Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Zandverstuiving (N07.02) / Zandverstuiving / Herstelbeheer

Zandverstuiving

Inhoud van deze pagina

HERSTELBEHEER
Vliegdennen kappen in combinatie met plaggen
Zand zeven, frezen of plaggen
Vooraf biodiversiteit inventariseren
Voorwaarden voor herstel van de verstuivingsdynamiek
Succes hangt af van vooronderzoek en ontzien van plekken
Wachten op meer adviezen
Met bijdragen van
Literatuur

Vliegdennen kappen in combinatie met plaggen
 In oude, gestabiliseerde zandverstuivingen die begroeid zijn geraakt met bomen of bosjes is het verwijderen van de vliegdennen en andere boomopslag alleen dan een effectieve herstelmaatregel als het kappen wordt aangevuld met afplaggen van de bodem. Over het algemeen is de grond vlak onder de vliegdennen namelijk humeus geworden. In zandverstuivingen met hoge stikstofdepositie gaat na kap Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus) snel overheersen wanneer er niet wordt geplagd. De korstmossen van zandverstuivingen laten het dan afweten. In terreinen met lage stikstofdepositie is het gevaar dat Grijs kronkelsteeltje gaat overheersen minder groot. Ook hier keren echter na kap niet de korstmossen van zandverstuivingen terug; daar treden eerder de soorten van droge heide naar voren, en als je zandverstuivingen beoogt is dat niet de bedoeling. Door plekken waar vliegdennen zijn verwijderd vervolgens af te plaggen tot op het minerale stuif- of dekzand schep je een betere uitgangssituatie voor nieuwe stuifzandbegroeiingen. Het meest effectief is het verwijderen van de gehele zode en humushoudende bovengrond, niet alleen van de vegetatie en bovenste strooisel- en humuslaag.
Het is beter om vliegdennen op kopjesduinen en zogenoemde forten niet te verwijderen, omdat de kans bestaat dat het duin na het verwijderen van de vegetatie sterk verstuift en als karakteristiek landschapselement verdwijnt.

Solitaire bomen - met name loofbomen als Eik en Berk, maar ook solitaire vliegdennen - zijn zeer belangrijk voor de fauna met betrekking tot schuilgelegenheid, oriëntatie en voedselvoorziening. Het zeer lokaal wat opslag laten staan, levert daarom een zeer positieve bijdrage aan het behoud van een gevarieerde faunagemeenschap. Voor paddenstoelen kunnen vliegdennen zowel op de toppen van duinen als in de laagten van groot belang zijn. Een zorgvuldige afweging van de voordelen van verstuiving versus het aantasten van huidige landschappelijke en natuurwaarden is dus zeer op zijn plaats. Bij twijfel is advies inwinnen altijd verstandig.

Als herstel van zandverstuivingen of stuifzandvegetatie het doel is, moeten boomstobben na het afplaggen worden verwijderd, omdat het hout een extra bron van voedsel is, de windwerking belemmert en vocht vasthoudt. Het inkerven van de stronken werkt averechts omdat de voedingsstoffen uit het hout dan extra snel vrijkomen. Wanneer het doel van het kappen van bos alleen het creëren van extra windwerking in het aangrenzende terrein is, kunnen de stobben blijven staan. De vegetatie zal zich dan eerder ontwikkelen naar een droge heide, waarbij de stobben een extra biotoop vormen voor bijv. Tapuit, wespen en bijen en korstmossen en paddenstoelen die op dood hout groeien.

Zand zeven, frezen of plaggen?
 Een goed ontwikkelde zandverstuiving vertoont alle stadia van de opeenvolging in begroeiingen van open, verstuivend zand tot gestabiliseerde grazige vegetaties. Deze variatie is essentieel voor het behoud van de karakteristieke flora en fauna. De oppervlaktes en verhoudingen van de verschillende vegetaties verschillen sterk per locatie en zijn afhankelijk van de grootte, de omgeving en de geschiedenis van de betreffende zandverstuiving. In de eerste successiestadia waarbij er nog geen sprake is van bodemvorming volstaat het uitzeven of frezen van het zand. Vanaf het stadium dat de vegetatie meer dan 70% van de bodem bedekt is plaggen de enige optie.

