Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Zuur ven of hoogveenven (N06.06) / Zuur ven / Herstelbeheer

Zuur ven

Inhoud van deze pagina

HERSTELBEHEER
Doelen en kansen
Herstel van zure vennen
Herstelbeheer, groot- of kleinschalig
Herstelbeheer, aanpak
Rekening houden met interne variatie
Vennen met hoogveenachtige vegetatie
Verwijderen van de sliblaag
Plaggen van de oever
Bij oevers plaggen fauna aandacht geven
Voorlopige adviezen bij het plaggen in het belang van de fauna
Herstellen van grondwaterstromen
Begrazen
Herintroductie
Samenvatting van technische uitvoering herstelbeheer vennen
Met bijdragen van
Literatuur
 

Doelen en kansen
De water- en oevergemeenschappen van de voedselarme milieus van vennen zijn over het algemeen waardevoller voor de flora en fauna dan die van voedselrijke milieus. Ze zijn echter sterk achteruitgegaan en overal bedreigd. In veel vennen is meer nodig dan regulier beheer om de natuurwaarden - de oorspronkelijke soortenrijkdom - en landschapswaarden te herstellen. Door toepassing van specifiek op venherstel gerichte maatregelen is in recente tijd het aantal locaties en de oppervlakte van oorspronkelijke venvegetaties weer aanzienlijk vergroot. Het eerste grote succes werd geboekt bij de grootschalige restauratie van het Beuven rond 1985. Vanaf 1989 volgden andere projecten. Sommigen zijn goed geslaagd, anderen hadden minder goed resultaat. De verschillende vormen van aantastingen treden in vennen vaak in gecombineerde vorm op. Voor maatregelen op maat is eerst een goede diagnose van de problemen nodig. Voor het maken van de juiste diagnose voor vennen en het kiezen van het beste daarbij passende pakket aan EGM maatregelen is een vennensleutel ontwikkeld.(zie horizontale balk op de homepagina van deze website).

Herstel van zure vennen
Voor het herstel van zure vennen zijn maatregelen tegen vermesting en verdroging nodig. In het geval van vermesting is het belangrijk om onderscheid te maken tussen vennen die alleen vermest zijn door stikstofaanvoer uit de lucht en vennen waar ook fosfaataanvoer heeft plaatsgevonden.
In regenwaterafhankelijke, zure vennen die vermest zijn door stikstofaanvoer vanuit de lucht, is het weinig zinvol om de sliblaag te verwijderen. In vennen van dit type bevinden zich vrijwel geen plantensoorten die hiervan kunnen profiteren. Wel kan het plaggen van oevers goed zijn om natte heide een kans te geven. Verwijderen van het slib kan zinvol zijn indien zich daar door vermesting vanuit de omgeving veel fosfaat heeft opgehoopt. Dan komt er een einde aan de nalevering van fosfaat vanuit het slib die een negatief effect op herstelde oevers heeft. In met fosfaat verontreinigde vennen kan zich bijvoorbeeld een pitrusvegetatie uitbreiden. Botanisch is die soortenarm en nauwelijks van waarde, maar ze kan bijzondere diersoorten herbergen. Een goed voorbeeld is de zeldzame waterkever Laccophilus poecilus, die in intacte hoogvenen in het veenmosdek leeft, maar in Nederland vooral voorkomt in dichte pitrusvegetaties. Voor de fauna is het dus beter om pitrusvegetaties niet helemaal weg te halen.

In met grondwater gevoede zure vennen is het vooral van belang om de kwaliteit en kwantiteit van de grondwatertoevoer te herstellen. Als een ven zich bevindt op een schijngrondwaterspiegel die in stand gehouden wordt door wateraanvoer uit een betrekkelijk klein inzijggebied, is dit herstel relatief makkelijk. In het inzijggebied kunnen bomen worden gekapt, naaldbos worden omgevormd tot loofbos, ontwateringen ongedaan gemaakt worden en landbouwinvloeden worden geweerd. Ook kan het gunstig zijn om het inzijggebied licht te bekalken, zodat de aanvoer van kooldioxide naar het ven toeneemt. Hiervoor is echter enig vooronderzoek en de hulp van een expert nodig. In sommige gevallen is de waterstand in het ven zo hoog opgestuwd dat dit de grondwatertoevoer belemmert. Dan kan het zinvol zijn de waterstand iets te verlagen om de grondwateraanvoer te stimuleren.
Een andere maatregel in met grondwater gevoede zure vennen is het binnen het vensysteem kleinschalig verwijderen van bos, plaggen, baggeren en evt. maaien. Dit met het doel om de structuurvariatie in het systeem te vergroten, zodat de hele reeks van open water, begroeid water, helofyten, hoogveenverlanding en eventueel struweel in een kleinschalig mozaïek kan blijven voortbestaan.

