Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Zwakgebufferd ven (N06.05) / Zeer zwak gebufferd ven / Herstelbeheer

Zeer zwak gebufferd ven

Inhoud van deze pagina

HERSTELBEHEER
Doelen en kansen
Herstel van zeer zwak gebufferde vennen
Herstelbeheer, groot- of kleinschalig
Herstelbeheer, aanpak
Rekening houden met interne variatie
Vennen met hoogveenachtige vegetatie
Vennen met isoetiden
Vennen met ondergedoken waterplanten
Vennen met hoogveenachtige vegetatie & isoetiden
Vennen met hoogveenachtige vegetatie & ondergedoken waterplanten
Vennen met isoetiden & ondergedoken waterplanten
Verwijderen van de sliblaag
Plaggen van de oever
Bij oevers plaggen fauna aandacht geven
Voorlopige adviezen bij het plaggen in het belang van de fauna
Herstellen van grondwaterstromen
Begrazen
Inlaat van gebufferd oppervlaktewater
Inlaat van grondwater
Activeren van stuifzand
Bekalken van het inzijggebied
Herintroductie
Samenvatting van technische uitvoering herstelbeheer vennen

Doelen en kansen
De water- en oevergemeenschappen van de voedselarme milieus van vennen zijn over het algemeen waardevoller voor de flora en fauna dan die van voedselrijke milieus. Ze zijn echter sterk achteruitgegaan en overal bedreigd. In veel vennen is meer nodig dan regulier beheer om de natuurwaarden - de oorspronkelijke soortenrijkdom - en landschapswaarden te herstellen. Door toepassing van specifiek op venherstel gerichte maatregelen is in recente tijd het aantal locaties en de oppervlakte van oorspronkelijke venvegetaties weer aanzienlijk vergroot. Het eerste grote succes werd geboekt bij de grootschalige restauratie van het Beuven rond 1985. Vanaf 1989 volgden andere projecten. Sommigen zijn goed geslaagd, anderen hadden minder goed resultaat. De verschillende vormen van aantastingen treden in vennen vaak in gecombineerde vorm op. Voor maatregelen op maat is eerst een goede diagnose van de problemen nodig. Voor het maken van de juiste diagnose voor vennen en het kiezen van het beste daarbij passende pakket aan EGM maatregelen is een vennensleutel ontwikkeld.(zie horizontale balk op de homepagina van deze website).

Herstel van zeer zwak gebufferde vennen
Zeer zwak gebufferde vennen zijn vrijwel allemaal verzuurd in het recente verleden. De belangrijkste herstelmaatregel is hier dan ook herstel van de buffercapaciteit. Verder is verwijdering van opgehoopt slib en een dichte vegetatie een voorwaarde voor herstel, zeker voor de flora.
De buffering herstelt in veel vennen enigszins nu de zuurdepositie is afgenomen, vooral in vennen met enige grondwaterinvloed. Het grondwater heeft hier vaak een voor isoetiden gunstigere mineralensamenstelling: het bevat meer calcium dan aluminium en meer nitraat dan ammonium. De gewenste isoetiden kunnen zich dan handhaven op de plekken met toestromend grondwater. Meestal is het echter nodig om de buffering actief te herstellen. Dat kan door grondwaterstromen te herstellen, door het inzijggebied te bekalken of door inlaat van gebufferd water. Als het inzijggebied voor een deel uit stuifzand bestaat, kan ook het reactiveren van de verstuiving bijdragen aan herstel van de buffering.
Bij de bestrijding van vermesting helpt de koolstoflimitatie in zeer zwak gebufferde vennen een handje. Deze is bepalend voor de karakteristieke plantengroei en kan in veel gevallen worden hersteld door in de vensystemen de oorspronkelijke buffering te herstellen, te baggeren en plaatselijk te plaggen. De aansturing door koolstof is zo bepalend bij dit ventype dat dan zelfs bij enige vermesting met fosfaat en/of stikstof de terugkeer van een vegetatie met isoetiden mogelijk is. Het is echter wel zo dat onder de huidige Nederlandse omstandigheden dan veelal Oeverkruid zeer hoge dichtheden bereikt, waardoor er minder ruimte over blijft voor de grootste specialisten zoals Waterlobelia. Ook in andere typen zeer zwak gebufferde vennen kan vermesting het beste worden tegengegaan door het verwijderen van slib en het gefaseerd of kleinschalig plaggen van oevers.