Wanneer een terrein groot is en een ruime hoeveelheid nog gemakkelijk verstuifbaar zand aanwezig is, kan getracht worden het verstuivingsproces grootschalig op gang te brengen of te houden. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door met enige regelmaat af en toe delen van pioniervegetaties te verstoren door het plantaardige materiaal uit het zand te zeven. Of door de plekken te frezen, dat wil zeggen de grond goed los te maken. Om te voorkomen dat populaties van dieren die gebonden zijn aan pioniersituaties uit het gebied verdwijnen, is het belangrijk nooit alle pioniervegetaties in een keer tegelijk te bewerken.

In kleine terreinen of oude terreinen die al langere tijd niet meer stuiven, is herstel en het op gang houden van het verstuivingsproces niet goed mogelijk. Wel kan met kleinschalige maatregelen als frezen, zeven en plaggen de variatie aan begroeiingsstadia op de locatie nog lange tijd worden behouden. Door vooraf belangrijke plant- en diersoorten en paddenstoelen te inventariseren, kunnen de populaties worden ontzien bij het uitvoeren van maatregelen. Goed is om ook plekken uit te kiezen waar de successie ongestoord mag plaatsvinden, bijvoorbeeld waar op termijn de ontwikkeling van korstmosrijke vegetaties wordt verwacht. Wanneer na verloop van tijd sterke vergrassing optreedt, zal opnieuw verstuivingsbeheer - dus frezen etc. - of verschralingsbeheer toegepast moeten worden.

Vooraf biodiversiteit inventariseren
 De voor de biodiversiteit belangrijkste soorten en de Rode Lijstsoorten in stuifzandgebieden zijn bijna allemaal soorten die alleen voor specialisten goed herkenbaar zijn: korstmossen, paddenstoelen of insecten. Vaak zijn er binnen een aangetast stuifzandgebied één of enkele kleine concentraties of hot-spots van restpopulaties, zogenaamde relictpopulaties, van deze soorten. Er zijn uitgestrekte zandverstuivingen waarvan alles samengenomen maar een paar vierkante meter rijk aan korstmossoorten is.

Een groot aantal diersoorten van gestabiliseerde zandverstuivingen is niet in staat om te vliegen, waardoor ze zeer gevoelig voor versnippering zijn. Veel natuurwinst is te behalen door specialistische hulp in te roepen bij het in kaart brengen van de bijzondere soorten van de zandverstuivingen voordat herstelbeheer uitgestippeld wordt. De relictpopulaties dienen als uitwijkplaatsen of ‘refugia' en na de ingreep worden het bronpopulaties. De inventarisatie van soorten vergt geld en tijd. Echter, zonder inventarisatie loop je de kans dat je de natuurwaarden van het terrein een onbedoeld grote slag toebrengt en de successie in plaats van een paar jaar of tien jaar, honderden jaren terugzet.

Voorwaarden voor herstel van de verstuivingsdynamiek
In de periode van1994-2004 is het verspreidingsgebied van het habitattype vergroot door het uitvoeren van gerichte herstelmaatregelen. Het gaat daarbij om maatregelen zoals het verwijderen van vliegdennen en strooisel. Ook is de luchtverontreiniging verminderd waardoor de zandverstuivingen minder onder druk staan. Succesvol herstel van de verstuiving is alleen mogelijk wanneer de situatie voldoet aan twee hoofdvoorwaarden:


Succes hangt af van vooronderzoek en ontzien van plekken
Voor het opstellen van een plan voor herstelbeheer is het dus noodzakelijk rekening te houden met het karakteristieke stuifzandreliëf en de beschikbare zandvoorraad van het gebied waarom het gaat. Ook is het nodig vast te stellen of er verstoringen van de windwerking mogelijk zijn door bodemlagen zoals oude podzolen en/of de aanwezigheid van grondwater of schijngrondwater dicht bij het oppervlak. Hiervoor is meestal vooronderzoek nodig, dat begint met een analyse van oude en recente luchtfoto's, in verband gebracht met hoogtegegevens - het AHN-bestand van de Algemeen Hoogtekaart Nederland - en bodemonderzoek. Vervolgens levert het vooronderzoek een overzicht van locaties met de hoogste kans voor herstel van verstuiving. De daarop aansluitende, per deellocatie te nemen maatregelen, beschrijft het vooronderzoek ook. Bij een compleet vooronderzoek hoort ook een inventarisatie van de flora, fauna en fungi met het oog op het sparen van relictpopulaties. De resultaten van het biotische deel van het onderzoek zijn vervolgens te integreren in het herstelplan. Door aan te geven welke hellingen wel en welke hellingen en duintoppen zeker niet mogen worden afgeplagd, is verlies aan waardevolle landschappelijke structuren te voorkomen. Hiervoor is specialistische kennis over specifieke duinvormen en hun vormingsproces vereist.