Herstelbeheer, groot- of kleinschalig
Voorafgaand aan het vastleggen van doelen en het nemen van herstelmaatregelen is enige voorbereiding nodig. Eerst is het zaak uit te zoeken wat de actuele waarde van het gedegradeerde ven is waarvoor herstelbeheer wordt overwogen. Als het ven in zijn huidige verschijning nauwelijks natuurwaarde heeft, verdient een grondige ingreep, gericht op herstel van de oorspronkelijke standplaatscondities van het systeem de voorkeur. Ook een grootschalige ingreep, op de schaal van een volledig ven, is dan geen bezwaar zover het de actuele natuurwaarden betreft. Locaties zonder actuele natuurwaarden die in aanmerking komen voor grondig herstelbeheer zijn bijvoorbeeld gedempte of gedraineerde vennen die in gebruik zijn als landbouwgrond.
Er zijn ook aangetaste vensystemen waarin veel van de oorspronkelijke elementen van het ven bewaard zijn gebleven. In een aantal vensystemen zijn de oorspronkelijke elementen vervangen door andere vormen van waardevolle natuur. In deze gevallen is het zaak een afweging te maken tussen de kansen op een geslaagd herstel en de risico's van grootschalig herstelbeheer. Bij een grootschalige ingreep gaat de actuele flora en fauna verloren en bestaat het risico op het verlies van soorten en dus natuurwaarden. Het is mogelijk dat in het belang van de aanwezige natuur helemaal wordt afgezien van de toepassing van een beheer dat gericht is op herstel van de oorspronkelijke situatie.
Bij een herstelbeheer op de schaal van een volledig ven zijn de mogelijkheden om de standplaatscondities te herstellen groter dan in geval van een ingreep op kleinere schaal. Herstelbeheer op de schaal van een heel ven kan daarom ook een goede keuze zijn in situaties waar weinig te verliezen valt. Dat kunnen voormalige vennen zijn of sterk vermeste vennen, of het kan een ven zijn dat in een terrein ligt met veel soortgelijke vennen. Ook vennen waar de natuur recentelijk is geïnventariseerd en waar uit dit vooronderzoek blijkt dat er echt geen kwetsbare flora of fauna meer aanwezig is komen in aanmerking voor een dergelijke ingreep.

In veel gedegradeerde vennen zijn gelukkig nog allerlei bijzondere elementen aanwezig. In zulke vennen is herstelbeheer op kleinere schaal te overwegen: een opschoning met uitsparen van kwetsbare en waardevolle restbiotopen. Veelal gaat het bij de waardevolle elementen om flora en fauna uit de latere successiestadia van het vensysteem. De gedegradeerde vennen zijn vaak vennen met veel organisch materiaal op en in de bodem, met verlandingsstadia, planten met drijfbladeren en overgangen naar struweel en broekbos. Er doet zich hier een probleem voor. In het organische materiaal van dergelijke vennen hebben zich veel voedingsstoffen opgehoopt. Als bij een herstelopschoning te weinig van deze voedingsstoffen worden afgevoerd, herstellen zich de karakteristieke pioniergemeenschappen van voedselarme vennen onvoldoende. De voedingsstoffen die zijn opgeslagen in de niet opgeschoonde delen van het vensysteem beïnvloeden dan de wel opgeschoonde delen zodat de voedselarme condities niet terugkeren. Als er echter veel stukken van zulke vennen worden gebaggerd en geplagd, komen de nog aanwezige soorten van latere successiestadia in het gedrang. De opschoning kan dan neerkomen op een verlies van waardevolle elementen dat niet opweegt tegen de waarde van het resultaat van de ingreep. Door zorg vooraf is het risico op zulke schade te verkleinen.
Soms is het moeilijk om vooraf in te schatten wat de positieve en negatieve effecten van herstelbeheer zullen zijn. Het is dan verstandig om in het ven kleinschalig herstel uit te proberen. Je kunt bijvoorbeeld enkele smalle stroken op de oever of in de richting van het midden van het ven plaggen en baggeren. Als dan later meer delen van het ven aangepakt worden, kunnen deze stroken gespaard worden.

