Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Zandverstuiving (N07.02) / Zandverstuiving / Bedreigingen

Zandverstuiving

Inhoud van deze pagina

BEDREIGINGEN
Dichtgroeien
Afname van plekken met open zand
Afname van verstuiving
Probleemsoort Grijs kronkelsteeltje
Verstuiving van vers zand goed voor zuurgevoelige soorten
Met bijdragen van
Literatuur 

Dichtgroeien
Het merendeel van de zandverstuivingen is verloren gegaan door het actief vastleggen en bebossen van het zand tussen 1898 en 1965. In de overgebleven zandverstuivingen is de windwerking verminderd door het aanplanten van de bossen in de omgeving. Daarom vindt daar vanuit de bosranden een versnelde successie plaats naar dennenbos. Dit versneld dichtgroeien vormt momenteel één van de grootste bedreigingen voor de karakteristieke vegetatie en faunagemeenschappen van zandverstuivingen.
De verminderde winddynamiek in combinatie met de toegenomen stikstofdepositie zijn de hoofdoorzaken voor het in rap tempo verdwijnen van zandige open en stuivende plekken in het heide- en stuifzandlandschap. Daarmee gaan daar ook de pioniervegetaties van Buntgras (Corynephorus canescens) sterk achteruit. Grote delen van de overgebleven zandverstuivingen zijn langere tijd geleden tot rust gekomen en vervolgens begroeid geraakt. Veelal overheerst daar nu het exotische mos Grijs Kronkelsteeltje (Campylopus introflexus). In mindere mate treden andere soorten naar voren zoals Zandstruisgras (Agrostis vinealis), Bochtige Smele (Deschampsia flexuosa) en Zandzegge (Carex arenaria). Soms worden de begroeiingen tijdelijk overwoekerd door Gelei-algen (Gloeocapsa; een blauwwier). Door de snelle successie verdwijnen veel kleinschalige mozaïekpatronen en overgangen of gradiënten in het milieu en in de vegetatie. De zandverstuivingen worden eenvormiger en dit werkt negatief door op de fauna, aangezien veel diersoorten afhankelijk zijn van een combinatie van meerdere stuifzandbiotopen.

Afname van plekken met open zand
Veel sprinkhanen, loopkevers, dagvlinders, bijen, wespen, reptielen en vogels van stuifzanden komen in de knel nu er minder open zand en ijle pioniervegetaties zijn. Het probleem is voor de meeste faunasoorten daarbij niet zozeer de afname van de oppervlakte actief stuifzand. Ze hebben vooral moeite met de afname van het aantal open plekken in de kleinschalige mozaïekpatronen, waarbij kaal of alleen met mos begroeid zand afwisselt met vegetaties van Buntgras of Struikheide (Calluna vulgaris). Diersoorten hebben behoefte aan deze verschillende plekken vanwege uiteenlopende doelen: voor eiafzet, nestbouw, ontwikkeling van eieren en larven, thermoregulatie, om er te foerageren, zich in te graven, te baltsen, jagen, overwinteren, etc. Heivlinders (Hipparchia semele en H. statilinus) benutten vooral in de vroege ochtend de donkere korstmosvegetaties om op te warmen. Zij bieden rond die tijd vaak de meeste warmte, zeker bij relatief lage luchttemperaturen. Na het opwarmen verplaatsen de mannetjes zich naar plekken met open zand. Eileggende vrouwtjes verblijven echter nagenoeg de hele dag op de korstmosvegetaties die in de buurt liggen van geschikte pollen Buntgras- of Schapegras om eitjes af te zetten. Het korstmos biedt hun de beste camouflage. Die bescherming is ook nodig, omdat tijdens het opwarmen en rusten het risico op predatie het grootst is. Verruiging met grassen en de vorming van een dikke strooisel- en humuslaag hebben een sterk ‘dempend' effect op het microklimaat. Waarschijnlijk verlagen deze processen de gemiddelde temperatuur in en vlak boven de bodem zodat de ontwikkeling van warmteminnende diersoorten trager verloopt. Dat beperkt de overlevingskansen van de populaties. Daarnaast treedt er waarschijnlijk door de hogere luchtvochtigheid een verhoogde sterfte van kleine dieren op als gevolg van schimmelinfecties, vooral in de winter wanneer veel diersoorten in een immobiel stadium in de bodem verkeren. De effecten die verruiging op de fauna heeft zijn echter nog onvoldoende onderzocht.

Afname van verstuiving
Het stuiven van zand is uiteraard een wezenlijk proces in zandverstuivingen. Het proces laat hier en daar vegetaties verdwijnen en schept nieuwe pioniervegetaties. Op die manier houdt het zowel het gevarieerde landschap in stand, met stuifvlaktes en duinen, alsook de variatie in de plantengemeenschappen en de biodiversiteit.
Lichte overstuiving van planten stimuleert de ontwikkeling van jonge plantenscheuten. Deze scheuten zijn rijk aan eiwitten en ze bevatten minder ‘antivraatstoffen' dan de oudere plantdelen. Planten produceren deze stoffen naarmate ze door dieren worden gegeten. De plantenetende diersoorten kunnen dus profiteren van overstuiving, omdat het aantrekkelijk voedsel creëert. Ook lijkt de zaadproductie van Buntgras in jonge begroeiingsstadia veel hoger te zijn dan in oude stadia van de successie. Het Buntgras van jonge stadia is vitaler dan dat van oude stadia. Zaden vormen een belangrijke voedselbron voor verschillende diersoorten, bijv. voor de aan stuifzanden gebonden loopkevers Amara quenseli en Harpalus neglectus en de Zwarte zaadmier (Tetramorium caespitum)