Herstelbeheer, groot- of kleinschalig
Voorafgaand aan het vastleggen van doelen en het nemen van herstelmaatregelen is enige voorbereiding nodig. Eerst is het zaak uit te zoeken wat de actuele waarde van het gedegradeerde ven is waarvoor herstelbeheer wordt overwogen. Als het ven in zijn huidige verschijning nauwelijks natuurwaarde heeft, verdient een grondige ingreep, gericht op herstel van de oorspronkelijke standplaatscondities van het systeem de voorkeur. Ook een grootschalige ingreep, op de schaal van een volledig ven, is dan geen bezwaar zover het de actuele natuurwaarden betreft. Locaties zonder actuele natuurwaarden die in aanmerking komen voor grondig herstelbeheer zijn bijvoorbeeld gedempte of gedraineerde vennen die in gebruik zijn als landbouwgrond.
Er zijn ook aangetaste vensystemen waarin veel van de oorspronkelijke elementen van het ven bewaard zijn gebleven. In een aantal vensystemen zijn de oorspronkelijke elementen vervangen door andere vormen van waardevolle natuur. In deze gevallen is het zaak een afweging te maken tussen de kansen op een geslaagd herstel en de risico's van grootschalig herstelbeheer. Bij een grootschalige ingreep gaat de actuele flora en fauna verloren en bestaat het risico op het verlies van soorten en dus natuurwaarden. Het is mogelijk dat in het belang van de aanwezige natuur helemaal wordt afgezien van de toepassing van een beheer dat gericht is op herstel van de oorspronkelijke situatie.

Bij een herstelbeheer op de schaal van een volledig ven zijn de mogelijkheden om de standplaatscondities te herstellen groter dan in geval van een ingreep op kleinere schaal. Herstelbeheer op de schaal van een heel ven kan daarom ook een goede keuze zijn in situaties waar weinig te verliezen valt. Dat kunnen voormalige vennen zijn of sterk vermeste vennen, of het kan een ven zijn dat in een terrein ligt met veel soortgelijke vennen. Ook vennen waar de natuur recentelijk is geïnventariseerd en waar uit dit vooronderzoek blijkt dat er echt geen kwetsbare flora of fauna meer aanwezig is komen in aanmerking voor een dergelijke ingreep.

In veel gedegradeerde vennen zijn gelukkig nog allerlei bijzondere elementen aanwezig. In zulke vennen is herstelbeheer op kleinere schaal te overwegen: een opschoning met uitsparen van kwetsbare en waardevolle restbiotopen. Veelal gaat het bij de waardevolle elementen om flora en fauna uit de latere successiestadia van het vensysteem. De gedegradeerde vennen zijn vaak vennen met veel organisch materiaal op en in de bodem, met verlandingsstadia, planten met drijfbladeren en overgangen naar struweel en broekbos. Er doet zich hier een probleem voor. In het organische materiaal van dergelijke vennen hebben zich veel voedingsstoffen opgehoopt. Als bij een herstelopschoning te weinig van deze voedingsstoffen worden afgevoerd, herstellen zich de karakteristieke pioniergemeenschappen van voedselarme vennen onvoldoende. De voedingsstoffen die zijn opgeslagen in de niet opgeschoonde delen van het vensysteem beïnvloeden dan de wel opgeschoonde delen zodat de voedselarme condities niet terugkeren. Als er echter veel stukken van zulke vennen worden gebaggerd en geplagd, komen de nog aanwezige soorten van latere successiestadia in het gedrang. De opschoning kan dan neerkomen op een verlies van waardevolle elementen dat niet opweegt tegen de waarde van het resultaat van de ingreep. Door zorg vooraf is het risico op zulke schade te verkleinen.
Soms is het moeilijk om vooraf in te schatten wat de positieve en negatieve effecten van herstelbeheer zullen zijn. Het is dan verstandig om in het ven kleinschalig herstel uit te proberen. Je kunt bijvoorbeeld enkele smalle stroken op de oever of in de richting van het midden van het ven plaggen en baggeren. Als dan later meer delen van het ven aangepakt worden, kunnen deze stroken gespaard worden.

Herstelbeheer, aanpak
Om tot een goed herstelplan te komen zijn een aantal voorbereidende inhoudelijke stappen noodzakelijk die we hieronder beschrijven. Zie verder ook de ‘Samenvatting van technische uitvoering herstelbeheer vennen'.

