Pad: Natuurtypen / Open duinen (N08) / Open duin (N08.02) / Grijze duinen / Herstelbeheer

Grijze duinen

Inhoud van deze pagina:

HERSTELBEHEER
Plaggen van droge duingraslanden
Effecten van het plaggen op de fauna
Maaien als herstelmaatregel
Restpopulaties van dieren in grijze duinen vaststellen en ontzien
Met bijdragen van
Literatuur

De grijze duinen zijn op de lange termijn het meest gebaat bij en herstel van de verstuivingsdynamiek op landschapsschaal. Hiermee wordt momenteel volop geëxperimenteerd en de resultaten zijn veelbelovend. Zie hiervoor de teksten over beheer en inrichting van de witte duinen. Indien herstelbeheer op een dergelijke schaal niet mogelijk is, kan worden uitgeweken naar de onderstaande maatregelen. Andere maatregelen die bij het duinherstel kunnen worden ingezet zijn intensievere vormen van begrazing en branden; beide opties zijn nog in onderzoek (zie pagina ‘Open duin').

Plaggen van droge duingraslanden

 Er zijn inmiddels proeven gedaan met kleinschalig, ondiep plaggen van verruigde duingraslanden. Het gaat hier om plaggen tot op een diepte van 5 cm, zodat een dun laagje organisch materiaal blijft zitten, en oppervlaktes tot 0,5 hectare. Als het reliëf niet te groot is, kan machinaal geplagd worden. Chopperen is technisch problematisch vanwege het zand. Het is nog te vroeg om de resultaten goed te kunnen beoordelen, maar op de proefterreinen heeft al wel vestiging van een aantal extra doelsoorten plaatsgevonden. In oppervlakkig verzuurde situaties draagt plaggen bij aan het blootleggen van minder verzuurde bodem en kan daar dus tevens een maatregel zijn tegen verzuring.

In Zeedorpenlandschappen en Dauwbraamlandschappen is plaggen minder zinvol. Voor de standplaatsen daar zijn een snelle omzetting van organisch materiaal en een niet ontkalkte bovenste bodemlaag kenmerkend. Doel van het plaggen is afvoer van voedingsstoffen door het verwijderen van een organische toplaag, maar in deze duingebieden is er geen duidelijk afgegrensde organische toplaag aanwezig. Het heeft hier wellicht meer zin om sterk vermeste bodems, zoals oude landbouwperceeltjes, gewoon om te ploegen. Hierdoor kunnen langdurig bloemrijke ruigten ontstaan.
Plaggen is voor de natuur ter plekke in eerste instantie uiteraard een zeer rigoureuze maatregel, omdat op die plek vrijwel al het actuele plant- en dierenleven verdwijnt. Echter, het schept ruimte voor pionierplanten, voor diersoorten die plekjes kaal zand nodig hebben en voor verjonging van ijle, kruidenrijke begroeiingen. In de droge open duinen is het uiteindelijke effect van het plaggen op de flora en fauna sterk afhankelijk van lokale omstandigheden. Plaggen helpt in kalkarme en diep ontkalkte duingebieden bijvoorbeeld niet bij de bestrijding van verzuring. In sterk verzuurde droge duingraslanden kan het, evenals in droge heiden, zinvol zijn om na het plaggen een aanvullende bekalking toe te passen (zie subpagina ‘Herstelbeheer' van ‘Droge heide').

Een ander probleem dat het effect van het plaggen van open duinen ongunstig beïnvloedt, is dat de zaden van veel karakteristieke soorten van het open duin slechts korte tijd kiemkrachtig blijven in de zaadbank van de bodem. Eventuele hervestiging van soorten is dan afhankelijk van populaties van die soorten in de omgeving, waarbij de verspreiding problematisch kan zijn. Als zulke populaties in de omgeving aanwezig zijn, kan worden overwogen om hervestiging te bevorderen door maaisel van bijvoorbeeld een duingrasland op te brengen na het plaggen. Op plekken waar voorafgaand aan het plaggen naaldbos is verwijderd, is de bodem vaak sterk uitgeloogd en is de zaadbank van soorten uit het open duin zo goed als geheel afwezig. Het vergt dan erg veel kunst- en vliegwerk om op deze plekken een duingrasland te herstellen. Het beste is dan om strooisel en stobben rigoureus te verwijderen en het terrein zo mogelijk te laten verstuiven.

Het is voor restpopulaties van flora en fauna van belang om niet te grootschalig en gefaseerd te werken. Specifieke adviezen voor het plaggen in open duinen zijn nog niet beschikbaar, alhoewel er wel ervaring aanwezig is bij duinbeheerders. Voor heiden en stuifzanden luidt het advies: bij voorkeur plaggen in smalle stroken met een oppervlakte van 10-100 m2, met telkens een tussenruimte van minstens enkele meters (zie onder Heide en stuifzand). In duinen moeten echter de geomorfologische kenmerken sturend zijn voor de vormgeving van de te plaggen plekken. De gevarieerdheid daarvan is zeer groot en daarom is een gekunstelde vormgeving van de gebieden die worden afgeplagd zoals op de heidevelden gebruikelijk is niet nodig en ongewenst.

