Pad: Natuurtypen / Open duinen (N08) / Vochtige duinvallei (N08.03) / Kalkrijke duinvalleien / Herstelbeheer

Kalkrijke duinvalleien

Inhoud van deze pagina:

HERSTELBEHEER
Vooronderzoek nodig
Eerst verbetering van de hydrologische situatie
Afplaggen in combinatie met verbetering van hydrologie
Met bijdragen van
Literatuur

Vooronderzoek nodig
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Voor alle vormen van herstelbeheer van natte duinvalleien geldt dat de effecten op de fauna slecht onderzocht zijn. Het is in alle gevallen van belang om vóórdat de maatregel wordt uitgevoerd, vast te leggen welke karakteristieke dier- en plantensoorten voorkomen. Bij de uitvoering van de maatregel kan dan met de huidige verspreiding van deze soorten rekening worden gehouden, zodat er geen populaties verloren gaan. Dit is vooral van belang wanneer de duinvalleien geïsoleerd liggen en de hervestiging van karakteristieke soorten waarschijnlijk moeilijk zal verlopen. Indien er meerdere kleine duinvalleien dicht bij elkaar liggen, dan kunnen deze beter gefaseerd over meerdere jaren worden hersteld.

Eerst verbetering van de hydrologische situatie
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Uit de beschrijvingen van de kenschets is af te leiden dat een verminderde grondwaterinvloed niet gecompenseerd kan worden door meer regenwater in het duin vast te houden. De enige optie is het verhogen van de grondwaterstanden, bijvoorbeeld door de waterverliezen elders in het terrein te verminderen, door waterwinning te verminderen of door vegetatie die veel verdampt te vervangen door vegetatie die minder verdampt. In drinkwaterwingebieden met infiltratie van rivierwater, kan door een uitgekiend infiltratiebeleid soms de grondwatertoestroom worden bevorderd zonder dat het grondwater vervuilt raakt met voedingsstoffen. Het is echter nog niet duidelijk hoe duurzaam een dergelijke maatregel is.
Herstel van de hydrologie is vaak ook een randvoorwaarde voor het herstellen en behouden van de karakteristieke diergemeenschappen van duinvalleien. Hierbij gaat het zowel om het optreden van tijdelijke overstromingen als om de aanvoer van kalkrijke kwelstromen. Maatregelen die dit bewerkstelligen zijn hoogstwaarschijnlijk positief voor de fauna van duinvalleien, maar de effecten zijn in de praktijk nauwelijks onderzocht. Negatieve effecten van waterstandsverhogingen op de fauna zijn te verwachten indien de verhogingen plotseling gebeuren. In de praktijk is dat vrijwel nooit mogelijk; zowel vanwege technische bezwaren als door de enorme variabiliteit in de (nuttige) neerslag van jaar op jaar. Toch verdient het voorkeur om het verhogen van de waterstand gedurende opeenvolgende jaren te beperken tot enkele centimeters per jaar. Dan treden er geen schokeffecten op en krijgen planten- en diersoorten de kans met de veranderende gradiënt op te schuiven.

Afplaggen in combinatie met verbetering van hydrologie
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.
In gebieden waar het opnieuw laten uitstuiven van duingebieden geen optie is en waar opnieuw openleggen van gebieden voor de zee niet mogelijk is, kan men kalkrijke duinvalleien opnieuw tot ontwikkeling brengen door plaggen. Vroeger werd dit eigenlijk altijd op kleine schaal gedaan, bijvoorbeeld voor gebruik als compost voor de tuinen. Later gebeurt het voor de natuurbescherming als herstelmaatregel voor de natuurbescherming. Na 3-5 jaar na het plaggen verschijnen er bijna altijd bedreigde pioniersoorten die er vroeger ook gestaan hebben maar vaak zet daarna weer teruggang in. Het meest succesvolle herstel vond plaats in het Kapevlak in de Mokslootvallei waar de grondwater toevoer werd hersteld. Hier duurde het echter tien jaar voordat de positieve resultaten optraden. Gebleken is dat plaggen op grotere schaal voor de plantengroei betere resultaten biedt dan kleinschalig plaggen.
In de toekomst is een toename van de frequentie van extreem natte of extreem droge jaren te verwachten in het voetspoor van de klimaatsverandering. Om de effecten daarvan te kunnen opvangen, zal het nodig zijn de volledige gradiënt te plaggen, waarbij ook de hogere duinvalleigedeelten moeten worden meegenomen. Met name Knopbies-begroeiingen met veel orchideeën hebben in de toekomst grotere ‘uitwijkmogelijkheden' nodig om extreem natte of droge jaren te overleven. Belangrijk is dat bij het plaggen de actuele groeilocaties van doelsoorten bij het plaggen worden uitgespaard omdat een deel van deze soorten geen langlevende zaadbank hebben en zich op het afgeplagde stuk opnieuw vanuit een bestaande vegetatie moeten vestigen. Door bij de uitvoering van grootschalige projecten niet alles in één keer te plaggen, maar het plaggen te spreiden over meerdere jaren, blijven er voortdurend ergens in de vallei oudere successiestadia in refugia aanwezig. Daar kunnen dan rest- of relictpopulaties overleven, zowel van planten als van dieren. Overigens voorzien de bestaande subsidieregelingen nog geen meerjarige projecten.

