Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Zandverstuiving (N07.02) / Inleiding heide & stuifzand / Bedreigingen

BEDREIGINGEN:

Achteruitgang van levensgemeenschappen van de heide
Verschillende vormen van aantastingen
Vergrassing door vermesting
Versnelde verdichting problematisch
Heidehaantjes profiteren van vermesting
Soortsverschuivingen ook door verzuring
Verzuring is een complex proces
Problemen met zware metalen als gevolg van verzuring?
Versnippering
Ecologische flessenhalzen
Eenvormiger microklimaat: een flessenhals voor insecten
Verarming van plantengroei: flessenhals voor planteneters en bloembezoekers

Achteruitgang van levensgemeenschappen van de heide

De kwaliteit van de nog resterende heideterreinen is de afgelopen decennia sterk verminderd, zowel als gevolg van veranderingen in het beheer en gebruik als door vermesting, verdroging, verzuring en versnippering. Veel karakteristieke plantensoorten die afhankelijk zijn van voedselarme en/of zwak gebufferde omstandigheden gaan achteruit. Ook voor veel karakteristieke faunasoorten van heideterreinen wordt een negatieve trend gesignaleerd. Het heidelandschap dat door het traditionele gebruik is ontstaan kan enkel blijven bestaan bij beheer. De noodzaak voor beheer is door de aantastingen zoals vermesting en dergelijke nog groter geworden. Gelukkig zijn er door het beheer zoals dat werd toegepast vanaf ongeveer 1960 veel heidevelden behouden gebleven. Vooral faunadeskundigen geven echter aan dat de vorm van het beheer en de wijze van toepassing soms hebben bijgedragen aan de achteruitgang van de soortenrijkdom van de heide. Dit onbedoelde en ongewenste effect is vooral toe te schrijven aan de eenvormigheid van het beheer en de grootschaligheid, intensiteit en snelheid waarmee tot voor kort herstelmaatregelen werden uitgevoerd.

Verschillende vormen van aantastingen

Heidevelden lijden deels dus onder achterstallig of juist te intensief beheer. Daarnaast hebben heidevelden ook te maken met de gevolgen van de achteruitgang van natuur en milieu door economische activiteiten. Deze vormen van aantastingen worden meestal in een adem genoemd als VER-factoren, wat vooral staat voor verzuring, vermesting, verdroging en versnippering. De eerste drie van die factoren hebben in de heide- en stuifzandlandschappen tot meer eenvormigheid geleid door een vervlakking of ‘nivellering' van standplaatsfactoren. Voedselarme, schaars begroeide en/of zwak zure bodems zijn overal veranderd in zure bodems met een dikke strooisellaag en een hoge plantenbedekking.

De vierde VER-factor, versnippering van de heide- en stuifzandlandschappen remt de uitwisseling van genetisch materiaal en de mogelijkheden voor terugkeer van soorten die verloren zijn gegaan. Het is een belangrijke vorm van aantasting, omdat soorten die uit een gebied verdwenen zijn, zich na herstel van het terrein niet meer op eigen kracht kunnen vestigen in gebieden die versnipperd zijn geraakt.

Vergrassing door vermesting

De restanten van heiden en stuifzanden die ontsnapten aan ontginning en bebossing zijn nooit direct bemest met kunstmest. De vermesting of zogenoemde eutrofiëring die hier heeft plaatsgevonden gaat vooral om aanvoer van stikstof (NHy; NOx) uit de lucht die het resultaat is van luchtvervuiling. In natte heide is het mogelijk dat bovendien uit daaraan grenzende agrarische gebieden stikstof is ingespoeld via het grondwater.

