Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Droge heide (N07.01) / Jeneverbesstruweel / Bedreigingen

Jeneverbesstruweel

Inhoud van deze pagina

BEDREIGINGEN
Veel verlies door ontginning en bosinplant
Jeneverbesstruwelen gaan heel langzaam over in loofbos of dennenbos
De verjonging van Jeneverbesstruwelen is tegenwoordig slecht
Oorzaken voor de slechte verjonging zijn nog niet duidelijk
Met bijdragen van
Literatuur 


Veel verlies door ontginning en bosinplant
Het heidelandschap was aan het eind van de 19e eeuw optimaal ontwikkeld, en dat was ook de periode waarin de Jeneverbesstruwelen het meest voorkwamen. Sindsdien is door ontginning van heidevelden een groot deel van de struwelen verloren gegaan. Ook zijn veel heidevelden ingeplant met bos, waardoor de struwelen langzaam werden overschaduwd en afstierven. Op sommige plekken zijn ook populaties verloren gegaan door brand. De planten lopen na een brand niet meer uit.

Jeneverbesstruwelen gaan heel langzaam over in loofbos of dennenbos
Volwassen Jeneverbesstruiken worden niet snel verdrongen door andere soorten. Op de voedselarme standplaatsen blijven kruiden laag en worden zelfs geleidelijk verdrongen door uitdijende Jeneverbesstruiken. De concurrentie van houtige gewassen kan wel groot zijn. Op zure bodems kunnen Drents krenteboompje (Amelanchier lamarckii) en Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) de struwelen overschaduwen. Ook kan er zich geleidelijk bos vormen, meestal met eiken, berken of dennen. Individuele Jeneverbesstruiken kunnen het in de schaduw van deze bomen en struiken nog heel lang volhouden maar het typische halfopen karakter van het struweel gaat verloren. Daarmee zullen de soorten die hiervan afhankelijk zijn, snel verdwijnen. De naalden van Jeneverbes hebben een beperkte eetbaarheid voor vee; vee begraast de struiken vooral in de eerste maanden na de kieming. De volwassen planten zijn weinig gevoelig voor begrazing. Langdurig intensieve begrazing leidt echter op den duur tot achteruitgang. Welke invloed wisselende dichtheden van konijnenpopulaties hebben op de ontwikkeling van jeneverbesstruweel is niet duidelijk.

De verjonging van Jeneverbesstruwelen is tegenwoordig slecht
Jeneverbesstruiken kunnen ongeveer 150 jaar oud worden. De ontwikkeling van de zaden aan de plant duurt twee tot drie jaar en na het afvallen duurt het meestal nog een jaar voordat de zaden kunnen kiemen. De struiken zijn ongeveer vanaf hun tiende levensjaar vruchtbaar en op latere leeftijd neemt de vruchtbaarheid sterk af. Dit komt tot uitdrukking in de vorming van minder bessen, minder zaden per bes en een minder goede kiemkracht van het zaad. Op Europese schaal blijken er bovendien grote verschillen te bestaan in zowel de zaadvorming als de kiemkracht.

De achteruitgang van Jeneverbessen is tegenwoordig vrijwel geheel toe te schrijven aan de slechte verjonging in de laatste tientallen jaren. Kieming en vestiging zijn veruit de belangrijkste knelpunten in de levenscyclus van de Jeneverbes. Jeneverbesstruiken kunnen zich weliswaar verjongen door de vorming van afleggers, maar dat is een betrekkelijk zeldzaam verschijnsel. In de meeste struwelen hebben veel planten een gelijke leeftijd, wat er op wijst dat geschikte omstandigheden voor verjonging slechts nu en dan optreden. De genetische variatie is in de meeste struwelen groot. Het is dus niet waarschijnlijk dat de verjonging wordt belemmerd door inteelt.

Oorzaken voor de slechte verjonging zijn nog niet duidelijk
Een slechte verjonging van Jeneverbesstruweel is vooral waargenomen in Nederland, België, Engeland en delen van Duitsland: in gebieden met een hoge stikstof- en zwavelbelasting in de lucht. De verjonging van Jeneverbes lijkt in Nederland ook in verband te staan met de luchtkwaliteit in verschillende tijdperken. Rond 1980 was de stikstof- en zwavelvervuiling in Nederland op zijn hoogtepunt en vond er nauwelijks verjonging plaats. In de jaren negentig en vooral na 2000 is er tegelijk met het verbeteren van de luchtkwaliteit weer enig herstel van de verjonging opgetreden. Het mechanisme hierachter is echter nog niet bekend. De volgende mogelijkheden zijn geopperd:


Opvallend is een overeenkomst betreffende het type standplaats waar momenteel nog verjonging optreedt: dit zijn vaak standplaatsen waar enige bodemverstoring heeft plaatsgevonden . Hier komt vers blootgelegd of verstoven zand aan het oppervlak, bijvoorbeeld op opengereden plekken, plekken waar de bodem is omgeploegd, op herstelde schapendriften of brandplekken.

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer, augustus 2007; André Aptroot, augustus 2006.

Literatuur:
Hommel, P.W.F.M., Griek, M., Haveman, R. & Waal, R.W. de (2007). Verjonging van Jeneverbes (Juniperus communis L.) in het Nederlandse heide- en stuifzandlandschap. Rapport 2007/dk072-O, Ministerie van LNV, Directie Kennis.

Teeuwen, J.J.W.M. (2007). Verjonging van de Jeneverbes op de Boshuizerbergen. Natuurhistorisch Maandblad 96 (3): 46-50.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website