Rekening houden met interne variatie
Het is in theorie vrij eenvoudig om de standplaatscondities voor één bepaalde vegetatiestructuur in een ven te herstellen. Het doel van herstelbeheer is echter te terugkeer van een zo groot mogelijk deel van de biodiversiteit en de karakteristieke variatie in een ven. Hoe sterker de aantasting van de oorspronkelijke hydrologie van een ven, hoe kleiner de mogelijkheden en kansen voor herstel van de variatie met al haar gradiënten. Naarmate de vermesting groter is, is tevens de noodzaak groter om grootschalig in te grijpen. Een grootschalige ingreep verkleint de structuurvariatie echter in eerste instantie. In het hierna volgende wordt voor een aantal combinaties van structuurelementen van de vegetatie aangegeven hoe dit dilemma het beste is op te lossen. Bedenk hierbij wel dat er in elk ven nog andere structuren voor kunnen komen die hieronder niet genoemd zijn en toch het behouden waard kunnen zijn. Bijvoorbeeld planten met drijfbladeren en oeverplanten. Zie voor een beschrijving van de structuurelementen de tekst op de websitepagina Vennen.

Vennen met hoogveenachtige vegetatie
De twee belangrijkste doelen bij het herstelbeheer in hoogveenvennen zijn het restaureren van de hydrologie en het verwijderen van ongewenste plantengroei. Restauratie van de hydrologie komt vooral neer op het herstellen van de kwaliteit en kwantiteit van het toestromende grondwater. Daarnaast is het soms nodig om extra maatregelen te nemen die voorkomen dat het waterpeil in de zomer te ver in de grond wegzakt. Verwijderen van plantengroei kan neerkomen op het maaien van Riet, Pitrus (Juncus effusus), Pijpenstrootje en van andere grassen. Ook hoort het verwijderen van bomen en bosopslag of kleinschalig plaggen hierbij.

Vennen met isoetiden
Begroeiingen van rozetvormige planten op de onderwaterbodem ofwel isoetiden krijgen de beste kansen door in de venwateren de voedselarmoede en de schaarste aan koolstof te herstellen. Dat is te bereiken door de sliblaag te verwijderen, oevers te plaggen en verzuring te voorkomen of bestrijden. Des te meer organisch materiaal en voedingsstoffen worden afgevoerd, des te beter zal het herstel zijn. Verlies van natuurwaarden is bij de herstelingreep tegen te gaan door rekening te houden met de aanwezige fauna en de eventueel aanwezige belangrijke vegetatiestructuren voor de fauna, zoals planten met drijfbladeren en oevergewassen.
In vennen waar de koolstoflimitatie in het water wordt hersteld, maar voor isoetiden nog te veel fosfaat of stikstof aanwezig is, kunnen de helofyten van de moerasplanten gaan overheersen, terwijl de vegetatie zich sluit en de kans op isoetiden weer is verkeken. Vaak helpt dan aanvullend maaibeheer in droge perioden.

Vennen met ondergedoken waterplanten
Alleen in een bepaald type van vennen komen ondergedoken waterplanten zoals smalbladige fonteinkruiden voor: in (zeer) zwak gebufferde vennen met voldoende kooldioxide in de waterlaag. De waterlaag is zeer voedselarm, terwijl de bodem vaak iets voedselrijker is. Deze omstandigheden worden meestal in stand gehouden door de aanvoer van voedselarm, enigszins gebufferd grondwater dat verder relatief rijk aan kooldioxide en ijzerhoudend is. Vennen met ondergedoken waterplanten zijn het beste te herstellen door het gedeeltelijk of geheel verwijderen van slib, het plaggen van oevers en herstellen van de grondwatertoevoer.

Vennen met hoogveenachtige vegetatie & isoetiden
Restauratie van ruimtelijke overgangen of gradiënten van begroeiingen van isoetiden naar hoogveenachtige vegetaties komt vooral neer op het herstel van een gradiënt in het gehalte aan koolstof in het venwater. Minder gunstig voor het herstel van de isoetiden is daarbij de aanwezigheid van venige drijftillen. De waterlaag is dan vaak sterk bruin gekleurd terwijl isoetiden juist helder water nodig hebben. In grote vennen kan een ruimtelijke overgang in stand gehouden worden door de windwerking, waarbij de noordoostoever kaal en geschikt voor isoetiden blijft en zich aan de zuidwestkant van het ven slib ophoopt en zich drijftillen kunnen ontwikkelen. Ook is het mogelijk dat zulk een ruimtelijke overgang zich uitstrekt over meerdere vennen die met elkaar verbonden zijn, of ze aanwezig is in geïsoleerde uithoeken in het ven. Vaak handhaaft zich de ruimtelijke overgang van begroeiingen van isoetiden naar hoogveenachtige vegetaties alleen door de tegengestelde werking van een toevoer van grondwater en een toevoer van oppervlaktewater. Het grondwater is dan zuur en voedselarm en zorgt voor de aanvoer van kooldioxide. Het oppervlaktewater is gebufferd, iets minder voedselarm en armer aan kooldioxide.