De mogelijkheden om verzuring tegen te gaan worden in veel oude valleien in kalkarme duinen steeds minder. Door voortdurende inzijging en dus uitloging zet hier de verzuring sterk door. Zelfs al zou de atmosferische depositie van verzurende stoffen nog minder worden, dan houdt dat de verzuring niet tegen. Ook worden de mogelijkheden om hydrologische systemen in de gestabiliseerde duinen te herstellen steeds moeilijker. In de kalkrijke Haagse en Amsterdamse waterleidingduinen worden verschillende herstelprojecten gefrustreerd door nog steeds aanwezige hoge fosfaatbeschikbaarheid als gevolg van vroegere oppervlaktewaterinfiltratie. Een juiste fasering van herstelbeheer en aanpassingen van de waterwinning en waterhuishouding is hier belangrijk voor herstel van voedselarme condities. Waarschijnlijk moet nog langdurig een verschralend beheer toegepast worden of men moet het plaggen van met name de lage valleibodems met enige regelmaat herhalen.
Op veel plaatsen in de vastelandsduinen zijn alle of vrijwel alle valleien vroeger in landbouwkundig gebruik geweest. Meestal is het mogelijk om door deze voormalige landbouwcomplexen tot op het schone zand af te graven, een gunstige uitgangssituatie voor voedselarme, kalkrijke, natte duinvalleien te creëren. In de afgelopen decennia zijn hier zeer goede resultaten mee geboekt.

Plaggen heeft waarschijnlijk een positief effect op een groot aantal pioniersoorten van diergemeenschappen van duinvalleien. Met name het creëren van open zandige plekken en open, bloemrijke vegetaties lijken zeer waardevol. Effecten van deze maatregel op de fauna zijn in de praktijk echter nog nauwelijks onderzocht. Het is ook niet bekend of het relatief grootschalige plaggen, zoals voorgesteld voor de vegetatie van duinvalleien, negatieve bijwerkingen heeft op de overleving van restpopulaties van diersoorten en de mogelijkheden voor hervestiging. Handhaving van voor de vegetatie belangrijke overgangen van laag naar hoog, van droge delen, tijdelijke wateren en permanente duinplassen is voor de fauna belangrijk. Plag- en baggerwerkzaamheden in natte duinvalleien kunnen voor de fauna het beste worden uitgevoerd in de late zomer of het najaar, wanneer de waterstand van nature op het laagste peil staat.

Met bijdragen van:
Rienk Slings, Ab Grootjans, Emiel Brouwer, mei 2008 en André Aptroot, juli 2006.

Literatuur:
Wingerden, WKRE e.a. 2002. Grazers in Vlielands duin. Alterra-rapport 626.

Kooijman, A, A Grootjans, M van Til & E van der Spek, 2004. Aantasting in droge en natte duinen: dezelfde oorzaken, verschillende gevolgen? Rapport EC-LNV 2004/305: 171-188.

Aggenbach, CJS & AJM Jansen, 2004. Effectgerichte maatregelen tegen verdroging, verzuring en stikstofdepositie in beekdalen (Twenthe) en natte duinvalleien in het Renudunale District (Goeree-Overflakkee). Rapport EC-LNV 2004/280-OBN.

Bekkers, RM & EJ Lammerts, 2000. Naar een rode lijst met Groene Stip voor hogere planten in Nederland. OBN Rapport 6.

Aptroot, A, HF van Dobben, PA Slim & H Olff, 2006. The role of cattle in maintaining plant species diversity in wet dune valleys. Biodiversity and Conservation 74.

Breukelen, L van & M van Til, 2005. Evaluatie begrazing in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Waternet, Amsterdam.

Boom, B van den, J Holtland & E. Lammerts, 2004. De duinen van Staatsbosbeheer. Evaluatie van herstelbeheer in de kuststrook. Staatsbosbeheer.

Diemeer, J & N. Buiten, 2005. Strand vol verrassingen. Boeiende natuurontwikkeling op het Kennemerstrand. Natura 102: 179-180.

Smit C.J., J. den Hollander, W.K.R.E. van Wingerden & W.J. Wolff (eds), 1981. Terrestrial and freshwater fauna of the Wadden Sea area. Final report of the section ‘Terrestrial Fauna' of the Wadden Sea Working Group. Stichting tot Steun aan Waddenonderzoek, Leiden.

Turnhout, C. van, S. Stuijfzand, M. Nijssen & H. Esselink, 2003. Gevolgen van verzuring, vermesting en verdroging en invloed van herstelbeheer op duinfauna. "Basisdocument." Rapport EC-LNV nr. 2003/153, Ede, 270pp

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website