Pad: Natuurtypen / Vochtige schraalgraslanden (N10) / Vochtig hooiland (N10.02) / Dotterbloemgrasland (vochtig) / Regulier beheer

Dotterbloemgrasland

Inhoud van deze pagina:

REGULIER BEHEER
Maaien
Bosopslag verwijderen enz.
Soms bevloeien
Monitoring
Met bijdragen van
Literatuur

Maaien
Dotterbloemgrasland is afhankelijk van jaarlijks maaien. Als dit niet gebeurt, ontwikkelt zich snel struweel of ruigte. Een op blijvende verschraling ingesteld beheer van maaien en afvoeren biedt de beste kans op behoud van soortenrijk Dotterbloemgrasland. Het gaat daarbij om minimaal een keer per jaar maaien en maaisel afvoeren omstreeks eind juli, vanwege de kwetsbare drassige bodem bij voorkeur met licht materieel. Eventueel wordt in de herfst nogmaals gemaaid met afvoeren van maaisel.

Zowel de frequentie als het tijdstip in het seizoen hebben invloed op het effect van het maaien.
Natte graslanden werden vanouds laat in het zomerseizoen, meestal begin augustus, met de hand gemaaid. De grote biodiversiteit hangt daarmee samen. Het maaien grijpt in op de levenscyclus van plantensoorten en het tijdstip heeft invloed op de soortensamenstelling. Plantensoorten kunnen bijv. achteruitgaan omdat het maaien de zaadzetting onmogelijk maakt. Zeldzame diersoorten kunnen verloren gaan omdat met het maaisel de laatste eitjes worden afgevoerd of juist de waardplanten. Uitsparen van zeer bijzondere populaties of gefaseerd maaien van hun standplaatsen voorkomt dat. Dat luistert soms heel nauw. Het in ons land alleen in de Moerputten aanwezige Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous) bijv. vraagt heel veel aandacht. Om rupsen en eitjes van deze soort te sparen, is het zaak het hooiland of al voor begin juni te maaien, of pas na half september. Voor de instandhouding van de biotoop is echter 's zomers maaien, in de bloeitijd van de waardplant Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis), gunstig. Ook het Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius) is gebonden aan de Grote pimpernel. De rups van de Grote vuurvlinder (Lycaena dispar batava) is afhankelijk van Waterzuring (Rumex hydrolapathum). Ook hier is laat maaien belangrijk voor het voortbestaan van de vlinderpopulaties, in combinatie met het creëren van nieuwe geschikte biotopen.
Onvolledig of niet afvoeren van maaisel leidt tot versnelde verzuring en verruiging en verbossing. Door kleine, lichte machines te gebruiken is bodemverdichting en bodembeschadiging te voorkomen. Het gebruik van machines met zeer brede banden heeft als groot nadeel dat mierenhopen, vlinderrupsen en andere dieren die zich in de vegetatie en op de bodem ophouden op grote schaal worden platgedrukt.

Bosopslag verwijderen enz.
Er zijn andere soorten beheer die afvoer van biomassa bewerkstelligen, namelijk plaggen, branden, begrazen en opslag verwijderen. Vroeger werden natte graslanden soms zo nu en dan nabeweid of heel incidenteel plaatselijk afgeplagd. Vanwege de natte omstandigheden zijn branden en begrazen nauwelijks mogelijk en niet regulier toe te passen. Plaggen van natte schraalgraslanden en bosopslag verwijderen behandelen we hier in de bespreking van herstelmaatregelen.

Soms bevloeien
Een waterbeheer in het voordeel van Dotterbloemgraslanden zoals dat vroeger gebruikelijk was, is op te vatten als een vorm van beheer dat regulier nodig is voor de instandhouding. Daar hoorde het vergroten van de invloed van basenhoudend water en bevloeiing bij (zie ‘Kenschets'). Vaak is het bevloeien gestopt. Deels gebeurde dat door veranderingen in de waterhuishouding en verdroging. Deels was het een welbewuste keuze: de maatregel is ongunstig bij een door vermesting slechte waterkwaliteit. Zie hiervoor ook onder herstelbeheer.

Monitoring
Het regelmatig monitoren of volgen van de veranderingen in vegetatie is dé methode om een vinger aan de pols te houden. Het beste is daarvoor permanente proefvlakken te gebruiken, in combinatie met het regelmatig vaststellen van de grondwaterstanden. Van belang is ook de pH te meten. Op grond van de waargenomen trends in de monitoringsresultaten is het beheer bij te sturen.

Met bijdragen van:
Klaas van Dort, november 2006; Henk Everts & Ab Grootjans, mei 2007; Moniek Nooren, mei/juni 2007.

Literatuur:
Aggenbach, C.S.J. & M.H. Jalink. 2005. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengemeenschappen in boezemlanden. Deel 9 uit de serie Indicatorsoorten. Staatsbosbeheer, Driebergen.

Pranger, D.P. 2001. Vegetatiekartering Deesche Watergang, Dijkwater, Koegat, Prinsessenplaat en Zoete en Zoute Haard. Everts & De Vries, Groningen. Rapport EV 323-1.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website