De snelheid waarmee een plagstrook in het droge open duin weer dichtgroeit, is afhankelijk van het gehalte aan beschikbare voedingsstoffen, met name fosfaat, in de blootgelegde minerale ondergrond. Meestal is het gehalte aan beschikbare voedingsstoffen gering, maar bijvoorbeeld in sterk verzuurde of sterk organische bodem is een hoger gehalte mogelijk. Bij een hoger fosfaatgehalte bestaat de kans dat de plagstrook zo snel dichtgroeit dat de ingreep weinig zinvol is. In sterk verruigde gebieden verdient het dus aanbeveling om voor het plaggen eerst de beschikbaarheid van fosfaat in de ondergrond te meten. Een beter alternatief is het aanleggen van enkele kleine proefplekken die worden geplagd om daar het proces van dichtgroeien eerst gedurende enkele jaren te volgen.

Effecten van het plaggen op de fauna
Met het afgeplagde materiaal wordt vrijwel al het dierenleven afgevoerd dat zich in de vegetatie, het strooisel, de humus en bovenste bodemlaag bevindt, met uitzondering van de diersoorten die op dat moment zeer mobiel zijn. Desondanks kan de maatregel in een aantal situaties gunstig uitpakken voor fauna. Veel typische duinsoorten zijn gebonden aan open stukjes zand, met name warmteminnende soorten als de Blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens), loopkevers zoals de Bronzen zandloopkever (Cicindela hybrida) en Harpalus smaragdinus. Deze soorten blijken te profiteren van open plekjes die ontstaan na kleinschalig plaggen. Verwacht wordt dat dit ook voor in de bodem nestelende soorten graafwespen en bijen het geval zal zijn. Grootschalig plaggen is voor de fauna in het algemeen minder gunstig, omdat het gepaard gaat met massale verwijdering van dieren en resulteert in een meer eenvormige vegetatiestructuur en minder bodemreliëf. Waarschijnlijk wegen deze nadelen voor de fauna in gestabiliseerde duinen waarschijnlijk zwaarder dan het voordeel van de grotere oppervlakte aan open zand die het grootschaligere plaggen oplevert.

Maaien als herstelmaatregel
 Zo lang vergrassing nog niet heeft geleid tot ophoping van humus in en op de zandbodem, kan maaien een goede maatregel zijn om vergrassing tegen te gaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor dichtgroeiende delen van het Dauwbraamlandschap en het Buntgraslandschap. De maatregel kan ook goed worden toegepast in combinatie met begrazing of een op verstuiving gericht beheer. Als echter een dikke organische zode is ontstaan zal maaien slechts leiden tot een kortere en nog dichtere grasmat. Dit is vooral in het Fakkelgraslandschap vaak het geval.

Restpopulaties van dieren in grijze duinen vaststellen en ontzien
 Een belangrijk aspect voor het beheer in relatie tot de fauna van grijze duinen vormt de mogelijke aanwezigheid van zogenoemde ‘relict' of restpopulaties van karakteristieke diersoorten. Zeker in vergelijking met embryonale duinen en Helmduinen zijn grijze duinen toch behoorlijk stabiele systemen: In terreinen waarin stabiliteit overheerst investeren veel van de karakteristieke diersoorten het merendeel van hun energie in de voortplanting en veel minder in mobiliteit. Ze hoeven zich niet voortdurend te verplaatsen en hebben veelal een beperkt vlieg- en loopvermogen. Dat betekent dat de populaties van karakteristieke diersoorten van grijze duinen gevoelig zijn voor isolatie en verstoring van hun leefomgeving. Eenmaal verdwenen zullen de dierpopulaties zich veelal niet gemakkelijk opnieuw vestigen. Een inventarisatie voorafgaand aan een verandering van beheer of het nemen van een herstelmaatregel maakt het mogelijk een verlies van karakteristieke diersoorten te voorkomen. Daarbij volstaat een onderzoek naar het voorkomen van indicatorsoorten. Als bekend is of en waar zulke diersoorten in het terrein aanwezig zijn, kunnen ze worden ontzien door hun leefplekken bij de uitvoering van de maatregel uit te sparen.

Met bijdragen van:
Rienk Slings, oktober 2007, Bas Arens, september 2007, Marijn Nijssen, augustus 2007, Emiel Brouwer, juli 2007 en André Aptroot, juli 2006.

Literatuur:
Website:http://www.barger.science.ru.nl/life/decision-tree/index.html

Ketner-Oostra, R, 2002. Effect van brand op vergraste droge duinvegetatie op Terschelling. Bennekom.

Til, M van, 2006. Evaluatie effecten van ondiep plaggen in verruigde duingraslanden in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Waternet, Amsterdam.

Boom, B van den, J Holtland & E. Lammerts, 2004. De duinen van Staatsbosbeheer. Evaluatie van herstelbeheer in de kuststrook. Staatsbosbeheer.

Kooijman, AM, M Besse, R Haak, 2005. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring en eutrofiëring in open droge duinen, Eindrapport fase 2. Rapport DK 2005/dk008-O.

Turnhout, C van, S Stuijfzand, M Nijssen & H Esselink, 2003. Gevolgen van verzuring, vermesting en verdroging en invloed van herstelbeheer op duinfauna. Rapport EC-LNV 2003/153-O.

Aggenbach, C.J.S. & M.H. Jalink, 1999. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiering in droge duinen. Deel 8 uit de serie ‘Indicatorsoorten', Staatsbosbeheer.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website