Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Droge heide (N07.01) / Droge heide / Herstelbeheer

Droge heide

Inhoud van deze pagina

HERSTELBEHEER
Herstel van voedselarme condities
Bekalking bevordert herstel van heidevegetaties
Effecten van bekalken op de fauna nog onduidelijk
Verzuurde droge heide bekalken na plaggen
Met bijdragen van
Literatuur

Herstel van voedselarme condities
Herstel van voedselarme condities staat vaak centraal bij herstelbeheer van de droge heide. In heiden wordt het begrazingsbeheer vanouds vaak afgewisseld met plaggen. Plaggen tot op de minerale bodem, dus het verwijderen van organisch materiaal, zet de successie een heel stuk terug in de tijd terwijl de zaadvooraad in de bodem behouden blijft. Plaggen is aan te raden als een heidevegetatie verruigd is, en vergrast of vol opslag. Het is de meest effectieve maatregel voor het tegengaan van de gevolgen van vermesting, afgezien van het aanpakken van de bron natuurlijk. Tegen teveel boomopslag helpt begrazing beter; en om van een oude heide weer een paarse heide te maken voldoet maaien of branden.
Er is echter een knelpunt ontdekt bij het plaggen van heidegebieden voor herstel: de maatregel werkt niet goed bij toepassing in verzuurde heiden. Eenmalige bekalking van plagplekken is een methode om dit effect teniet te doen.

Op deze pagina zal enkel ingegaan worden op de maatregel bekalking, zoals die in heiden in het herstelbeheer is toe te passen met name in combinatie met plaggen. Bekalking als maatregel om verzuurde, zwak gebufferde bodem te herstellen wordt besproken onder heischraal grasland. Een beschrijving van het plaggen en de andere beheersmaatregelen die van toepassing zijn in droge heidevegetaties - in relatie tot de aantastingen - geeft de pagina heide en stuifzand.

Bekalking bevordert herstel van heidevegetaties
Met de plaggen worden ook vrijwel alle bacteriën verwijderd van de heidebodem, ook de nitrificerende bacteriën die ammonium omzetten in nitraat; zie ook ammoniumvergiftiging. Waarschijnlijk hoopt zich daarom in een aantal gevallen na het plaggen van heide veel ammonium op, terwijl er weinig nitraat aanwezig is. De combinatie van een hoge ammonium/nitraat verhouding met een zure bodem is rampzalig voor veel plantensoorten. Met name soorten van zeer licht gebufferde omstandigheden kunnen daar niet tegen; zoals Heidebrem (Genista) soorten en Tandjesgras (Danthonia decumbens). Een eenmalige lichte bekalking na het plaggen voorkomt te zure omstandigheden, stimuleert de omzetting van ammonium in nitraat en vermindert de beschikbaarheid van aluminium. Bekalking van verzuurde heidegrond schept dus geschikte condities voor de kieming en vestiging van karakteristieke plantensoorten. In sommige terreinen zijn na deze behandeling karakteristieke Rode lijst-soorten teruggekomen, de meeste na een jaar, maar sommige zelfs nog na 10 jaar.

Bekalking wordt soms ook in droge heiden op minerale bodems toegepast met het doel om grondwaterstromingen richting een aangrenzend ven te bufferen (zie zeer zwak gebufferd ven). Dit komt ook vaak de soortenrijkdom van de droge heide ten goede. Bij de Schaopedobbe in Friesland is geconstateerd dat Havikskruiden (Hieracium sp.), Stijve ogentroost (Euphrasia stricta) en Aloëmos (Aloina aloides) hiervan profiteren.
Bovengenoemde effecten treden vaak ook al op wanneer plaatselijk kalkhoudend materiaal in het gebied wordt aangebracht, bijvoorbeeld in de vorm van schelpenpaadjes of leemverhardingen op wegen. Zie onder droog zandlandschap.

Effecten van bekalken op de fauna nog onduidelijk
De effecten van bekalken van minerale bodems op de faunagemeenschappen zijn vooralsnog onvoldoende bekend. Er zijn onderzoeken uitgevoerd naar de invloed van bekalking op de fauna, maar het ging daarbij om bekalking van humus houdende bodems. Bekalking leidt daar onder meer tot een versnelling van de afbraak van organisch materiaal. Ook beschrijven deze onderzoeken vrijwel allemaal alleen de direct optredende effecten van bekalking op faunagemeenschappen. Op de korte termijn zullen grote schok-effecten in de voedselketen optreden. Algemene soorten die weinig specifieke eisen stellen zullen het snelst profiteren van de bekalking en in de eerste jaren dominant aanwezig zijn. Gunstige effecten voor de karakteristieke heidefauna zijn pas na enkele jaren te verwachten. Veel van de diersoorten die in droge heiden zijn verdwenen of achteruitgegaan zijn gebaat bij een uitbreiding van de meer kruidenrijke droge heide. Daarom is herstel van de zuurgraad en buffercapaciteit van de bodem als gevolg van bekalking op de lange termijn zeer waarschijnlijk gunstig voor de faunagemeenschappen. Met harde gegevens onderbouwde kennis hierover ontbreekt op dit moment echter.