In stuifzanden wordt de stikstof uit de lucht ingevangen door mossen en korstmossen, en bij een verhoging van het stikstofgehalte gaan stikstofminnende soorten zich uitbreiden ten opzichte van de echte specialisten van voedselarme bodem. Wanneer er geen moslaag is, of wanneer de moslaag compleet is verzadigd met stikstof, stijgt de stikstofconcentratie in de bodem. Nu kunnen hogere planten sneller gaan groeien. Aanvankelijk gaan vooral de heidesoorten die overheersen harder groeien, maar bij een voortdurende, grote stikstofaanvoer gaan vooral enkele grassen vooruit die altijd hier en daar in de heide- en stuifzandlandschappen voorkomen: Pijpenstrootje (Molinia caerulea) en Bochtige smele (Deschampsia flexuosa). Deze grassen gaan dan erg snel uitschieten en daardoor ontstaat er concurrentie om licht, waarbij mossen, korstmossen, kleine kruidachtigen en langzaam groeiende grassen zoals Schapegras en Buntgras (Corynephorus canescens) het afleggen. Ook Gewone dopheide (Erica tetralix) en Struikhei (Calluna vulgaris) kunnen bij vergrassing uiteindelijk verdwijnen. Met de soortensamenstelling en vegetatiestructuur verandert ook de voedselkwaliteit van de vegetatie voor de dieren.

Versnelde verdichting problematisch

Aanrijking met stikstof veroorzaakt zeer waarschijnlijk ook een versnelde ontwikkeling van algenmatten in open stuifzand en open zandige plekken in droge heide. De vestiging van algen, blauw- en groenwieren, is op zich een natuurlijk proces bij de vastlegging van zandverstuivingen. Algen vormen een dunne korst in de bovenste zandlaag en stabiliseren het open zand door verkitting. Een verhoogd stikstofgehalte leidt vermoedelijk tot een versnelde stabilisatie van het zand en ontwikkeling van dikkere algenmatten waardoor het vochtbergend vermogen en het gehalte aan organische stof en voedingsstoffen toeneemt. Onder die omstandigheden zullen hogere planten, mossen en korstmossen zich eerder vestigen. Dit gaat wind- en watererosie tegen en open zandige plekken groeien nóg sneller dicht. Veel ongewervelde dieren graven in het zand en de verkitting van het bodemoppervlak en de verdichting van de vegetatiestructuur maakt het graven moeilijker. Daarnaast wordt het microklimaat al gauw te koel en vochtig voor de ontwikkeling van eieren en larven van op warme en droge omstandigheden gespecialiseerde dieren.

Heidehaantjes profiteren van vermesting

Vraat door een keverplaag van het Heidehaantje (Lochmaea suturalis) werd in het verleden soms aangewezen als een oorzaak van de achteruitgang of verminderde vitaliteit van de Struikhei (Calluna vulgaris). Dit zou dan leiden tot vergrassing.

Inmiddels is gebleken dat Heidehaantjes vaker toeslaan dan vroeger, omdat de groeicyclus van de Struikhei door de atmosferische vermesting is veranderd. Ook is de voedingswaarde van de Struikheideplanten door de vermesting hoger geworden, waardoor de keverlarven eerst sneller groeien en later voor meer nakomelingen zorgen. Na een plaag kan sterke vergrassing optreden als gevolg van de combinatie van gunstige lichtomstandigheden met de hoge beschikbaarheid van voedingsstoffen.

Voor de luchtvervuiling is toegeslagen, voor ca. 1980, waren er ook al jaren met veel Heidehaantje, maar toen leidde extra vraat aan Struikhei eerder tot een toename van Bosbes- en/of Bremsoorten of Gewone Dophei.

