Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Droge heide (N07.01) / Droge heide / Inrichting

Droge heide

Inhoud van deze pagina

INRICHTING
Nieuwe heide
Betreding plaatselijk toestaan
Sommige zandstukjes of paden ontzien
Schep nieuwe kansen voor insecten en korstmossen
Met bijdragen van
Literatuur

Nieuwe heide
Er zijn goede mogelijkheden om nieuwe droge heide te vormen, op vrij grote schaal. Er zijn globaal twee wegen: het kappen van bossen op zure grond en het omvormen van landbouwgebieden in zogeheten natuurontwikkelingsprojecten. In beide gevallen komt zulk een herinrichting trouwens vaak neer op heideherstel na een lange periode van gebruik als bos of weiland. Een onderzoek van het bodemprofiel kan de historie aan het licht brengen: als er een goed ontwikkeld podzolprofiel aanwezig is, is het ooit een heideterrein geweest. Om een omvorming succesvol te laten verlopen is het meestal noodzakelijk dat er diep wordt geplagd of de vermeste bouwvoor wordt afgegraven, zodat voldoende voedingsstoffen afgevoerd worden. Een probleem daarbij is, dat met het plagsel en de bouwvoor ook de hele zaadbank verdwijnt, zodat de vestiging van de doelsoorten onzeker is. Veel jonge natuurontwikkelingsterreintjes hebben een sterk ruderale flora en fauna. De oplossing die hierop gevonden is, is het opbrengen van wat maaisel of plagsel uit een terrein dat een soortensamenstelling heeft die overeenkomt met het gewenste vegetatietype. Dit is een elegante oplossing, mits het maaisel of plagsel niet van al te ver weg wordt gehaald. Het opbrengen van plagsel heeft als voordeel boven maaisel dat het bovendien een deel van de bodemfauna aanvoert. Met de snelle vestiging van Struikhei wordt de uitbreiding van ruderale soorten tegengegaan; op voedselarme bodem zal Struikhei dominant worden.

Betreding plaatselijk toestaan
Droge heide trekt veel bezoekers, en niet alleen als de heide in bloei staat. Veel betreding is slecht voor de heide, maar een lichte betreding leidt tot wat diversiteit. De meeste heidegebieden zijn opengesteld, maar alleen op de paden. Het betredingspatroon wordt daardoor nogal zwart/wit. Indien een heideterrein groot genoeg is kan een gedeelte beter opengesteld worden voor vrije betreding, volgens een recreatiezonering. Dit gedeelte kan worden geselecteerd op de volgende criteria: niet dicht bij een parkeerplaats, zonder veel reliëf en geen kwetsbare populaties bekend van karakteristieke soorten. Lichte betreding is zowel goed voor jonge, pas afgeplagde of gemaaide heide als voor oude heide. In het eerste geval zorgt het voor wat ruimtelijke variatie; in het laatste geval houdt het de relatief open plekken tussen de oude heidepollen open, omdat voornamelijk tussen de pollen gelopen wordt.

Verlaten paden een pioniersmilieu
Soms worden paden afgesloten of verlegd, door de beheerder of door de recreanten. In onbruik geraakte paden vormen een geschikt pioniermilieu voor talrijke soorten. Het kan daarom geen kwaad het pionierproces af en toe een kans te geven door een pad af te sluiten. Overigens bieden slingerende paden met reliëf en ongelijke kanten meer groeiplaatsen aan allerlei soorten dan vlakke rolstoelroutes.

Sommige zandstukjes of paden ontzien
Heel belangrijk voor het voortbestaan van karakteristieke bijen en wespen is de aanwezigheid van extensief betreden, deels steile, zandplekjes. In veel heideterreinen komen zandige plekken voor die ooit gestoven hebben. Op deze plekken, die vaak klein zijn en minder dan 1% van het terrein innemen, bevinden zich gewoonlijk alle soorten terrestrische korstmossen en ook de meeste bijen en wespen van het hele terrein. Daarom is het goed om bij inrichtingsactiviteiten sommige zandplekjes of paden te ontzien, liefst zodanig dat er wel wat betreding is, maar niet teveel.

Schep nieuwe kansen voor insecten en korstmossen
Het is heel makkelijk om in een droge heide meer variatie aan te brengen, met vrijwel gegarandeerd resultaat in termen van toename van karakteristieke/Rode lijst-soorten. Het gaat hier in eerste instantie vooral om bijen, wespen en zandloopkevers, en op termijn om korstmossen. Maak of graaf een stuifzandplekje, zo simpel is het. Zoek een plek die niet veel betreden wordt, en zorg dat er glooiende, maar ook steile open zandstukjes in zitten, liefst met verschillende expositie. De vorm doet er verder niet veel toe, het mag op een paadje lijken. Het is niet nodig zand van elders op te brengen. Van het zand dat overblijft uit een kuil kun je een duintje maken, of het verspreiden over de omgeving. Het is wel belangrijk om vooraf na te gaan of er historische aardkundige waarden zijn. Na enkele jaren groeit de open plek langzaam dicht en vormt een aantrekkelijke groeiplaats voor korstmossen en vaatplanten als Zandblauwtje (Jasione montana) en Dwergviltkruid (Filago minima).

Met bijdragen van:
André Aptroot, juli 2006

Literatuur:
Bekker, R, L van den Berg, R Strykstra & R. Verhagen, 2005. Maaisel opbrengen: het recept voor snel herstel van heidevegetaties? De Levende Natuur 106: 214-217.

Bobbink, R, E Brouwer, JG ten Hoopen & E Dorland, 2004. Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. Rapport EC-LNV 2004/305: 33-70.

Stuijfzand, S, C van Turnhout & H Esselink, 2004. Gevolgen van verzuring, vermesting en verdroging en invloed van herstelbeheer op heidefauna. Rapport EC-LNV 2004/152-O.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website