Bekalken van verzuurde delen van heidevelden kan leiden tot een afname van het totaal aan ongewervelde dieren. Dit kan weer leiden tot een afname van insectenetende zoogdieren. Zo bleken de aantallen Dwergspitsmuizen (Sorex minutus) in bekalkte gebiedsdelen met 30-55% af te nemen ten opzichte van onbekalkte controlelocaties. Van onderzoek in bossen is bekend, dat de fauna over het algemeen genomen niet negatief, en vaak positief reageert op bekalking. Positieve effecten van bekalking worden bijvoorbeeld waargenomen bij slakken en andere dieren die relatief veel kalk bevatten. Vervolgens profiteren Koolmezen van de bekalking: ze nemen meer kalk op en de problemen met eischaalvorming die bij kalkgebrek optreden, verminderen. Voor andere groepen, zoals loopkevers en spinnen, zijn de effecten van bekalking negatief. Karakteristieke loopkeversoorten worden bijvoorbeeld verdrongen door zeer algemene soorten of door andere kevergroepen. Bij de bodemfauna zoals springstaarten, nematoden en regenwormen, worden aanzienlijke verschuivingen binnen de groepen waargenomen na bekalking. Bekalking bleek met name gunstig voor pioniersoorten van de bodemfauna.

Verzuurde droge heide bekalken na plaggen
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.
Op de heide is bekalking als subsidiabele OBN maatregel alléén toegestaan na plaggen. Voor een beschrijving van het plaggen, zie onder heide en stuifzand. Voor het tegengaan van ammoniumvergiftiging na plaggen, volstaat een eenmalige gift van 1000 kg/ha poedervormige Dolokal, eventueel in combinatie met mergel. Bij het bekalken van inzijggebieden van vennen wordt vaak een hogere dosis gebruikt. Soms lost de kalk dan moeilijk op en blijft op de bodem liggen. Dit leidt tot grote veranderingen in de moslaag; vaak gaan dan Knikmossen (Bryum spp), Krulmos (Funaria hygrometrica) en Purpersteeltje (Ceratodon purpureus) overheersen, maar ook meer bijzondere soorten zoals Oranjesteeltje (Bryoerythrophyllum recurvirostre). Het toevoegen van meer kalk is in die situaties zinloos.

Met bijdragen van:
Joost Vogels & Emiel Brouwer, juli 2007 .

Literatuur:
Aptroot, A. & K. van Herk (2005). Herstel van korstmossen op de heide. De Levende Natuur 106-5, pp.232-234.

Bobbink, R., E. Brouwer, J.G. ten Hopen & E. Dorland (2004). Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. In: Van Duinen e.a. (eds.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit. 15 Jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur.. pp. 33-70. Expertise Centrum -LNV, Ede.

De Graaf, M.C.C., P.J.M. Verbeek, M.J.R. Cals & J.G.M. Roelofs (1994). Effectgerichte maatregelen tegen verzuring en eutrofiëring van matig mineraalrijke heide en schraallanden. Eindrapport monitoringsprogramma eerste fase, Vakgroep Oecologie, Werkgroep Milieubiologie KUN, Nijmegen, 248 pp..

De Graaf, M., P. Verbeek, S. Robat, R. Bobbink, J. Roelofs, S. de Goeij & M. Scherpenisse (2004). Lange-termijn effecten van herstelbeheer in heide en heischrale graslanden. Rapport 2004/288-O, Expertise Centrum-LNV, Ede. 219 pp.

De Molenaar, J.G. (1995). Functioneren en beheren van heide. Basisrapport heide 4. IBN-DLO, Wageningen, 44 p.

Dorland, E., R. Bobbink & E. Brouwer (2005). Herstelbeheer in de heide: een overzicht van maatregelen in het kader van OBN. De Levende Natuur 106 (5): 204-208.

Stumpel, A.H.P., (2004). Reptiles and amphibians as targets for nature management. Thesis. Alterra scientific contributions 13. Alterra Green world research, Wageningen. 211pp.

Stuijfzand, S., C. van Turnhout & H. Esselink (2004). Gevolgen van verzuring, vermesting en verdroging en invloed van herstelbeheer op heidefauna. Rapport EC-LNV nr 2004/152 O. 169 pag. + 9 Bijlagen

Van Turnhout, E. Brouwer, M. Nijssen, S. Stuijfzand, J. Vogels, H. Siepel & H. Esselink,
2006. Herstelmaatregelen in heideterreinen. Samenvatting OBN-onderzoek en richtlijnen met betrekking tot de fauna. Onderzoekconsortium van Stichting Bargerveen, Afdeling Dierecologie - Radboud Universiteit Nijmegen, VOFF, B-ware & Alterra. Uitgave Expertise Centrum-LNV, Ede.

Van Turnhout, C.A.M., S.C. Stuijfzand & H. Esselink (2001). Is het huidige herstelbeheer toereikend voor de heidefauna? De Levende Natuur 102 (4): 183-188.

Verstegen, M.A.J.M., H. Siepel, A.H.P. Stumpel & H.A.H. Wijnhoven (1992). Heide en heidefauna: indicaties voor het beheer. Rapport no. 92/26, IBN-DLO, Arnhem, 112 pp..

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website