Pad: Natuurtypen / Droge heiden (N07) / Droge heide (N07.01) / Inleiding heide & stuifzand / Regulier beheer

BEHEER EN INRICHTING:

Maatregelen voor heide en stuifzand
Doelen en kenmerken van herstelbeheer en regulier beheer in heiden
Plaggen
Chopperen
Richtlijnen voor het plaggen
Werkwijze bij het plaggen van heiden en stuifzanden
Maaien en afvoeren
Aanbevelingen voor het maaien
Werkwijze bij maaien en van heiden en stuifzanden
Begrazing
Aanbevelingen voor begrazing
Werkwijze bij begrazing en van heiden en stuifzanden
Branden
Voor- en nadelen van branden
Herintroductie toepassen?
Plekjes kaal zand maken door te ‘rommelen'?


Maatregelen voor heide en stuifzand

Voor het ontwerpen van een gedegen beheersstrategie op het niveau van natuurtypen zoals natte heide, droge heide enzovoort is het nodig een onderscheid te maken tussen regulier beheer, herstelbeheer en eventueel ook nog inrichting. Binnen deze website gebeurt dat via subpagina's zo specifiek mogelijk per natuurtype. Op déze pagina echter, over heide- en stuifzandlandschappen op landschapsniveau, beschrijven we beheersmaatregelen in detail los van de insteek via de drie soorten strategieën. Het gaat hierbij om maatregelen die meer algemeen in heide- en stuifzandlandschappen worden toegepast, en voor een deel zowel worden gebruikt binnen het reguliere beheer als binnen het herstelbeheer.

Doelen en kenmerken van herstelbeheer en regulier beheer in heiden

Zowel bij herstel als bij regulier beheer is in het algemeen de biodiversiteit een nagestreefd doel. Het gaat er uiteraard niet om dat er zich zo veel mogelijk onkruiden of verstoringsindicators in de heide vestigen. Gewenst is dat pioniersoorten op elk moment in een heidegebied voorkomen, omdat ze zich anders van ver opnieuw moeten vestigen. Verder is het zaak dat soorten die een ecologische continuïteit van de heide vereisen kansen krijgen. Biodiversiteit van karakteristieke heidesoorten gaat grotendeels samen met een diversiteit in milieutype. In het herstelbeheer in heide- en stuifzandlandschappen staat het tegengaan van de negatieve effecten van ver-factoren centraal en het herstellen van essentiële ecologische processen. Om voldoende effect te sorteren zijn herstelmaatregelen vaak grootschalig en drastisch. Daarbij kan een vervlakking van de milieudiversiteit van het systeem optreden: een ongewenst, maar vaak niet te vermijden neveneffect.
Uiteraard hebben de beheersers die herstelprojecten in aangetaste heide- en stuifzandlandschappen toepassen een succes voor ogen. Dus streven de beheerders ernaar de negatieve effecten van het herstelbeheer zoveel mogelijk te beperken, zowel door goede planning alsook door zorg bij de uitvoering van de maatregelen. Gedegen vooronderzoek voorkomt daarbij dat in de aangetaste gebieden nog aanwezige restanten van waardevolle flora en fauna verdwijnen. Gebieden die vanuit floristisch oogpunt hun waarde volledig kwijt zijn geraakt, blijken vaak bij nader onderzoek kwetsbare relictpopulaties van zeldzame korstmossen, paddenstoelen, insecten of reptielen te herbergen. Wanneer het vooronderzoek zulke populaties heeft vastgesteld, kan in hun belang bijvoorbeeld de maatregel kleinschaliger of meer gefaseerd worden uitgevoerd of kunnen daaraan grenzende delen van het gebied eerst worden hersteld. Wanneer vervolgens aantoonbaar herstel van kwetsbare populaties in die delen heeft plaatsgevonden, kunnen de eerst gespaarde deelgebieden eventueel alsnog aangepakt worden.