Herstelbeheer, aanpak
Om tot een goed herstelplan te komen zijn een aantal voorbereidende inhoudelijke stappen noodzakelijk die we hieronder beschrijven. Zie verder ook de 'Samenvatting van technische uitvoering herstelbeheer vennen'.

Rekening houden met interne variatie
Het is in theorie vrij eenvoudig om de standplaatscondities voor één bepaalde vegetatiestructuur in een ven te herstellen. Het doel van herstelbeheer is echter te terugkeer van een zo groot mogelijk deel van de biodiversiteit en de karakteristieke variatie in een ven. Hoe sterker de aantasting van de oorspronkelijke hydrologie van een ven, hoe kleiner de mogelijkheden en kansen voor herstel van de variatie met al haar gradiënten. Naarmate de vermesting groter is, is tevens de noodzaak groter om grootschalig in te grijpen. Een grootschalige ingreep verkleint de structuurvariatie echter in eerste instantie. In het hierna volgende wordt voor een aantal combinaties van structuurelementen van de vegetatie aangegeven hoe dit dilemma het beste is op te lossen. Bedenk hierbij wel dat er in elk ven nog andere structuren voor kunnen komen die hieronder niet genoemd zijn en toch het behouden waard kunnen zijn. Bijvoorbeeld planten met drijfbladeren en oeverplanten. Zie voor een beschrijving van de structuurelementen de tekst op de websitepagina Vennen.

Vennen met hoogveenachtige vegetatie
De twee belangrijkste doelen bij het herstelbeheer in hoogveenvennen zijn het restaureren van de hydrologie en het verwijderen van ongewenste plantengroei. Restauratie van de hydrologie komt vooral neer op het herstellen van de kwaliteit en kwantiteit van het toestromende grondwater. Daarnaast is het soms nodig om extra maatregelen te nemen die voorkomen dat het waterpeil in de zomer te ver in de grond wegzakt. Verwijderen van plantengroei kan neerkomen op het maaien van Riet, Pitrus (Juncus effusus), Pijpenstrootje en van andere grassen. Ook hoort het verwijderen van bomen en bosopslag of kleinschalig plaggen hierbij.