Wanneer de toestroom van grondwater afneemt, nemen hiermee ook de mogelijkheden af om de gewenste gradiënt te restaureren. Vaak is het dan nog wel mogelijk om het milieu voor isoetiden te herstellen, bijvoorbeeld door de inlaat van gebufferd, voedselarm water. Maar herstel van hoogveenmilieus is erg moeilijk en zal door de inlaat van water eerder verder worden beperkt dan gestimuleerd.
Andersom kan het ook zo zijn dat er voldoende zuur grondwater naar het ven stroomt, maar dat er geen mogelijkheden zijn om de overgang naar de gebufferde situatie te herstellen. Mogelijk is het dan beter om vooral de kansen op hoogveenontwikkeling te verbeteren en verder niet te streven naar buffering. Het is erg moeilijk om aangevoerde voedingsstoffen weer te verwijderen uit hoogveenmilieus.

Vennen met hoogveenachtige vegetatie & ondergedoken waterplanten
Zowel hoogveenvegetaties als vegetaties van ondergedoken waterplanten zijn gebaat bij de aanvoer van grondwater. Toch zijn er subtiele verschillen. Drijftilvorming vanuit aquatische veenmossen vindt alleen plaats in zuur water, terwijl bijzondere vegetaties van ondergedoken waterplanten juist enige buffering verlangen. Verder handhaven zich de venige drijftillen door een flinke methaangasvorming in het organisch materiaal. Hierbij komen vaak humuszuren vrij die het water sterk bruin kleuren en de groei van permanent ondergedoken waterplanten verhinderen. Hoogveenmilieus op de oevers zijn gebaat bij een stabiele waterstand, terwijl veel ondergedoken waterplanten juist optimaal tot ontwikkeling komen op af en toe droogvallende oevers. Verder zullen de hoogveenvegetaties in de loop van een natuurlijke successie geleidelijk de waterplanten vervangen.

Een combinatie van venige drijftillen met begroeiingen van ondergedoken waterplanten komt voor in diepe vennen met een vrij grote waterstandsfluctuatie of in grote vennen met een stabiele waterstand. De ondergedoken waterplanten bevinden zich in het eerste geval in de oeverzone en in het tweede geval in de permanent aquatische zone met helder water. In kleine vennen kunnen ondergedoken waterplanten terugkeren door alleen de oeverzone op te schonen en de permanent aquatische zone met de drijftil en haar omgeving met rust te laten. In grote vennen kan behalve de oever ook een groot deel van de permanent aquatische zone van het ven worden gebaggerd. Door daarbij wel de drijftil en omgeving uit te sparen voorkom je schade aan natuurwaarden.
Een combinatie van oevers met hoogveenplanten met begroeiingen van ondergedoken waterplanten komt voor in vennen met een stabiele waterstand. Hiervoor is enige invloed van gebufferd grondwater of oppervlaktewater nodig (zie ook ‘Vennen met hoogveenachtige vegetatie & isoetiden'). Zolang de juiste hydrologische situatie aanwezig is, kunnen beide vegetatiestructuren naast elkaar blijven voortbestaan. Kleinschalige plag- en baggerwerkzaamheden kunnen aan het behoud ervan bijdragen.

Een relatief onbekende factor in het geheel van deze combinatie van vegetatiestructuren is de bruine kleur van de waterlaag. Deze kleur vermindert vaak in geval van verzuring en verdroging, terwijl ze juist toeneemt als er maatregelen tegen verzuring en verdroging worden genomen. In veel vennen met bruingekleurd water waarin geen speciaal herstelbeheer is toegepast is recentelijk een versterkte kleuring opgetreden. Dit proces hangt samen met een spontaan herstelproces als gevolg van vermindering van de verzuring vanuit de lucht.