In het reguliere beheer van heide- en stuifzandlandschappen staat behoud en herstel van de aanwezige ruimtelijke variatie en de karakteristieke soortendiversiteit centraal. Regulier beheer richt zich hoofdzakelijk op het behoud van de in een gebied aanwezige natuurwaarden. In heide- en stuifzandlandschappen concentreert het zich op het tegengaan van natuurlijke successie en van de vervlakkende invloed van de ver-factoren of eerder uitgevoerd grootschalig herstelbeheer. Voor een goed effect is een kleinschalige wijze van uitvoeren noodzaak. Het reguliere beheer van heide- en stuifzandlandschappen komt min of meer neer op een voortzetting van de activiteiten die er vroeger gebruikelijk waren. De sleutel is hierbij variatie; heideboeren gebruikten de heide voor veel meer dan alleen voor het steken van plaggen. Maaien, extensief begrazen, branden en zand/leemwinning zijn maar een paar voorbeelden van activiteiten die vroeger veelvuldig op de heide werd toegepast.
Een deel van de maatregelen worden ook bij het herstelbeheer ingezet, maar dan in intensievere vorm en meer grootschalig.

Plaggen

Doel van het afplaggen of kortweg plaggen is het afvoeren van voedingsstoffen om vermesting te bestrijden en soms ook om pioniersituaties te herstellen. Plaggen is de meest rigoureuze vorm van verwijdering van voedingsstoffen. Met de vegetatie en humeuze toplaag verdwijnen vrijwel alle voedingsstoffen die zich in de loop der jaren in een systeem hebben verzameld. Bij plaggen wordt het gehele organische deel van het bodemprofiel tot op de minerale bodem verwijderd, en daarmee verdwijnt op die plek ook vrijwel al het plant- en dierenleven. Voor het herstel van een floristisch soortenrijke heide is na het plaggen een aanvullende bekalking nodig, kijk hiervoor onder droge heide.

Plaggen is vooral een geschikte methode om jongere heidestadia terug te krijgen. De pioniers onder de planten en dieren reageren veelal positief op de maatregel. Echter, veel mossen, korstmossen en paddenstoelen en de meeste dieren van de heide zijn gebonden aan oudere, niet vergraste heidestadia. In heidegebieden waar het plaggen is toegepast voor het herstel hebben vooralsnog deze soorten vooral negatief gereageerd op de ingreep, enerzijds omdat populaties van soorten zijn verdwenen en de vegetatiestructuur eenvormiger wordt. Het effect is echter vooral negatief geweest omdat geplagde delen van het landschap door de hoge stikstofdepositie weer zijn vergrast voordat ze geschikt werden voor de genoemde soortgroepen.

Vooral op grootschalig geplagde heide ontwikkelde zich een vegetatie met weinig plant- en diersoorten. Sommige soorten, de Adder (Vipera berus) bijvoorbeeld, handhaven zich beter in sterk vergraste heiden dan in geplagde, eenvormige Struikheivegetaties. Enerzijds vindt de Adder in vergraste heidelandschappen meer voedsel, met name muizen. Anderzijds is daar een betere vochtregulatie mogelijk omdat het microklimaat er meer afwisseling vertoont door variatie in het microreliëf en het lokaal voorkomen van hoge dichte graspollen.

Chopperen

Chopperen is iets minder rigoureus in vergelijking tot plaggen. Het is een soort tussenvorm tussen grofweg heel kort maaien en ondiep plaggen. Daarbij wordt zoveel mogelijk vegetatie en een deel van het strooisel verwijderd en afgevoerd. Chopperen is een goed alternatief voor het afplaggen op plaatsen waar de strooisellaag dunner is dan twee centimeter.

Richtlijnen voor het plaggen

De wijze en schaal waarop het plaggen wordt uitgevoerd zijn bepalend voor de resultaten. Hoewel dan in het totaal wat minder voedingsstoffen worden afgevoerd, is het gunstig om bij het afplaggen hier en daar een dun strooisellaagje te handhaven. Op die manier blijft een groter deel behouden van de zaadbank van hogere planten en van de bodemfauna, bijv. mijten en springstaarten. Ook populaties van nitrificerende bacteriën kunnen zich na ondiep plaggen snel herstellen, waardoor minder snel ammoniumvergiftiging van planten zal optreden. De gedeelten waar wel tot op de minerale bodem wordt geplagd, zijn van groot belang voor de warmteminnende fauna en voor korstmossen van heide.