Soortsverschuivingen ook door verzuring

Luchtvervuiling vormt ook de basis voor de verzuring die heeft toegeslagen. Het proces is complex en leidt, met alles wat daar aan vast zit, in heiden en stuifzanden tot het verdwijnen van karakteristieke korstmossen, mossen, hogere planten en paddenstoelen die gebonden zijn aan voedselarme, zure, maar niet sterk verzuurde omstandigheden. In droge heiden en schraallanden verdwijnen bijv. Leermossen (Peltigera soorten), Grijze bisschopsmuts (Rhacomitrium canescens), Zandblauwtje (Jasione montana) en Vuurzwammetje (Hygrocybe miniata). Hiervoor komen zuurtolerante - en tegelijk ook stikstofminnende - grassen en mossen in de plaats, zoals Bochtige smele (Deschampsia flexuosa), Pijpenstrootje (Molinia caerulea) en Grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus). Het proces van verzuring van zwak gebufferde standplaatsen wordt beschreven onder heischraal grasland.
Verzuring kan een negatief effect hebben op de conditie en het eiwitgehalte van Struikhei (Calluna vulgaris), met name in droge terreinen. De rups van het Heideblauwtje (Plebeius argus) leeft van de groeipunten van Struikhei en is afhankelijk van een hoog eiwitgehalte. Deze soort heeft zich vermoedelijk verplaatst van drogere naar vochtigere heide, omdat daar de conditie van Struikhei tegenwoordig beter is.

Verzuring is een complex proces

Verzuring treedt op in combinatie met atmosferische vermesting en dat kan de effecten versterken. Dat verzuring veel invloed heeft, heeft echter ook te maken met de complexiteit van het proces. Verzuring komt niet alleen neer op een pH daling, maar treedt op in verbinding met giftige effecten van opgelost aluminium en - in mindere mate - van zware metalen, verlaging van de buffercapaciteit en veranderde nitraat/ammonium-verhoudingen.

Verzuring treedt op wanneer chemische verbindingen in het heidesysteem terecht komen die waterstof-ionen (H+) afscheiden. De belangrijkste stof die in Nederland momenteel verzuring veroorzaakt is ammoniak, dat vrijwel allemaal uit de intensieve landbouw vandaan komt. Ammoniak is een basische stof, maar bij omzetting in nitraat komt er veel zuur vrij. Daarnaast zorgen stikstofoxiden en zwaveldioxide - met name afkomstig van industrie en wegverkeer - voor verzuring in natuurgebieden. In grondwatergevoede natte heiden kan ook nog indirecte verzuring optreden als gevolg van verdroging. Als de grondwaterspiegel daalt, dringen lucht en zuurstof dieper in de bodem door, waardoor zuurproducerende oxidatieprocessen op gang komen.

Bij verzuring daalt de pH van bodem en water. Eerst gaan de calcium- en magnesiumcarbonaten die er zijn in oplossing. De zogenoemde carbonaat-buffering is meestal al voor het ontstaan van heidevelden verdwenen. Hierna worden kationen door het zuur losgeweekt van de bodem; eerst de calcium en magnesiumkationen, maar bij voortgaande verzuring ook aluminiumkationen en uiteindelijk ook ijzerkationen. De concentraties van opgelost, voor de planten beschikbare calcium en magnesium vertonen eerst een piek en dalen dan snel omdat de stoffen wegspoelen uit de bovenste lagen van de bodem. Hoge concentraties van opgelost aluminium en ammonium zijn giftig voor veel plantensoorten, zeker in een zuur milieu. In heidevelden en stuifzanden zijn de concentraties van calcium en magnesium reeds van nature laag; daarom groeien er voornamelijk zuurtolerante soorten. Echter, door de verzuring die het gevolg is van de luchtvervuiling, zijn de concentraties van ammonium hoog opgelopen, waardoor nu alleen de meest zuurtolerante soorten overblijven.

Problemen met zware metalen als gevolg van verzuring?