Probleemsoort Grijs kronkelsteeltje
De toename van het stikstofgehalte via atmosferische depositie wordt gezien als een van de belangrijke redenen voor de recente uitbreiding van het uitheemse mos Grijs Kronkelsteeltje (Campylopus introflexus) op arme, zure gronden. Dit mos kan op zulke gronden binnen een paar jaar een dikke mat vormen, waarschijnlijk doordat stikstofrijk regenwater wordt ingevangen. De onderste lagen van de mosmat sterven af en vormen een dikke organische laag. Voor heide en stuifzand karakteristieke hogere planten en korstmossen komen nauwelijks voor op plaatsen waar Grijs kronkelsteeltje overheerst. Karakteristieke diersoorten van heide en stuifzand zijn er ook niet, want hun waard- en voedselplanten ontbreken. Plekken die gedomineerd worden door Grijs kronkelsteeltje zijn bovendien ongeschikt voor veel dieren die hun nesten in de bodem graven, zoals veel bijen- en wespensoorten doen. De ongeschiktheid heeft enerzijds te maken met de fysieke weerstand van het mospakket en anderzijds met het koele en vochtige microklimaat dat onder de mosmat heerst. Voor veel diersoorten is een dergelijk microklimaat ongunstig.
Boven op de matten van Grijs kronkelsteeltje zijn relatief veel nachtactieve soorten loopkevers en spinnen aangetroffen: meer dan in de open begroeiingen van Buntgras. Sprinkhanen bleken vrijwel afwezig op die mosmatten. In de dikke organische laag kunnen hoge dichtheden voorkomen van insectenlarven die leven van dood plantaardig materiaal zoals larven van mosmuggen en langpootmuggen. Al met al is met de toename van Grijs kronkelsteeltje een verschuiving opgetreden in het voedselweb: van dagactieve en bovengrondse faunasoorten naar grotendeels nachtactieve en ondergrondse faunasoorten. Deze verandering kan een afname in beschikbare prooien betekenen voor vogels als Tapuit (Oenanthe oenanthe) en Duinpieper (Anthus campestris) die op het oog jagen. Voor niet karakteristieke diersoorten zoals Zwarte kraai (Corvus corone), Eksters, Fazanten en ook Wilde zwijnen zijn de mosmatten aantrekkelijk: deze dieren breken de matten open op zoek naar eerdergenoemde larven. Gelukkig lijkt er recent met de lichte afname van de stikstofdepositie een einde te zijn gekomen aan de uitbreiding van Grijs kronkelsteeltje.

Verstuiving van vers zand goed voor zuurgevoelige soorten
Opvallend veel karakteristieke planten- en diersoorten handhaven zich in zandverstuivingen beter op plekken waar vers, onverstoven zand uit de ondergrond aan het aardoppervlak komt. De enige zich uitbreidende korstmosvegetatie op het Wekeromse Zand bevindt zich op de overgang van het stuifzand naar een oude eroderende dekzandrug. De enige nog vitale populatie van de Tapuit die we in het binnenland van Nederland nog hebben, is die van het Aekingerzand. Nadat bij verstuivingsmaatregelen enkele oude dekzandruggen zijn beschadigd nam deze populatie in aantal sterk toe en daarna is ze stabiel gebleven. Ook is het aantal hogere planten- en paddenstoelensoorten vaak hoger op plekken met vers zand, bijvoorbeeld in verse zandafgravingen. Waarschijnlijk zijn de omstandigheden voor karakteristieke planten- en diersoorten op vers zand gunstiger omdat dit nog enige buffering tegen verzuring bevat. Vaak is nitraat ook de dominante stikstofvorm in dit zand en is er weinig vrij aluminium aanwezig. Verder is het mogelijk dat uitspoeling van allerlei essentiële microvoedingsstoffen een rol speelt bij dit hogere planten- en paddenstoelensoorten op plekken met vers zand. Een tekort aan zulke stoffen is recent aangetoond bij Sperwers in verzuurde droge bossen. In elk geval lijkt verstuiving van vers, nog niet verzuurd zand een belangrijk onderdeel te zijn in het functioneren van stuifzanden. Verstuiving van niet verzuurd zand gebeurt tegenwoordig nauwelijks meer, omdat de uitstuivingsgebieden van waaruit aanvoer van vers zand zou kunnen plaatsvinden, beplant zijn met dennen of ontgonnen zijn.

Met bijdragen van:
Marijn Nijssen, juni 2007; Michel Riksen, november 2006 .

Literatuur:
Bakker, T., H. Everts, P. Jungerius, R. Ketner-Oostra, C. van Turnhout & H. Esselink (2003). Preadvies Stuifzanden. Rapport Expertise Centrum-LNV 288-O. 114 pp..

Riksen, M.J.P.M., Ketner-Oostra, R., Van Turnhout, C., Nijssen, M., Goossens, D., Jungerius, P.D. and Spaan, W., (2006). Will we lose the last active inland drift sands of western Europe? The origin and development of the inland drift-sand ecotype in The Netherlands. Landscape Ecology 21:431-447.

Vogels, J., M. Nijssen, W. Verberk & H. Esselink, 2005. Effects of moss-encroachment by Campylopus introflexus on soil-entomofauna of dry-dune grasslands (Violo-corynephoretum). Proc.Neth.Entomol.Soc.Meet. 16: 71-80.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website