De negatieve effecten van grootschalig plaggen zijn te verminderen door de oppervlakte die in een keer bewerkt wordt te beperken tot maximaal 100 m2, door daarbij stroken met een omlooptijd van 10 tot 20 jaar te plaggen, en ervoor te zorgen dat het reliëf van de bodem zo veel mogelijk behouden blijft. Ideaal is als de plekken met kaal zand die als gevolg van het afplaggen ontstaan, een kleinschalig mozaïek vormen met plekken die begroeiingen dragen van allerlei successiestadia. Zulke plekken kaal zand bieden veel karakteristieke diersoorten de mogelijkheid om bijvoorbeeld hun eieren af te zetten of naar voedsel te zoeken. Bovendien krijgen karakteristieke korstmossen en plantensoorten van voedselarme milieus zo de beste nieuwe vestigingskansen.

Door voorafgaand aan het plaggen de uitgangssituatie vast te leggen, is beter met bedreigde en karakteristieke plant- en diersoorten rekening te houden. Zo kunnen bijv. overwinteringsplaatsen van de Adder worden ontzien.

Werkwijze bij het plaggen van heiden en stuifzanden

in vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randwvoorwaarden en werkwijzen

Plaggen als maatregel heroverwegen of zoeken naar alternatieven indien:

Maatregel zeer zorgvuldig uitvoeren en schaal en wijze van uitvoering aanpassen aan specifieke terreineigenschappen indien:


Maaien en afvoeren

Bij maaien in heiden en stuifzanden gaat het om het eenmalig afmaaien van het bovengrondse deel van de vegetatie, waarbij het materiaal altijd wordt afgevoerd. In het beheer gebruikt men deze maatregel om het systeem te verschralen en daarmee de effecten van vermesting tegen te gaan.
Maaien vertraagt de vorming van een dikke strooisellaag. Maaien heeft net als plaggen als nadeel, dat er eenvormige vlakken kunnen ontstaan met scherpe grenzen tussen gemaaide en niet gemaaide delen. Daarmee gaat de variatie in vegetatiestructuur en microklimaat achteruit. Maaien bevordert het vormen van een lage, dichte vegetatie zónder open plekken met kale bodem. Bij gebruik van grote zware maaimachines vervlakt het microreliëf van de bodem. Vooral op natte bodems in natte vegetaties kunnen mos- en korstmosvegetaties tijdens het maaien zwaar beschadigd worden. Bij het maaien worden relatief weinig voedingsstoffen afgevoerd. Maaien is dus alleen zinvol in niet te sterk vermeste situaties, bijvoorbeeld in gebieden met een dunne strooisellaag of met een structuurarme Struikheivegetatie. Bij het maaien en afvoeren wordt het grootste deel van de fauna van de standplaats afgehaald.

Een onderzoek naar de invloed van eenmalig maaien van droge en natte heide in het groeiseizoen op ongewervelde heidefauna, toonde voor de korte termijn deels geen, en deels negatieve effecten aan. In gemaaide delen van de droge heide kwamen drie jaar na eenmalig maaien minder loopkevers, kortschildkevers, lieveheersbeestjes en snuitkevers voor dan in niet gemaaide delen. Bij sprinkhanen zijn de gevolgen afhankelijk van o.a. verschillen in maaitijdstip en de uitgangssituatie van de vegetatie. Als het maaien bijvoorbeeld resulteert in een korte vegetatie in het voorjaar, is dit gunstig voor soorten die hun eieren in of op de bodem afzetten. Indien ná de eilegperiode wordt gemaaid, ondervinden sprinkhanen die hun eieren in de vegetatie afzetten hier nadeel van, aangezien de eieren met het maaisel verdwijnen.

