Pad: Natuurtypen / Vochtige schraalgraslanden (N10) / Nat schraalland (N10.01) / Nat schraalgrasland / Bedreigingen

Nat schraalgras 

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Intensivering van de landbouw en versnippering
Verdroging, verzuring en gebrek aan voedingsstoffen
Meestal combinatie van verdroging, vermesting en verruiging
Waterberging: kans of bedreiging?
Met bijdragen van
Literatuur

Intensivering van de landbouw en versnippering
Ooit waren blauwgraslanden gewone ‘boerenhooilanden' en kwamen ze soms op grote oppervlakten vlakdekkend voor, zoals in de Alblasserwaard en in de Friese boezem en zomerpolders. Door de uitvinding van de kunstmest en de daarna volgende toegenomen bemesting met kunstmest is van het oorspronkelijke areaal slechts een fractie overgebleven. Op 30 hectare in reservaten gelegen Blauwgrasland na is vrijwel al het traditionele hooiland omgevormd tot akker of bemest hoog productief grasland. Maar ook in de reservaten was het blauwgrasland niet veilig en leden ze onder de versnippering. Omdat het daarbij om kleine restanten gaat die in intensief ontwaterde landbouwgebieden zijn komen te liggen, zijn veel van die blauwgraslanden ook aangetast door verdroging en daarmee gepaard gaande verzuring.

Verdroging, verzuring en gebrek aan voedingsstoffen
Verlagingen van de slootpeilen en grondwaterstanden in de omgeving van de resterende blauwgraslandreservaatjes hebben in veel gevallen geleid tot een algemene grondwaterstandsdaling op regionale schaal en een verminderde aanvoer van grondwater in de natte schraallanden. Omdat natte schraallanden voor de buffering van de zuurgraad vaak afhankelijk zijn van aanvoer van basenrijk grondwater, leidt vermindering van de aanvoer van grondwater tot verzuring. In laagveengebieden heeft ook het wegvallen van winterse overstromingen met oppervlaktewater bijgedragen aan de verzuring. De verzuringseffecten hoeven niet direct zichtbaar te zijn. De via kationuitwisseling aan de bodem gebonden basen, vooral calcium en magnesium, kunnen de standplaatsen nog tientallen jaren bufferen voordat de zuurgraad daadwerkelijk daalt onder het voor natte schraalgraslanden kritische niveau. Vroeger zorgde jaarlijks hooien gecombineerd met lichte bemesting voor de instandhouding van de soortenrijkdom van het nat schraalgrasland, die gebaseerd is op het typische mesotroof-voedselarme evenwicht (zie alinea ‘Mesotroof, in wankel evenwicht' van de Kenschets). Met de overschakeling van landbouwexploitatie naar natuurbeheer werd het hooien meestal voortgezet, als ‘maaien met afvoer', maar de bemesting stopte, zodat behalve stikstof en fosfaat ook alle andere voedingsstoffen werden afgevoerd. Mogelijk worden hierdoor de concentraties van sommige voedingsstoffen te laag voor een deel van de blauwgraslandsoorten.

Meestal combinatie van verdroging, vermesting en verruiging
In de meeste blauwgraslandreservaten heeft een combinatie van ontwatering met vermesting en verzuring geleid tot een ernstige floristische verarming. In blauwgraslanden in de veenpolders van laagveenlandschappen bleven van de karakteristieke soorten alleen Spaanse ruiter, Pijpenstrootje en Blauwe zegge over. Vooral Pijpenstrootje breidde zich uit, maar ook andere soorten traden ondertussen op de voorgrond, bijv. Moerasstruisgras (Agrostis canina), Zwarte zegge (Carex nigra), Grote wederik (Lysimachia vulgaris), Rietgras (Phalaris arundinacea) en Oeverzegge (Carex riparia). Daar komt dan nog bij dat veel blauwgraslanden verruigd zijn als gevolg van de combinatie van minder intensief maaien en afvoeren met vermesting ofwel eutrofiëring vanuit de omgeving. Veelal dringen meststoffen vanuit de aangrenzende landbouwgronden door in de reservaten, via de lucht en via oppervlakte- en bodemwater. Het oppervlaktewater bevat nu doorgaans veel meer voedingsstoffen en sulfaten dan vroeger. Deze sulfaten kunnen verzuring veroorzaken. Overigens zijn in veel blauwgraslandreservaten overstromingen met basenhoudend water gestopt. Kunstmatige waterbeheersing voorkomt deze overstromingen.