Bodemverzuring vergroot de biologische beschikbaarheid van cadmium, kwik, aluminium, lood en andere metalen voor planten en bodemdieren. Wanneer in de bodem opgeslagen zware metalen vrijkomen, dringen ze gemakkelijker in de voedselketen door. In het heidelandschap gebeurt dat vooral via schimmels, mosmijten en springstaarten. De kans op vergiftiging van organismen neemt dan toe. Verschillende studies hebben uitgewezen dat ook grote dieren in verzuurde milieus meer metalen opnemen dan in niet-verzuurde milieus. Dat geldt bijv. voor cadmium in Korhoenders en Edelherten, Wilde zwijnen en runderen op de arme zandgronden. Over mogelijke effecten van de ophoping van zulke stoffen zogenoemde ‘bioaccumulatie' op het succes van voortplanting, overleving en populatiegrootte van deze dieren is nauwelijks iets bekend. De effecten ervan zullen deels overeenkomen met de effecten van gebrek aan calcium, wat vaak tegelijkertijd speelt bij verzuring. Detailstudies wijzen uit dat zowel ophoping van metalen als calciumgebrek problemen kunnen veroorzaken, afhankelijk van de bodemeigenschappen ter plekke en het foerageergedrag van de soort.

Versnippering

Versnippering leidt tot isolatie van gebieden waardoor organismen niet meer over en weer kunnen trekken tussen die gebieden. De migratie, verplaatsing van individuen, pollen of zaden naar en van andere terreinen, is nodig voor het opbouwen van nieuwe populaties of voor het vergroten van de genetische variatie van bestaande populaties. Versnippering is echter ook een probleem voor dieren die verschillende onderdelen van een landschap, verschillende biotopen, nodig hebben voor het voltooien van hun levenscyclus. Het maakt het bereiken van die biotopen lastig, levensgevaarlijk of onmogelijk. Afhankelijk van de actieradius van verschillende soorten planten en dieren speelt versnippering op grote schaal, tussen verschillende natuurgebieden, tot op kleine schaal, binnen een enkel heidegebied.

Heidegebieden zijn door ontginning en bosaanplant sterk in oppervlakte afgenomen en versnipperd geraakt. In de overgebleven stukken zijn veel populaties in de Nederlandse heidegebieden geïsoleerd geraakt. Uitwisseling is niet meer mogelijk omdat de heiderestanten gescheiden worden door bijv. landbouwgronden, verstedelijkte gebieden en wegen. Geïsoleerde, kleine populaties lopen veel kans op uitsterven, als gevolg van incidentele rampen en stress en vanwege een geringe genetische variatie door inteelt. Het uitsterven van zo'n populatie kan betekenen dat deze soort voorgoed verdwenen is in dat gebied. Dit geldt vooral voor soorten die zich niet gemakkelijk verplaatsen, zich moeilijk verspreiden of een zogenoemde ‘slechte dispersiecapaciteit bezitten'en voor planten waarvan de zaden slechts korte tijd kiemkrachtig zijn.

Ecologische flessenhalzen

De relaties tussen de veranderde bodemprocessen, de effecten op vegetatie en de uitwerking daarvan op hogere niveaus van de voedselketen zijn bijzonder complex en nauwelijks eenduidig en rechtlijnig vanuit het proces van ver-factoren te vatten. Vaak biedt dan een onderzoek naar de concrete ecologische flessenhalzen of ‘bottle-necks' houvast. Dat kunnen flessenhalzen zijn die werkzaam zijn voor de flora, maar waarschijnlijk zijn zulke studies in het bijzonder in verbinding met fauna van belang. Sleutel voor de ontsluiting van de flessenhalzen is de vervlakking of het dempen van de milieudiversiteit, de zogenoemde nivellering die de VER-factoren veroorzaken. De ‘deken van stikstof en zure depositie' is alom aanwezig in Nederland; als gevolg hiervan verdwijnen subtiel verschillende standplaatscondities en krijgt alles steeds meer het karakter van ‘meer van hetzelfde'.

Eenvormiger microklimaat: een flessenhals voor insecten

Wanneer lage, open vegetaties worden vervangen door hoge, gesloten vegetaties verandert het microklimaat: droge biotopen met grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht worden vervangen door biotopen met een constanter, koeler en vochtiger klimaat. Dit is al waarneembaar wanneer een relatief bescheiden groeier als Schapegras gaat domineren ten koste van de armoedespecialist Buntgras (Corynephorus canescens). Vergrassing, ver-mossing, ver-alging alsook strooiselophoping en afname in microreliëf verminderen de hoeveelheid zoninstraling op de bodem en de mate van absorptie en uitstraling van warmte door de bodem. Daarnaast vindt er in dichte vegetatie veel minder verdamping plaats dan in open vegetaties. Vervlakking of ‘nivellering' van het microklimaat wordt gezien als één van de belangrijkste bottlenecks in het vóórkomen van karakteristieke loopkevers, sprinkhanen en dagvlinders van droge heide en stuifzand.