Aanbevelingen voor het maaien

Omdat het maaien in heiden en stuifzanden eenvormigheid bewerkstelligd en grasachtige planten bevordert bij een structureel maairegime, is het alleen af en toe toepasbaar. Gefaseerd maaien is een mogelijkheid om die nadelen van vlakdekkend maaien te omzeilen. Eerste experimenten in graslanden wijzen op een positieve reactie van veel diergroepen op gefaseerd maaien, bijv. van mieren, kortschildkevers, snuitkevers, spiegelkevers en hooiwagens.

Goed is voorafgaand aan een maaibeurt de voor karakteristieke soorten geschikte terreindelen op te sporen zodat men ze bij het maaien kan sparen en eventueel daaraan grenzende delen uit kan kiezen als alternatieve maailocatie. Er bestaat bijv. de kans op opsporing van concentraties van Zandhagedissen, overwinteringsplekken van Adders en ei-afzetplekken van Gentiaanblauwtjes.

Werkwijze bij maaien en van heiden en stuifzanden

in vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randwvoorwaarden en werkwijzen

Maatregel heroverwegen of zoeken naar alternatieven indien:


Begrazing

Begrazingsbeheer heeft twee hoofddoelen: het eerste doel is verschraling door een afvoer van voedingsstoffen. Het gaat hierbij om een vorm van herstelbeheer. Het tweede doel is het laten ontstaan van mozaïeklandschappen met een grote afwisseling in vegetatiestructuur. Dan gaat het om regulier beheer of zogenoemd vervolgbeheer dat wordt toegepast in aansluiting op herstelbeheer of een inrichtingsproject.

Voor een effectieve afvoer van voedingsstoffen door begrazing zijn zeer hoge veedichtheden nodig. Zelfs bij hoge veedichtheid is de hoeveelheid voedingsstoffen die wordt afgevoerd echter zeer gering in vergelijking met andere vormen van beheer. Hoge veedichtheden zijn nadelig voor veel planten en vooral dieren van de heide, onder meer omdat het leidt tot het verdwijnen van structuurvariatie en bemesting van open plekken omdat het vee daar rust. Vooral voor de heidefauna die afhankelijk is van een goed ontwikkelde variatie in vegetatiestructuur is intensieve begrazing ongunstig.

Vergelijkend veldonderzoek heeft aangetoond dat begrazing door schapen op een termijn van enkele jaren geen effectieve maatregel lijkt om karakteristieke heidesoorten te behouden. In intensief door schapen begraasde heidegedeelten, met 100 graasdagen per ha per jaar, waren minder loopkevers, kortschildkevers (in droge heide) en hangmatspinnen (in natte heide) aanwezig dan in niet begraasde delen. Het overgaan op een begrazingsbeheer met dichtheden van één rund per 4-5 ha jaarrond resulteerde na één tot twee jaar in het geheel open breken van gesloten vegetaties. Verder veranderden daardoor bulten van Pijpenstrootje in afgekloven polletjes, waren hoge oude Struikheiplanten uit elkaar getrapt en afgebroken en werden bomen geheel ‘opgeschoren' door vraat. Alle dekkingsmogelijkheden voor de fauna, in de vorm van afhangende takken, dichte vegetaties en een dikke ongestoorde strooisellaag, verdwenen zo uit het terrein. Dieren en planten zoals reptielen en levermossen drogen onder zulke omstandigheden in begraasde heiden en stuifzanden uit bij gebrek aan beschutting en koele plekjes. In de Mariapeel bleken Levendbarende hagedissen vrijwel uitsluitend aanwezig te zijn in een smalle strook structuurrijke heide die zich net buiten het raster van het begraasde deel bevond. Dit ‘vluchtstrookverschijnsel' is volgens deskundigen langs veel meer begraasde heideterreinen waargenomen.