Vennen met isoetiden & ondergedoken waterplanten
Zowel isoetiden als ondergedoken waterplanten hebben helder, gebufferd water nodig. Isoetiden groeien echter optimaal in water dat arm is aan kooldioxide waarin ondergedoken waterplanten niet kunnen groeien. Beide soorten van begroeiingen kunnen in hetzelfde ven voorkomen indien er veel droogvallende oevers aanwezig zijn, zodat de ondergedoken waterplanten zich in droge perioden kunnen uitbreiden. Ook kan deze combinatie van begroeiingen optreden in vennen die plaatselijk rijker zijn aan kooldioxide, bijvoorbeeld door lokale toestroom van grondwater of lokale slibophoping.
In vennen met deze combinatie kan herstelbeheer worden toegepast met het doel beide begroeiingselementen te restaureren. Dan is het zaak ervoor te zorgen dat het grootste deel van de waterlaag arm is aan kooldioxide terwijl er ook voldoende ‘uitwijk'mogelijkheden zijn voor de ondergedoken waterplanten. Een eerste vereiste daarvoor is een situatie met voldoende buffering en de koolstofschaarste die daarmee samengaat. Verdere maatregelen hangen af van de koolstofbron die beschikbaar is voor ondergedoken waterplanten. Als de ondergedoken waterplanten uitsluitend koolstof kunnen halen uit de lucht, kunnen ze zich alleen handhaven als er voldoende droogvallende minerale oevers zijn. Als een lokale grondwatertoestroom zorgt voor koolstoftoevoer, zullen ze behouden blijven als voldoende isolatie gehandhaafd blijft tussen met en zonder grondwaterinvloed. Bij de toepassing van herstelbeheer is dat te bewerkstelligen door voor de handhaving van die isolatie te zorgen, bijvoorbeeld door daarbij helofytenvelden of dammen niet (geheel) te verwijderen. Als lokale slib- of veenlagen als koolstofleverancier voor de ondergedoken waterplanten dienen, kunnen ze in hun belang deels bij het herstelbeheer gespaard worden. Ook dan is enige isolatie van vengedeelten vaak van belang. Toch zal een gedeelte van het slib uit het ven moeten worden verwijderd om vermesting tegen te gaan en kieming van karakteristieke venplanten te stimuleren.

Verwijderen van de sliblaag
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Een zeer veel uitgevoerde maatregel in vennen is het verwijderen van een sliblaag. Het gaat om het verwijderen van de modderlaag tot op de minerale zandbodem of de vaste veenbodem, zonder aantasting van de vorm van het ven en zonder verdieping van het ven.
Sliblagen ontstaan op natuurlijke wijze in vennen als gevolg van het bezinken van allerlei organisch materiaal, met name van water- en oeverplanten en ingewaaid blad. De ophoping van slib verloopt vaak traag, waardoor grote delen van het ven mineraal blijven, soms wel honderden jaren. Door vermesting vindt echter een sterk versnelde slibophoping plaats en in vermeste en verzuurde vennen wordt deze nog extra versneld doordat de afbraak onder zure omstandigheden traag verloopt.
De aanwezigheid van een dikke sliblaag heeft een aantal gevolgen voor vennen. Ten eerste verdwijnen minerale bodems en de flora en fauna die hiervan afhankelijk is. Ten tweede hebben zich in het slib veel voedingsstoffen opgehoopt, deze voedingsstoffen komen uiteindelijk ook in de waterlaag terecht. Ten derde hopen zich in het slib gereduceerde verbindingen op, zoals ammonium, sulfide, pyriet en gereduceerd ijzer. Dit levert een bijdrage aan de buffercapaciteit van het ven, maar leidt bij droogvallen en oxidatie juist tot een snelle verzuring. In vrijwel nooit droogvallende, zeer zachte of vrijwel zure wateren met min of meer steile oevers kan de sliblaag een belangrijke bron van buffering zijn. Indien hier planten of dieren aanwezig zijn die afhankelijk zijn van deze geringe buffering, verdient het aanbeveling om de sliblaag niet of slechts gedeeltelijk te verwijderen of om voor een alternatieve bron van buffering te zorgen.

Het verwijderen van slib kan in natte toestand gebeuren of na leegpompen van het ven. Opschonen in een natte situatie komt neer op baggeren. Onder droge omstandigheden kan nauwkeuriger en efficiënter worden gewerkt. Bovendien wordt de blootkomende zandbodem goed doorlucht, wat de kieming van waterplanten bevordert. Echter, het compleet droogleggen van vennen kan leiden tot het verlies van sommige diersoorten.
Is het niet mogelijk om de oorspronkelijke buffering te herstellen of om verzuring te voorkomen, dan heeft het weghalen van slib geen duurzaam positief effect op de biodiversiteit. Het effect is eerder negatief. Na het verwijderen van sliblagen en overdadige plantengroei treedt doorgaans wel kieming en vestiging op van plantensoorten van gebufferde vennen, maar deze zullen in het zure water weer snel verdwijnen. Het gevolg is dat de zaadbank van deze soorten door de herstelmaatregelen vrijwel wordt uitgeput; iets dat in diverse herstelprojecten helaas al is gebeurd. Het verwijderen van slib heeft pas zin als er tevens voor gezorgd wordt dat het ven daarna niet meteen weer verzuurd en/of vermest raakt.