Koudbloedige dieren die afhankelijk zijn van warme en droge omstandigheden kunnen in het bijzonder in de knel komen door vervlakking van het microklimaat tijdens de ontwikkeling van eieren en larven. Van sprinkhanen worden de ontwikkelingssnelheid en de overleving van de eieren, de ontwikkeling van de nymfen - de jonge dieren - en de eiproductie van de imago's - de volwassen dieren - sterk beïnvloed door het microklimaat. Verruiging van de vegetatie verlaagt de temperatuur en dat verlengt de ontwikkelingstijd van de eieren. Soorten waarvan de eieren toch al vrij lange tijd nodig hebben om zich te ontwikkelen, krijgen bij zo'n temperatuurverlaging niet de kans om de levenscyclus te voltooien voordat de winter zich aandient. Dit geldt ook onder andere voor jagende spinnen, wespen en loopkevers. Bij loopkevers bepaalt de temperatuur in het larvale stadium vooral de duur van deze ontwikkelingsfase. Daarnaast is de temperatuur tijdens de ontwikkelingsfase ook van invloed op de uiteindelijke lichaamsgrootte en de daaraan gekoppelde vruchtbaarheid. De rupsen van de Heivlinder (Hipparchia semele) hebben een hogere overlevingskans in de winter als het microklimaat extremen kent, met sterke wisselingen in koud-warm en nat-droog. In eenvormige, hoge vegetatie is het microklimaat zo nat en koel dat ze vaak lijden onder aantasting door schimmels en ziekten.

Verarming van plantengroei: flessenhals voor planteneters en bloembezoekers

Het wegvallen van plantensoorten waarvan de bloeiperiodes elkaar opvolgen, zorgt voor onoverkomelijke gaten in het voedselaanbod. Gebrek aan nectar is met name een probleem wanneer het gedurende een langere periode aanwezig moet zijn, zoals voor hommels die in de loop van de zomer een kolonie opbouwen. Plantensoorten die bij vergrassing overheersen, zoals Bochtige smele (Deschampsia flexuosa) of Pijpenstrootje (Molinia caerulea), zijn voor veel plantenetende dieren ongeschikt als voedselplant, bijvoorbeeld voor de drie soorten karakteristieke dagvlinders van stuifzanden: Kommavlinder (Hesperia comma), Heivlinder en Kleine heivlinder (Hipparchia semele en H. statilinusen).

In heide en stuifzand gaat de bloemrijkdom mede achteruit door verdere verzuring van heide en stuifzand en het verdwijnen van heischraal grasland en rommelhoekjes. Bloembezoekende insecten als vlinders, bijen en zweefvliegen zien daarmee hun voedselaanbod slinken. De achteruitgang van het voedselaanbod heeft een sterker effect naarmate het meer gespecialiseerde insectensoort en betreft, zoals bijvoorbeeld de Zandblauwtjesglansbij (Dufouria halictula) die in Nederland al is uitgestorven. Voor sommige dagvlindersoorten zijn de kruiden die achteruitgaan ook voedselplanten voor de rupsen, zogenoemde ‘waardplanten'. Het verdwijnen van de waardplanten vormt voor die vlinders vaak de belangrijkste flessenhals. Zo verdwijnt met het sterk achteruitgaande Hondsviooltje (Viola canina) in binnenlandse heideterreinen de belangrijkste waardplant van de Grote Parelmoervlinder en Duinparelmoervlinder (Argynnis aglaja en A. niobe)

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website