Begrazing kan binnen een raster gebeuren of begeleid door een herder. In het huidige beheer is begrazen binnen een raster meer gebruikelijk - de versnippering van de heiden en stuifzanden heeft dat in de hand gewerkt. Vanuit historisch oogpunt is deze vorm van begrazing echter gebiedsvreemd, want vroeger werden de heide- en stuifzandlandschappen begraasd door kudden van koeien en schapen die onder de hoede stonden van herders. 's-Nachts stond het vee in de potstal zodat de mest daar terecht kwam in plaats van ergens op de heide. De potstal vormde de spil in het oude landbouwsysteem van heidegronden: het organische materiaal van de heide voedde de akkers. De herders trokken met de kuddes telkens naar nieuwe weidegronden en konden zo overbegrazing voorkomen. De negatieve effecten van de huidige begrazing van heiden hebben mogelijk vooral te maken met de toepassing binnen rasters. Hierover ontbreekt het echter op dit moment aan kennis, onderzoek hiernaar is dan ook gewenst.

Het is zeer waarschijnlijk dat voor veel dieren en korstmossen begrazing met hoge veedichtheden een directe negatieve uitwerking heeft. Als de betredingsintensiteit hoog is en de bovengrondse biomassa 2 tot 3 maal per jaar grotendeels wordt weggegraasd zoals dat bij hoge veedichtheden gebeurt, zullen veel van de diersoorten achteruitgaan die in die periodes een ontwikkelingsstadium in de bodem of in/op plantenstengels doorlopen. Planten die begraasd worden zullen op geringere hoogte gaan vertakken. Daardoor wordt bij begrazing de vegetatie even boven het bodemoppervlak dichter, ook bij extensieve begrazing. Hierdoor dringt de zon niet door op de bodem, kan de bodem niet voldoende opwarmen voor de ontwikkeling van eieren en larven van warmteminnende dieren en ontbreken geschikte plekken voor veel korstmossen. Als gevolg van de hoge betredingsdruk zal het microreliëf van de bodem verdwijnen.

Daarnaast is het zeer de vraag in hoeverre verschraling daadwerkelijk effectief tot stand kan worden gebracht met deze vorm van herstelbeheer. Kiest men echter toch hiervoor, dan zijn de negatieve effecten te beperken door deze ‘herstelbegrazing' tijdelijk toe te passen in kleine uitgerasterde delen van het terrein die ná elkaar, en dus niet tegelijk, in begrazing worden genomen. Een andere optie is, om te kiezen voor een begrazing door een kudde met herder. De herder kan de graasdruk gericht sturen, en ervoor zorgen dat kwetsbare delen van het gebied gespaard blijven terwijl andere delen juist sterker begraasd worden. Door de dieren iedere nacht op een vaste locatie te ‘parkeren' is de hoeveelheid mest die in het gebied terecht komt te beperken.

Een belangrijk punt bij begrazing is het gebruik van veemedicijnen. Het gebruik van ontwormingsmiddelen (met name Ivermectine) bij in de natuurgebieden grazend vee heeft geleid tot sterke achteruitgang van grote mestkevers en andere insectensoorten die van mest leven. Deze diersoorten spelen van nature een grote rol in het voedselweb van het heidesysteem. Ze hebben een functie als afvalverwerkers en dienen als prooi voor insectenetende vogels en zoogdieren. In welke mate het gebruik van diergeneesmiddelen doorspeelt in het voedselweb, moet nog nader onderzocht worden. Vooralsnog wordt echter afgeraden om voorzover de maatschappelijke belangen dat toestaan, geen diermedicijnen in natuurterreinen te gebruiken.

Aanbevelingen voor begrazing

Begrazing in hoge dichtheden kan alleen plaatsvinden wanneer zeker is dat hiermee geen schade wordt berokkend aan aanwezige karakteristieke populaties. In de praktijk betekent dit dat intensieve begrazing alleen op natuurontwikkelingsterreinen toegepast kan worden, zoals voormalige akkerpercelen. Met begrazing zijn percelen met een bemeste landbouwvoor echter onvoldoende te verschralen, niet genoeg om heidevegetatie te verkrijgen. Is het doel een heide, dan zal eerst de bouwvoor of een groot deel ervan verwijderd moeten worden. Soms is zelfs de grond daaronder te fosfaatrijk geworden voor heide. Grazers kunnen vervolgens de rest van de klus klaren. Begrazing met als oogmerk variatie aan te brengen in de mate van verschraling kan alleen in relatief lage dichtheden worden toegepast en bij voorkeur onder leiding van een deskundige herder.