Verwijderen van de sliblaag
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.
Een zeer veel uitgevoerde maatregel in vennen is het verwijderen van een sliblaag. Het gaat om het verwijderen van de modderlaag tot op de minerale zandbodem of de vaste veenbodem, zonder aantasting van de vorm van het ven en zonder verdieping van het ven.
Sliblagen ontstaan op natuurlijke wijze in vennen als gevolg van het bezinken van allerlei organisch materiaal, met name van water- en oeverplanten en ingewaaid blad. De ophoping van slib verloopt vaak traag, waardoor grote delen van het ven mineraal blijven, soms wel honderden jaren. Door vermesting vindt echter een sterk versnelde slibophoping plaats en in vermeste en verzuurde vennen wordt deze nog extra versneld doordat de afbraak onder zure omstandigheden traag verloopt.
De aanwezigheid van een dikke sliblaag heeft een aantal gevolgen voor vennen. Ten eerste verdwijnen minerale bodems en de flora en fauna die hiervan afhankelijk is. Ten tweede hebben zich in het slib veel voedingsstoffen opgehoopt, deze voedingsstoffen komen uiteindelijk ook in de waterlaag terecht. Ten derde hopen zich in het slib gereduceerde verbindingen op, zoals ammonium, sulfide, pyriet en gereduceerd ijzer. Dit levert een bijdrage aan de buffercapaciteit van het ven, maar leidt bij droogvallen en oxidatie juist tot een snelle verzuring. In vrijwel nooit droogvallende, zeer zachte of vrijwel zure wateren met min of meer steile oevers kan de sliblaag een belangrijke bron van buffering zijn. Indien hier planten of dieren aanwezig zijn die afhankelijk zijn van deze geringe buffering, verdient het aanbeveling om de sliblaag niet of slechts gedeeltelijk te verwijderen of om voor een alternatieve bron van buffering te zorgen.
Het verwijderen van slib kan in natte toestand gebeuren of na leegpompen van het ven. Opschonen in een natte situatie komt neer op baggeren. Onder droge omstandigheden kan nauwkeuriger en efficiënter worden gewerkt. Bovendien wordt de blootkomende zandbodem goed doorlucht, wat de kieming van waterplanten bevordert. Echter, het compleet droogleggen van vennen kan leiden tot het verlies van sommige diersoorten.
Is het niet mogelijk om de oorspronkelijke buffering te herstellen of om verzuring te voorkomen, dan heeft het weghalen van slib geen duurzaam positief effect op de biodiversiteit. Het effect is eerder negatief. Na het verwijderen van sliblagen en overdadige plantengroei treedt doorgaans wel kieming en vestiging op van plantensoorten van gebufferde vennen, maar deze zullen in het zure water weer snel verdwijnen. Het gevolg is dat de zaadbank van deze soorten door de herstelmaatregelen vrijwel wordt uitgeput; iets dat in diverse herstelprojecten helaas al is gebeurd. Het verwijderen van slib heeft pas zin als er tevens voor gezorgd wordt dat het ven daarna niet meteen weer verzuurd en/of vermest raakt.
Indien in droogvallende zure vennen oude dieper gelegen veen- of humuslagen moeten worden verwijderd omdat ze te veel fosfaat bevatten, kan de wegzijging naar de ondergrond toenemen en daardoor enige verdroging optreden. Hier moeten dus vooraf de voordelen (herstellen van voedselarm milieu) worden afgewogen tegen de nadelen (mogelijke verdroging). Ook zijn intacte veenlagen waardevolle bodemarchieven; ze geven vaak inzicht in de vegetatieontwikkeling van de omgeving tijdens de vorming van het veen. Gelukkig zijn intacte veenlagen in vennen zelden rijk aan fosfaat.

Slib geheel of gedeeltelijk verwijderen?

Vaak zal er een afweging moeten worden gemaakt tussen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de sliblaag. Indien een gedeelte blijft zitten, kan dit zich weer snel over het ven verspreiden en kunnen voedingsstoffen uit het slib naar de waterlaag gaan. Het grote voordeel kan zijn dat restpopulaties van flora en fauna kunnen worden gespaard of dat waardevolle vegetatiestructuren (oevervegetaties, verlandingsgemeenschappen, planten met drijfbladeren) behouden kunnen blijven. In vennen met weinig geïsoleerde delen is het vaak onmogelijk om de vermesting te bestrijden en tegelijkertijd meer dan enkele kleine stukjes te sparen. Het kan dan zinvol zijn om de sliblaag in twee fasen te verwijderen en tijdelijk een dam aan te leggen tussen beide delen. In vennen met geïsoleerde delen kunnen juist deze delen worden gespaard of in latere fase worden opgeschoond. Gradiëntversterkende elementen, zoals dammen, ondiepten en helofytenvelden moeten niet zonder meer worden verwijderd. Als ze een hersteloperatie in de weg staan, is het goed om een expert te raadplegen.
In door vermesting en verzuring aangetaste vennen komen vaak nog karakteristieke diersoorten voor. Deze soorten kunnen in de problemen komen als herstelmaatregelen worden uitgevoerd. Indien bekend is welke diersoorten in het ven voorkomen, kunnen de maatregelen worden aangepast om de overlevingskansen van soorten te vergroten. Indien niet bekend is of er nog relictpopulaties van karakteristieke soorten in het ven aanwezig zijn, kunnen vuistregels worden gehanteerd om het ongewenst verdwijnen van soorten te voorkomen; zie onder ‘Voorlopige adviezen bij het plaggen in het belang van de fauna'.

Hoe lang werkt slib verwijderen?

Op dit moment is nog niet geheel duidelijk op welke termijn het verwijderen van de sliblaag weer moet worden herhaald. Er zijn diverse vennen die 15 jaar na opschonen nog slechts een vrij geringe mate van slibophoping te zien geven. Bovendien is recent de stikstofaanvoer uit de lucht vrij sterk afgenomen. We verwachten daarom dat een ven zeker 30 jaar profijt heeft van een goed uitgevoerde verwijdering van de sliblaag die als hersteloperatie is toegepast.

