassoort van het kalkgrasland een meer bescheiden positie in. De soort nam in ernstige mate toe ondanks het toen algemeen toegepaste beheer: maaien in de herfst met afvoer van het hooi. Er werd destijds verondersteld dat deze toename veroorzaakt werd door sterk verhoogde atmosferische depositie van stikstofverbindingen (ammoniak/ammonium en stikstofoxiden). Eind jaren tachtig van de vorige eeuw was de stikstoftoevoer uit de lucht in Zuid-Limburgse kalkgraslanden 30-40 kg N/ha/jaar.

De effecten van verhoogde nutriëntentoevoer op kalkgrasland zijn onderzocht in een aantal meerjarige veldstudies in Zuid-Limburg. In de met stikstof-behandelde proefvlakken werd de vegetatie na 3 jaar volledig overheerst door Gevinde kortsteel, terwijl de massa aan overige soorten sterk verminderde (zie Figuur 4). Veel laagblijvende of kortlevende planten werden overgroeid door de bladeren van Gevinde kortsteel, waardoor zij veel minder licht ontvingen en zich slecht konden ontwikkelen of handhaven. Kortom, extra stikstof gaf een drastische vermindering van soortsdiversiteit. Ook bleek Gevinde kortsteel met zijn uitgebreid stelsel van wortelstokken, in staat vrijwel alle stikstof voor zichzelf in beslag te nemen. Bijna alle extra stikstof blijft in het systeem en spoelt vrijwel niet uit naar het grondwater. Kortom, stikstof hoopt zich in kalkgrasland op, wat veroorzaakt wordt door verhoogde immobilisatie en adsorptie in de bodem en door verhoogde opname en opslag in de vegetatie. De kritische grenswaarde voor stikstofdepositie is 15-25 kg N/ha/jaar voor een goede habitatkwaliteit.

Hoge atmosferische depositie zoals die plaatsvindt als gevolg van luchtvervuiling leidt ook tot bodemverzuring. Voor kalkgrasland echter vormt extra bodemverzuring door atmosferische depositie geen bedreiging. Dat heeft te maken met het hoge kalkgehalte (CaCO3) in de bovenlaag en de dierlijke activiteit, de vermenging van de bodem door regenwormen. Dat geldt althans voor een ‘middellange' termijn van minder dan 100 jaar. Voor het ook op de helling gelegen heischrale grasland is de situatie anders. De buffercapaciteit in deze graslanden (pH = 5,0-6,5) is veel lager dan in de bodem van kalkgrasland en dat maakt dit begroeiingstype waarschijnlijk gevoelig voor bodemverzuring en hogere aluminium- en ammoniumgehaltes. Momenteel is onderzoek gaande of dit inderdaad het geval is en welke herstelmogelijkheden daarvoor kunnen worden ontwikkeld. Zie de pagina heischraal grasland.

Opmerkelijk is dat de op de grond groeiende korstmossen die in de periode 1950-1980 verdwenen zijn, nog steeds afwezig zijn in de Zuid-Limburgse kalkgraslanden. Hoewel het nooit wetenschappelijk aangetoond is in kalkgraslanden, is het waarschijnlijk dat deze korstmossen verdwenen zijn door de effecten van de in die tijd zware luchtverontreiniging met hoge concentraties van zwavel- en stikstofverbindingen (SO2 & NH3). Op de aanpak van de oorzaak gerichte maatregelen lijken de enige weg om op termijn de ontwikkeling van deze soorten weer mogelijk te maken.
kalkgrasland figuur 4 links kalkgrasland figurr 4 rechts
Figuur 4. Beeld van de vegetatie zonder (links) en na 3 jaar met extra stikstofgift (rechts).

Vermesting vanuit hoger gelegen landbouwgrond
Door kunstmest toe te voegen - een verhoogde gift van N+P+K - zijn kalkgraslanden op eenvoudige wijze om te zetten in hoog productieve, maar monotone begroeiingen van hoogopgaande grassen. De kalkgraslanden in de reservaten worden in uiteraard niet opzettelijk bemest, maar kunnen toch worden bedreigd door vermesting vanuit aangrenzende bemeste landbouwgronden. In een aantal natuurreservaten in Zuid-Limburg grenzen de hellingen met kalkgrasland, of heischraal grasland direct aan hoger gelegen akkers. Bij het verspreiden of uitrijden van kunstmest of gier tot helemaal aan de rand van de akker, is het waarschijnlijk dat een deel er van direct in het onder gelegen kalkgrasland terecht komt. In Zuid-Limburg is weliswaar geen onderzoek uitgevoerd naar dit proces, maar in een aantal kalkgraslanden is te zien dat de bovenrand opvallend verruigd is. Opmerkelijk is, dat dit niet het geval is als er een bosrand of struweel aanwezig is tussen de landbouwgronden op het hooggelegen plateau en het kalkgrasland.