In de beekdalen is de floristische verarming van nat schraalgrasland vooral het gevolg van vermindering van kwel in het voetspoor van regionale ontwatering. Voor verzuring gevoelige soorten die in de natte schraalgraslanden niet standhielden zijn bijv. Vlozegge en Blonde zegge (Carex pulicaris en C. hostiana). Parnassia was in Drenthe afhankelijk van blauwgrasland op plekken met kwel in de beekdalen en komt na een lange tijd van afwezigheid tegenwoordig weer op enkele plekken in deze provincie voor. Anderzijds vertoonden in veel blauwgraslanden van de beekdalen soorten van zuurdere standplaatsen een toename. Dat waren vooral Pijpenstrootje, Zwarte zegge, Moerasstruisgras (Agrostis canina) en soms ook Veenpluis (Eriophorum angustifolium). Ook Grote wederik (Lysimachia vulgaris), en Hennegras (Calamagrostis canescens) kunnen daar overheersen in aangetast blauwgrasland.

Waterberging: kans of bedreiging?
Vanwege de verwachte toename van intensieve regenbuien in de zomer wordt door de waterschappen naarstig gezocht naar plekken waar in de toekomst water geborgen kan worden in extreem natte perioden. De laaggelegen gebieden die het meest geschikt zijn voor berging van water zijn vaak tevens de gebieden waar de laatste schraalgraslanden liggen. Overstromingen met oppervlaktewater in het kader van waterberging zou in laagveengebieden positief kunnen zijn, omdat het zorgt voor aanvoer van basen en daarmee verzuring tegengaat. Het is echter zeer de vraag of zulke overstromingen daar bij de huidige waterkwaliteit niet zorgen voor ongewenste eutrofiëring door de grote aanvoer van voedingsstoffen en eventueel sulfaat. In beekdalen is regelmatige overstroming met beekwater geen optie. Het water is daar slibrijk, en dus ook rijk aan organische stof en nutriënten. Zelfs in het verleden, toen de waterkwaliteit nog beter was, kwamen op regelmatig overstroomde plekken in de beekdalen vooral de productievere dotterbloemgraslanden en grote-zeggenvegetaties voor.

Met bijdragen van:
Henk Everts & Ab Grootjans, april 2007; Moniek Nooren, mei/juni 2007; Han Runhaar, juli 2007.

Literatuur:
Aggenbach, C.S.J. & M.H. Jalink. 2005. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van plantengemeenschappen in boezemlanden. Deel 9 uit de serie Indicatorsoorten. Staatsbosbeheer, Driebergen.

Everts, F.H. & A.P. Grootjans (2000). Monitoring anti-verdrogingsmaatregelen Schiermonnikoog 1993-1999. Rapport EV 00/13, Rijksuniversiteit Groningen, Lab. voor Plantenecologie, Haren / Bureau Everts & De Vries, Groningen / Provincie Friesland, afd. Landelijk Gebied, Leeuwarden

Grootjans, A. P., M. Jongman, F.H. Everts e.a. (2000). Monitoring van effectgerichte maatregelen tegen verzuring, eindrapport 3e fase 1997-1999. De Wyldlannen, De Barten, De Koegelwieck, De Moksloot en De Lage Maden. Rapport EV 00/20, Rijksuniversiteit Groningen, Lab. voor Plantenecologie, Haren / Bureau Everts & De Vries, Groningen / Expertisecentrum LNV-Natuurbeheer, Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website