Plaggen van de oever
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Een belangrijk deel van de flora en fauna van vennen is geheel of gedeeltelijk afhankelijk van de oeverzone; ruwweg het gedeelte tussen de gemiddelde laagwaterlijn en de gemiddelde hoogwaterlijn. Door de periodieke overstroming en door de voedselarme omstandigheden, is er van nature vaak een open vegetatiestructuur op ten minste een deel van de oever. Met name door vermesting zijn van oorsprong voedselarme oeverdelen dichtgegroeid met bijvoorbeeld Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Lisdodden (Typha spp.), Riet (Phragmites australis) of Pitrus (Juncus effusus). Door de plantengroei inclusief de voedselrijke toplaag van de bodem te verwijderen, het zogenoemde plaggen, kan de voedselarme situatie worden hersteld. Meestal volstaat het verwijderen van maximaal 1-2 decimeter humeuze bodem tot op de oorspronkelijke zandondergrond. Door zorgvuldig te werk te gaan is het verlies van ruimtelijke overgangen en fauna tegen te gaan.
Sommige vennen kenden in het verleden een soortenrijke oevervegetatie en de waterstand is sindsdien sterk gedaald. Hierdoor bevindt de zaadbank van de doelsoorten zich boven het niveau van de huidige oeverzone. Het is dan beter om de voormalige oeverzone pas te plaggen als het waterpeil is hersteld.

Bij oevers plaggen fauna aandacht geven
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Het plaggen van oevers in vennen met Zonnebaars (Lepomis gibbosus) of in terreinen waar ganzen een probleem vormen voor oevervegetaties is niet altijd zinvol. Deze dieren verhinderen door het omwoelen respectievelijk bemesten van de oever de ontwikkeling van zachtwaterbegroeingen.
De effecten van vrijstellen van oevers op de fauna zijn nog niet onderzocht. Wel hebben diverse faunadeskundigen hierover hun inschatting gegeven in enquêtes en interviews (Stuijfzand et al., 2004). Hier volgen de voorlopige adviezen die zij hebben gegeven ten aanzien van het vrijstellen van oevers en het voorkomen van ongewenste neveneffecten voor de fauna. Let wel, met name in vennen waar ook fosfaataanvoer heeft plaatsgevonden werken niet opgeschoonde delen als bron van hernieuwde vermesting, en moet een keuze worden gemaakt tussen het optimaal sparen van aanwezige fauna en het bestrijden van vermesting.

Voorlopige adviezen bij het plaggen in het belang van de fauna
:


Herstellen van grondwaterstromen
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Zoals voor vrijwel alle natte natuurtypen geldt, is herstel van de hydrologie de belangrijkste herstelmaatregel. Via het grondwater wordt onder meer bicarbonaat, kooldioxide en ijzer aangevoerd, waarmee buffering, voedselarmoede en groei van ondergedoken waterplanten mogelijk worden gemaakt en gradiënten in waterkwaliteit ontstaan.
Het inzijggebied van veel vennen is vaak gedeeltelijk gedraineerd, waardoor er minder grondwater naar het ven stroomt. Bij voorkeur moet deze drainage ongedaan gemaakt worden. Indien dat niet mogelijk is, kan het zinvol zijn om het venpeil te laten zakken tot net onder het grondwaterpeil in het inzijggebied. Op die manier kan er toch weer grondwater naar het ven toestromen en de voordelen van toestromend grondwater zijn vaak veel groter dan de nadelen van een iets lager venpeil.
Indien het grondwater inmiddels belast is met nitraat, sulfaat of fosfaat, heeft het meestal geen zin om de toestroming van dit grondwater te stimuleren. Bekijk dan eerst of er door wijzigingen in het inzijggebied iets aan de vervuiling gedaan kan worden. Vaak zal er een specialist nodig zijn om een goede afweging te kunnen maken tussen de nadelen van vervuiling en de voordelen van toestroming van bijvoorbeeld bufferstoffen, kooldioxide en/of ijzer.