Indien in droogvallende zure vennen oude dieper gelegen veen- of humuslagen moeten worden verwijderd omdat ze te veel fosfaat bevatten, kan de wegzijging naar de ondergrond toenemen en daardoor enige verdroging optreden. Hier moeten dus vooraf de voordelen (herstellen van voedselarm milieu) worden afgewogen tegen de nadelen (mogelijke verdroging). Ook zijn intacte veenlagen waardevolle bodemarchieven; ze geven vaak inzicht in de vegetatieontwikkeling van de omgeving tijdens de vorming van het veen. Gelukkig zijn intacte veenlagen in vennen zelden rijk aan fosfaat.

Slib geheel of gedeeltelijk verwijderen?

Vaak zal er een afweging moeten worden gemaakt tussen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de sliblaag. Indien een gedeelte blijft zitten, kan dit zich weer snel over het ven verspreiden en kunnen voedingsstoffen uit het slib naar de waterlaag gaan. Het grote voordeel kan zijn dat restpopulaties van flora en fauna kunnen worden gespaard of dat waardevolle vegetatiestructuren (oevervegetaties, verlandingsgemeenschappen, planten met drijfbladeren) behouden kunnen blijven. In vennen met weinig geïsoleerde delen is het vaak onmogelijk om de vermesting te bestrijden en tegelijkertijd meer dan enkele kleine stukjes te sparen. Het kan dan zinvol zijn om de sliblaag in twee fasen te verwijderen en tijdelijk een dam aan te leggen tussen beide delen. In vennen met geïsoleerde delen kunnen juist deze delen worden gespaard of in latere fase worden opgeschoond. Gradiëntversterkende elementen, zoals dammen, ondiepten en helofytenvelden moeten niet zonder meer worden verwijderd. Als ze een hersteloperatie in de weg staan, is het goed om een expert te raadplegen.
In door vermesting en verzuring aangetaste vennen komen vaak nog karakteristieke diersoorten voor. Deze soorten kunnen in de problemen komen als herstelmaatregelen worden uitgevoerd. Indien bekend is welke diersoorten in het ven voorkomen, kunnen de maatregelen worden aangepast om de overlevingskansen van soorten te vergroten. Indien niet bekend is of er nog relictpopulaties van karakteristieke soorten in het ven aanwezig zijn, kunnen vuistregels worden gehanteerd om het ongewenst verdwijnen van soorten te voorkomen; zie onder ‘Voorlopige adviezen bij het plaggen in het belang van de fauna'.

Hoe lang werkt slib verwijderen?

Op dit moment is nog niet geheel duidelijk op welke termijn het verwijderen van de sliblaag weer moet worden herhaald. Er zijn diverse vennen die 15 jaar na opschonen nog slechts een vrij geringe mate van slibophoping te zien geven. Bovendien is recent de stikstofaanvoer uit de lucht vrij sterk afgenomen. We verwachten daarom dat een ven zeker 30 jaar profijt heeft van een goed uitgevoerde verwijdering van de sliblaag die als hersteloperatie is toegepast.

Plaggen van de oever
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Een belangrijk deel van de flora en fauna van vennen is geheel of gedeeltelijk afhankelijk van de oeverzone; ruwweg het gedeelte tussen de gemiddelde laagwaterlijn en de gemiddelde hoogwaterlijn. Door de periodieke overstroming en door de voedselarme omstandigheden, is er van nature vaak een open vegetatiestructuur op ten minste een deel van de oever. Met name door vermesting zijn van oorsprong voedselarme oeverdelen dichtgegroeid met bijvoorbeeld Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Lisdodden (Typha spp.), Riet (Phragmites australis) of Pitrus (Juncus effusus). Door de plantengroei inclusief de voedselrijke toplaag van de bodem te verwijderen, het zogenoemde plaggen, kan de voedselarme situatie worden hersteld. Meestal volstaat het verwijderen van maximaal 1-2 decimeter humeuze bodem tot op de oorspronkelijke zandondergrond. Door zorgvuldig te werk te gaan is het verlies van ruimtelijke overgangen en fauna tegen te gaan.
Sommige vennen kenden in het verleden een soortenrijke oevervegetatie en de waterstand is sindsdien sterk gedaald. Hierdoor bevindt de zaadbank van de doelsoorten zich boven het niveau van de huidige oeverzone. Het is dan beter om de voormalige oeverzone pas te plaggen als het waterpeil is hersteld.