Door voorafgaand aan het begrazen de uitgangssituatie vast te leggen, kunnen de veranderingen zoals reacties van populaties van bedreigde en karakteristieke soorten goed worden gevolgd. Goed is om plekken met kwetsbare relictpopulaties buiten de begrazing te houden door ze - tijdelijk - uit te rasteren.

Werkwijze bij begrazing van heide en stuifzanden:

in vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randwvoorwaarden en werkwijzen

Maatregel heroverwegen of zoeken naar alternatieven indien:


Branden

Het opzettelijk verbranden van de vegetatie, kortweg branden, kan worden toegepast in het reguliere beheer. Het is mogelijk nuttig bijvoorbeeld voor het verhogen van de voedingswaarde van heideplanten, om meer afwisseling in het landschap te krijgen of bij veel dode staande biomassa, als voorbereiding op begrazing. Branden is eventueel ook te gebruiken als een maatregel voor herstelbeheer. Als het branden intensief gebeurt, resulteert de maatregel namelijk in een afvoer van voedingsstoffen en in een vergroting van het aandeel dat de kale, minerale bodem inneemt in de totale oppervlakte.

In Nederland is het branden als maatregel in het beheer van heideterreinen jarenlang onderbelicht gebleven. Het werd algemeen aangenomen dat het branden als traditionele gebruiksvorm in onze heiden nauwelijks enige betekenis had, omdat het merendeel van de heidevegetatie door middel van plaggen in stand gehouden werd. Nu de kennis over de invloed van het gebruik van plaggen in het traditionele landbouwsysteem op het Nederlandse heidesysteem is gegroeid, verdient deze iets minder rigoureuze maatregel wat meer aandacht. Van onze buurlanden is bekend dat de boeren vroeger de heiden regelmatig brandden in het belang van het grazende vee. Van de buitenlandse heideregio's is de Lüneburger heide in Duitsland wellicht het best vergelijkbaar met de Nederlandse heidesystemen. In dat natuurreservaat wordt brandbeheer al jaren toegepast als vorm van regulier beheer.

Voor- en nadelen van branden

Wanneer een heideveld gebrand wordt, leidt dit via de as tot een kortstondige opleving van de voedingswaarde die de standplaats heeft voor de heideplanten. Belangrijke elementen als K, Mg, Ca, Na, en in belangrijke mate N en P bleken enkele jaren na brand in verhoogde concentraties in de verjongende heideloten aanwezig.

Bij het verbranden van de staande biomassa gaan een deel van voedingsstoffen in rook op, maar de hoeveelheid die daarbij verdwijnt is gering. Om een effectieve verwijdering van voedingsstoffen te bewerkstelligen, dient behalve de bovengrondse vegetatie ook een groot deel van de opgebouwde organische laag uit het systeem te verdwijnen. Dit is mogelijk bij branden, maar het gebeurt alleen wanneer de brand op een zeer intensieve wijze verloopt. Bij intensieve branden met hoge temperaturen sterven ook de ondergrondse delen van de heidestruiken af. De planten moeten zich na zulk een brand dus opnieuw vanuit de zaadbank vestigen. De hoge temperaturen van een dergelijk intensieve brand kunnen echter leiden tot sterilisatie van heidezaden. In zulke gevallen kunnen na de brand grassen gaan overheersen.

Branden is net zoals plaggen een rigoureuze ingreep omdat het ter plekke de vegetatie vernield en de flora- en faunagemeenschap zich aan de plotseling veranderde omgeving moet aanpassen. De populaties van korstmossen, wolfsklauw-soorten (Lycopodium), jeneverbessen en veel diersoorten kunnen worden vernietigd. De meeste studies naar de korte termijn effecten van branden op faunagemeenschappen stellen grote verschuivingen vast in met name de aanwezige faunagemeenschappen. In de eerste jaren na het branden treden vaak algemene, mobiele en concurrentiekrachtige diersoorten

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website