Directe nutriëntenverrijking uit bovengelegen akkers of grasland is in meer detail onderzocht in de Eifel. Daarbij is aangetoond dat het kalkgrasland in een randzone van zeker 5-10 m sterk gedegradeerd is qua soortensamenstelling. In deze zone komen nu vooral soorten uit voedselrijkere graslanden voor en veel minder kenmerkende kalkgraslandsoorten. Dit onderzoek maakt duidelijk dat direct aangrenzende akkers of graslanden een ernstige bedreiging vormen voor de bovenrand van hellinggraslanden. Waarschijnlijk is de zone van beïnvloeding in Nederland breder, aangezien de bemestingsniveaus in de Eifel duidelijk lager liggen dan in Zuid-Limburg. De vermeste randzone lijkt misschien niet zo breed, maar omdat de kalkgraslandhellingen meestal smal zijn, omvat zulk een strook toch een wezenlijk percentage van het totale oppervlak! 

Versnippering
In de eerste helft van de 20ste eeuw gingen de landbouwers overal over op het gebruik van kunstmest. Daarmee verloor het kalkgrasland in het landbouwsysteem zijn functie als leverancier van de voorheen zo noodzakelijke organische mest. Bovendien maakte het kunstmestgebruik het mogelijk grote oppervlakken van het kalkgrasland om te zetten in hoog productieve landbouwgrond, akker of grasland. Veel kalkgraslanden die dit lot bespaard bleef zijn met bomen beplant voor de houtproductie. Kleinere percelen en ver van de dorpen gelegen kalkgraslanden zijn verlaten en spontaan bebost, waardoor ook de karakteristieke flora en fauna verdween. Vermoedelijk bestond meer dan 50 % van het oppervlak van de kalkhellingen met een steile helling, een helling van meer dan >10o inclinatie, vroeger uit kalkgrasland. Slechts ongeveer 5 %, 25 ha van het oorspronkelijke totaal, daarvan is bewaard gebleven als kalkgrasland. De circa twintig kalkgraslandterreinen die we momenteel nog bezitten, variëren in grootte van enkele aren tot 6 ha. Ze vormen kleine, verspreide snippers van natuur in het Zuid-Limburgse Heuvelland sinds ze rond 1950-1960 zijn verlaten door de boeren. De kalkgraslanden waren altijd al enigszins versnipperd omdat ze beperkt zijn tot steile hellingen met een dunne bodemlaag op kalkgesteente. De versnippering is in de afgelopen eeuw echter zeer drastisch toegenomen. Bovendien heeft in het gebied dat om de kalkgraslandsnippers heen een dusdanige intensivering van het agrarische gebruik opgetreden dat veel van de kleine landschapselementen zoals bermen en graften niet langer geschikt zijn als uitwijkplaatsen en verbindingszone voor de karakteristieke planten en dieren van het kalkgrasland.

Versnippering is nu een ernstig probleem voor veel kenmerkende planten- en diersoorten van het kalkgrasland. De kalkgraslanden lijken te ver uit elkaar te liggen om effectieve uitwisseling van soorten tussen de terreinen mogelijk te maken. Hierdoor kunnen natuurlijke schommelingen in populatiegrootte niet meer van buitenaf opgevangen worden en zijn interne verstoringen of verdwijning door toevallig ongunstige omstandigheden extra desastreus. Recent OBN onderzoek heeft aangetoond dat de versnippering in ieder geval voor veel karakteristieke vlinders, mieren, sprinkhanen en loopkevers een groot probleem vormt. Te verwachten valt dat ook veel andere faunagroepen grote problemen ondervinden door de versnippering. Er zijn bijv. signalen dat sommige zeldzame plantensoorten door de versnippering onder druk staan. Sinds het begin van de 21ste eeuw worden gronden aangekocht met het doel de omvang van het kalkgrasland te vergroten. Hoe de zwaar vermeste landbouwgronden weer tot kalkgrasland om te vormen zijn wordt momenteel onderzocht.

Met bijdragen van:
Roland Bobbink & Toos van Noordwijk, oktober 2007

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website