Bij oevers plaggen fauna aandacht geven
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Het plaggen van oevers in vennen met Zonnebaars (Lepomis gibbosus) of in terreinen waar ganzen een probleem vormen voor oevervegetaties is niet altijd zinvol. Deze dieren verhinderen door het omwoelen respectievelijk bemesten van de oever de ontwikkeling van zachtwaterbegroeingen.
De effecten van vrijstellen van oevers op de fauna zijn nog niet onderzocht. Wel hebben diverse faunadeskundigen hierover hun inschatting gegeven in enquêtes en interviews (Stuijfzand et al., 2004). Hier volgen de voorlopige adviezen die zij hebben gegeven ten aanzien van het vrijstellen van oevers en het voorkomen van ongewenste neveneffecten voor de fauna. Let wel, met name in vennen waar ook fosfaataanvoer heeft plaatsgevonden werken niet opgeschoonde delen als bron van hernieuwde vermesting, en moet een keuze worden gemaakt tussen het optimaal sparen van aanwezige fauna en het bestrijden van vermesting.

Voorlopige adviezen bij het plaggen in het belang van de fauna
:


Herstellen van grondwaterstromen
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Zoals voor vrijwel alle natte natuurtypen geldt, is herstel van de hydrologie de belangrijkste herstelmaatregel. Via het grondwater wordt onder meer bicarbonaat, kooldioxide en ijzer aangevoerd, waarmee buffering, voedselarmoede en groei van ondergedoken waterplanten mogelijk worden gemaakt en gradiënten in waterkwaliteit ontstaan.
Het inzijggebied van veel vennen is vaak gedeeltelijk gedraineerd, waardoor er minder grondwater naar het ven stroomt. Bij voorkeur moet deze drainage ongedaan gemaakt worden. Indien dat niet mogelijk is, kan het zinvol zijn om het venpeil te laten zakken tot net onder het grondwaterpeil in het inzijggebied. Op die manier kan er toch weer grondwater naar het ven toestromen en de voordelen van toestromend grondwater zijn vaak veel groter dan de nadelen van een iets lager venpeil.
Indien het grondwater inmiddels belast is met nitraat, sulfaat of fosfaat, heeft het meestal geen zin om de toestroming van dit grondwater te stimuleren. Bekijk dan eerst of er door wijzigingen in het inzijggebied iets aan de vervuiling gedaan kan worden. Vaak zal er een specialist nodig zijn om een goede afweging te kunnen maken tussen de nadelen van vervuiling en de voordelen van toestroming van bijvoorbeeld bufferstoffen, kooldioxide en/of ijzer.

Begrazen
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.
Begrazing kan de opslag van oevergewassen en struweel tegengaan en dus bijdragen aan succesvol venherstel. Er zijn echter ook omstandigheden waaronder begrazing vooral negatieve effecten heeft op vennen. Vooral langharige koeien hebben de neiging om in de zomer langdurig verkoeling te zoeken in het water. Ze grazen in de omgeving, maar de mest komt dan voor een groot deel in het ven terecht. Dit effect is vooral sterk als er slechts weinig open water is in een begrazingseenheid. Vennen met verlandingsstadia, drijftillen en oevers met hoogveen- of trilveenplanten zijn zeer gevoelig voor betreding. Gaat men over tot het instellen van begrazingsbeheer in een gebied met zulke vennen, dan is uitrastering noodzakelijk om verlies van natuurwaarden te voorkomen. Mogelijk is dan binnen het raster wel vervangend, gefaseerd maai beheer nodig. Het effect op andere typen van vennen is in onderzoek.