Begrazen
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Begrazing kan de opslag van oevergewassen en struweel tegengaan en dus bijdragen aan succesvol venherstel. Er zijn echter ook omstandigheden waaronder begrazing vooral negatieve effecten heeft op vennen. Vooral langharige koeien hebben de neiging om in de zomer langdurig verkoeling te zoeken in het water. Ze grazen in de omgeving, maar de mest komt dan voor een groot deel in het ven terecht. Dit effect is vooral sterk als er slechts weinig open water is in een begrazingseenheid. Vennen met verlandingsstadia, drijftillen en oevers met hoogveen- of trilveenplanten zijn zeer gevoelig voor betreding. Gaat men over tot het instellen van begrazingsbeheer in een gebied met zulke vennen, dan is uitrastering noodzakelijk om verlies van natuurwaarden te voorkomen. Mogelijk is dan binnen het raster wel vervangend, gefaseerd maai beheer nodig. Het effect op andere typen van vennen is in onderzoek.

Herintroductie
Niet toepassen.Tot nu toe zijn in vennen nog geen soorten geherintroduceerd. Waarschijnlijk omdat in veel gevallen er nog sprake is van een zaadbank. Indien deze zaadbank volledig verdwenen is, maar de standplaatscondities wel volledig kunnen worden hersteld, valt herintroductie misschien te overwegen. De verspreiding van ven tot ven verloopt voor waterplanten vaak zeer moeizaam, en herintroductie is vooral het overwegen waard bij geïsoleerd liggende vennen. Ook is het mogelijk zinvol om Oeverkruid of andere isoetiden uit te planten in een hersteld ven. Deze soorten zorgen voor doorluchting van de bodem en daarmee voor een voedselarmer milieu. Aanwezigheid van isoetiden vergroot en verlengt zo het succes van herstelmaatregelen. In beide gevallen is het raadzaam om vooraf een specialist te raadplegen.

Samenvatting van technische uitvoering herstelbeheer vennen
Omdat een groot deel van de maatregelen in alle drie typen van vennen aan de orde kunnen zijn, beschrijven we binnen het kader van de website-natuurtypen de technische uitvoering en inrichting onafhankelijk van het type. Hieronder volgt een samenvattende beschrijving; trefwoorden zijn vet gemaakt. Voor aspecten die van invloed zijn bij een van de drie natuurtypen van vennen zie bij die natuurtypen.


Met bijdragen van:
Emiel Brouwer, Moniek Nooren en Hein van Kleef, 15.05.2007.

Literatuur:
Vennenhoofdsleutel,17-05-06

Arts, G.H.P, H. van Dam, F.G. Wortelboer, P.W.M. van Beers & J.D.M. Belgers. 2002. De toestand van het Nederlandse ven. Alterra-rapport 524-AquaSense-rapport 02.1715. Alterra, Wageningen

Arts, G.en G. van Duinhoven. 2000. Sleutelen aan vennen. Ministerie van LNV, Wageningen.

Arts, G.H.P & H. van Dam, F.G. Wortelboer, P.W.M. van Beers & J.D.M. Belgers. 2002. De toestand van het Nederlandse ven.Alterra-rapport 524-AquaSense-rapport 02.1715. Alterra, Wageningen.

Bobbink, R., Brouwer, E., Hoopen, J. ten & Dorland, E., 2004. Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. In: Duinen, G.J. van., Bobbink, R., Dam, C. van, Esselink, H., Hendriks, R., Klein, M., Kooijman, A., Roelofs, J. & Siebel, H., 2004. Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit. Verslag OBN-symposium.

Hendriks, RJJ, 2004. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring, verdroging en vermesting (EGM) op landschapsschaal: aanbevelingen voor terreinbeheer en beleid. Rapport EC-LNV 2004/299-OBN.

Duinen, G.-J.van, R.Bobbink, C. van Dam, H. Esselink, R.Hendriks, M. Klein, A. Kooijman, J. Roelofs & H. Siebel (Redactie). Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit: 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het overlevingsplan bos en natuur, Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede, 2004

Duursema, G. 1999. Beoordeling en restauratie van natuurwaarden in Drentse vennen. Zuiveringsschap Drenthe.

Dam, H. van, G.H.P. Arts, J.D.M. Belgers, D. Tempelman, C. Dijkers, L. Janmaat & M.A.A. de la Haye. 2005. Huidige toestand en vervolgaanpak Brabantse vennen; Alterra rapport nr. 1200, Alterra Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website