Pad: Natuurtypen / Vochtige schraalgraslanden (N10) / Nat schraalland (N10.01) / Nat schraalgrasland / Regulier beheer

Nat schraalgras 

Inhoud van deze pagina:

REGULIER BEHEER
Maaien met aandacht
Maaien op slappe bodem: liever niet
Bosopslag verwijderen enz.
Begreppeling voor afvoer van regenwater
Soms licht bemesten
Monitoring
Met bijdragen van
Literatuur

Maaien met aandacht
Jaarlijks maaien en afvoeren van het maaisel ofwel hooien is noodzakelijk voor de instandhouding van nat schraalgrasland. Als het maaien stopt, ontwikkelen struwelen of ruigtes zich snel. Soorten die dan naar voren komen, zijn Grauwe wilg (Salix cinerea cinerea), Wilde gagel (Myrica gale), Hennegras (Calamagrostis canescens) en Gewone wederik (Lysimachia vulgaris). Zowel de frequentie als het tijdstip in het seizoen hebben invloed op het effect van het maaien.

Natte schraalgraslanden werden vanouds laat in het zomerseizoen, meestal begin augustus, met de hand gemaaid. De grote biodiversiteit hangt daarmee samen. Het maaien grijpt in op de levenscyclus van plantensoorten en het tijdstip heeft invloed op de soortensamenstelling. Plantensoorten kunnen bijv. achteruitgaan omdat het maaien de zaadzetting onmogelijk maakt. Zeldzame diersoorten kunnen verloren gaan omdat met het maaisel de laatste eitjes worden afgevoerd of juist de waardplanten. Uitsparen van zeer bijzondere populaties of gefaseerd maaien van hun standplaatsen voorkomt dat. Dat luistert soms heel nauw. Het in ons land alleen in de Moerputten aanwezige Donker pimpernelblauwtje (Maculinea nausithous) bijv. vraagt heel veel aandacht. Om rupsen en eitjes van deze soort te sparen, is het zaak het hooiland of al voor begin juni te maaien, of pas na half september. Voor de instandhouding van de biotoop is echter 's zomers maaien, in de bloeitijd van de waardplant Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis), gunstig. Veel schade aan het vegetatiedek en bijzondere flora- en faunapopulaties is te voorkomen door te maaien met aandacht voor het detail. Het gebruiken van maaimachines kan ook invloed hebben op de biodiversiteit. Belangrijk is dat het maaibeheer voorzichtig gebeurt en dat het afgemaaide plantenmateriaal volledig wordt afgevoerd. Onvolledig of niet afvoeren leidt tot versnelde verzuring, verruiging en verbossing.

Maaien op slappe bodem: liever niet
Vroeg in de zomer maaien kan in zeer natte graslanden op veengronden resulteren in ernstige verstoring van het bodemprofiel en bodemverdichting. De draagkracht van de veengronden is gering. Deze verstoring kan leiden tot plaatselijke verzuring. Dan verdwijnen de kenmerkende soorten van het blauwgrasland snel, terwijl zich bijvoorbeeld Veenpluis (Eriophorum angustifolium) uitbreidt. In robuuste systemen zal dit effect op den duur weer wegebben, maar bij vroeg maaien op zeer natte gronden bestaat toch een risico op blijvend verlies aan soorten. Het is dan ook beter daar met het maaien te wachten tot in een drogere periode. Zonodig kan incidenteel in de winter worden gemaaid, wanneer de zode bevroren is.
Door kleine, lichte machines te gebruiken is bodemverdichting en bodembeschadiging te voorkomen. Het gebruik van machines met zeer brede banden vermindert wel de druk per cm2 op de bodem, maar het feit dat brede banden op een veel groter deel van het graslandoppervlak drukken, betekent ook dat op en in de bodem levende dieren een veel groter risico lopen te worden overreden.

Bosopslag verwijderen enz.
Er zijn andere soorten beheer die afvoer van biomassa bewerkstelligen, namelijk plaggen, branden, begrazen en opslag verwijderen. Vroeger werden blauwgraslanden soms zo nu en dan nabeweid of heel incidenteel plaatselijk afgeplagd. Vanwege de natte omstandigheden zijn branden en begrazen nauwelijks mogelijk en niet regulier toe te passen. Het plaggen van natte schraalgraslanden en het verwijderen van bosopslag behandelen we onder herstelmaatregelen.

Begreppeling voor afvoer van regenwater
Een voldoende afvoer van regenwater is nodig om te zorgen dat de bovengrond niet verzadigd raakt met regenwater waarbij zich een ‘regenwaterlens' vormt en het natte schraalgrasland verzuurt. In gebieden met kwel is een zeer ondiepe begreppeling al voldoende om het regenwater af te voeren en er voor te zorgen dat basenrijk grondwater de bovenste bodemlaag kan bereiken. In gebieden zonder kwel is begreppeling minder effectief, omdat verminderde regenwaterafvoer hier niet leidt tot een toegenomen invloed van basenrijk grondwater.

Soms licht bemesten
Het zo nu en dan opbrengen van organisch materiaal kan noodzakelijk zijn om verzuring van natte schraalgraslanden tegen te gaan, zo stelt het doelendocument voor de habitatrichtlijn 2006. Een goede luchtkwaliteit is belangrijk, met bij voorkeur een stikstofdepositie van minder dan 1300 mol N/ha/jaar. De gevoeligheid voor atmosferische depositie hangt mede af van de hydrologie. Op plekken met kwel gaat aanvoer van basenrijk grondwater niet alleen verzuring tegen, maar zorgt het ook voor voedselarme omstandigheden door de vastlegging van fosfaat.

Monitoring
Het regelmatig monitoren of volgen van de veranderingen in vegetatie en (karakteristieke) fauna is dé methode om een vinger aan de pols te houden en zeldzame natuurtypen of natuurdoeltypen zoals het natte schraalgrasland ‘te bewaken'. Het beste is daarvoor permanente proefvlakken langs raailijnen, in zogenoemde ‘transecten', te gebruiken, in combinatie met het regelmatig vaststellen van de grondwaterstanden. Van belang is dan ook de pH te meten. Op grond van de waargenomen trends kan nader onderzoek naar de oorzaken voor de waargenomen veranderingen worden gedaan en is het beheer bij te sturen.

Met bijdragen van:
Henk Everts & Ab Grootjans, april 2007; Moniek Nooren, mei/juni 2007; Han Runhaar, juli 2007.

Literatuur:
Aggenbach, C.S.J. & M.H. Jalink. 2005. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengemeenschappen in boezemlanden. Deel 9 uit de serie Indicatorsoorten. Staatsbosbeheer, Driebergen.

Everts, F.H. & A.P. Grootjans 2000. Monitoring anti-verdrogingsmaatregelen Schiermonnikoog 1993-1999. Rapport EV 00/13, Rijksuniversiteit Groningen, Lab. voor Plantenecologie, Haren / Bureau Everts & De Vries, Groningen / Provincie Friesland, afd. Landelijk Gebied, Leeuwarden

Grootjans, A.P., M. Jongman, F.H. Everts e.a. (2000). Monitoring van effectgerichte maatregelen tegen verzuring, eindrapport 3e fase 1997-1999. De Wyldlannen, De Barten, De Koegelwieck, De Moksloot en De Lage Maden. Rapport EV 00/20, Rijksuniversiteit Groningen, Lab. voor Plantenecologie, Haren / Bureau Everts & De Vries, Groningen / Expertisecentrum LNV-Natuurbeheer, Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website