Als besloten wordt om weer stuivend zand te creëren door kappen en afplaggen, is het van belang droge grazige stukken waar nog belangrijke korstmossoorten voorkomen en die in de buurt liggen, te ontzien, dus ongeplagd te laten. Dan hoeven namelijk de diasporen van die soorten maar een korte weg af te leggen. Door de plekken die worden ontzien niet te klein te maken, voorkom je te sterk overstuiven en alsnog verdwijnen van deze potentiële bronpopulaties. Als geen plekken worden ontzien, krijgt de nieuwe zandverstuiving meer ruimte, maar dan zijn alle karakteristieke korstmossen in het gebied verdwenen. Voor een nieuwe vestiging moeten hun diasporen na de ingreep meestal een heel lange weg afleggen om vanaf het meest dichtstbijzijnde stuifzand het nieuwe stuifzand te bereiken. Dat kan erg lang duren.

Wachten op meer adviezen
Zandverstuivingen zijn tot nu toe onderbelicht gebleven in het onderzoek naar de specifieke problemen die optreden als gevolg van VER-factoren en de effecten van beheer- en herstelmaatregelen. Dit geld in grote mate voor de korstmossen, fauna en paddenstoelen; Voor de meeste soorten is nog niet goed bekend wat de belangrijkste problemen zijn en hoe ze reageren op maatregelen. Kennis over het herstellen van verstuivingsprocessen is wel vrij ruim aanwezig, hoewel over de schaal waarop deze processen het beste hersteld kunnen worden nog vragen bestaan.
Op dit moment is er een groot onderzoek gaande waarin landschapsvormen, vegetatie en fauna geïntegreerd worden onderzocht. Het onderzoek wordt afgerond in het voorjaar van 2010 en moet resulteren in concrete adviezen voor behoud en herstel van zandverstuivingen en de bijbehorende levensgemeenschappen.

Met bijdragen van:
Marijn Nijssen, juni 2007; Michel Riksen, november 2006 en André Aptroot, augustus 2006.

Literatuur:
Ancker, J.A.M., P.D. Jungerius, R. Ketner-Oostra, M. Nijssen, T.M.J. Peeters & M. Riksen, 2005. Onderzoek voor herstelplan van de zandverstuivingen lange en Korte Duinen bij Soest. Rapport Bureau G&L & Stichting Bargerveen.58 pp. + bijlagen

Ancker, J.A.M. vd, P.D. Jungerius, R. Ketner-Oostra, M. Nijssen & T.M.J. Peeters, 2004. Vooronderzoek voor het herstel van de zandverstuivingen Lemelerberg en Beerze. Rapport Bureau G&L, 60pp. + bijlagen.

Bakker, T., H. Everts, P. Jungerius, R. Ketner-Oostra, C. van Turnhout & H. Esselink (2003). Preadvies Stuifzanden. Rapport Expertise Centrum-LNV 288-O. 114 pp..

Ketner-Oostra R. and Riksen M., 2005. Actief beheer voor het behoud van levend stuifzand. Eindrapport effect van beheersmaatregelen Kootwijkerzand, Deel 1: Vegetatie- en Winderosie-onderzoek. Report Wageningen University, Wageningen, The Netherlands, 100 pp. + supplement.

Nijssen, M., J.A.M. van den Ancker, P.D. Jungerius R. Ketner-Oostra, T. Peeters & H. Esselink, 2007 (in press). Effecten van verstuivingsmaatregelen op het Wekeromse Zand; geomorfologie, vegetatie, bodem en fauna 10 jaar na EGM. Rapport Stichting Bargerveen / Afdeling Dierecologie, Radboud Universiteit Nijmegen & Stichting Geomorfologie & Landschap, Ede.

Riksen, M.J.P.M., Ketner-Oostra, R., Van Turnhout, C., Nijssen, M., Goossens, D., Jungerius, P.D. and Spaan, W., (2006). Will we lose the last active inland drift sands of western Europe? The origin and development of the inland drift-sand ecotype in The Netherlands. Landscape Ecology 21:431-447.

Riksen, M.J.P.M., Goossens, D., 2005. Tilling techniques to reactivate aeolian erosion on inland drift-sand. Soil and Tillage Research 83: 218-236.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website