Inlaat van gebufferd oppervlaktewater
Toepasbaar nadat een gedegen vooronderzoek is uitgevoerd en dat op eigen verzoek van een terreinbeheerder door het betrokken deskundigenteam kan worden beoordeeld.
De mogelijkheden om middels de inlaat van gebufferd oppervlaktewater verzuring te bestrijden of te voorkomen hangen sterk af van de kwaliteit van het in te laten water. Met name de verhouding tussen de buffercapaciteit (in micro-equivalent HCO3- & CO3- per liter) en de hoeveelheid fosfaat (in micromol per liter) bepaalt of het water geschikt is als bron van buffering. Hoe gunstiger deze verhouding, hoe geschikter het water is. Wanneer het water niet meer geschikt is, is niet precies vast te stellen en hangt onder andere af van de benodigde hoeveelheid water. Ook moet het inlaatwater niet te veel sulfaat bevatten, vooral indien er veenbodems of drijftillen aanwezig zijn in het ven. Indien er drijftillen aanwezig zijn, werkt inlaat van gebufferd oppervlaktewater ter bestrijding van herverzuring niet indien dit leidt tot sulfaatconcentraties van meer dan 200 micromol per liter. Dit komt doordat de productie van methaangas dan kan worden geremd.
Hoe korter de verblijftijd van het water in het ven, hoe minder zinvol pogingen zijn om dit water te bufferen. Vooral in de winter kan de hoeveelheid uitstromend water groot zijn, waardoor buffering weinig zin heeft. Ga dit eerst na alvorens de inlaat van gebufferd water te overwegen.
De grootste hoeveelheden water zijn nodig om van een verzuurde situatie weer in een gebufferde situatie te komen, of indien er sprake is van de aanvoer van grote hoeveelheden zuur grondwater vanuit het inzijggebied. Dan kan wel 10% van het venvolume per jaar nodig zijn. Wij stellen als vuistregel voor dat in dergelijke gevallen de verhouding buffercapaciteit/fosfaat boven de 1000 moet zijn. Naar gelang er minder inlaatwater nodig is, kan ook deze verhouding minder gunstig zijn. Uitgaande van een minimale buffering van 100 micro-equivalent HCO3- & CO3- per liter en een maximaal aanvaardbare fosfaatbelasting van 0,5 micromol/liter/jaar zou theoretisch de maximaal aanvaardbare buffering-fosfaat verhouding 200 zijn. Deze getallen zijn echter slechts richtlijnen; indien de buffering-fosfaat verhouding beneden de 1000 is, is het raadzaam om te rade te gaan bij een specialist. Inlaten van water kan het beste plaatsvinden in het winterhalfjaar. Het waterpeil is dan hoog, zodat een goede menging optreedt en ook de ondergelopen oevers door uitwisseling van zuur uit de bodem met basische kationen in de waterlaag kunnen worden gebufferd. Als het doel een zeer zacht water is, dient de buffercapaciteit in het ven niet hoger op te lopen dan 300 micro-equivalent HCO3- & CO3- per liter, voor zachte wateren kan dat iets meer zijn. Indien gestart wordt vanuit een verzuurde situatie, is de eerste jaren vaak meer water nodig dan daarna.
Om een zo natuurlijk mogelijke situatie te handhaven, verdient de inlaat van oppervlaktewater in principe de voorkeur. Indien de kwaliteit hiervan onvoldoende is, kan overwogen worden om dit water voor te zuiveren voordat het ven in komt. Voorzuivering in een klein deel van het ven is ook een optie. Voorzuivering werkt vooral goed indien er de bodem ijzerrijk is of indien er ijzerrijk grondwater aanwezig is. Hierdoor wordt fosfaat vastgelegd.

Inlaat van grondwater
Toepasbaar nadat een gedegen vooronderzoek is uitgevoerd en dat op eigen verzoek van een terreinbeheerder door het betrokken deskundigenteam kan worden beoordeeld.Een mogelijk alternatief voor inlaat van oppervlaktewater is de inlaat van opgepompt grondwater. Houdt er dan rekening mee dat in veel streken het grondwater tot op vele tientallen meters verzuurd en verontreinigd kan zijn met nitraat. Ook is vaak een vergunning vereist voor het oppompen van water. Het inlaten van opgepompt grondwater in een ven is vooral bedoeld als een tijdelijke maatregel, het is de bedoeling dat de maatregel op den duur overbodig wordt door een afnemende zuurdepositie of vervangen wordt door de inlaat van voldoende zuiver oppervlaktewater. Zie verder bij ‘Inlaat van gebufferd oppervlaktewater'.

Activeren van stuifzand
In vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze.Het is mogelijk door vegetatie vastgelegd stuifzand weer stuivend te krijgen door het verwijderen van de vegetatie in een voldoende groot gebied. Zie hiervoor de teksten over het natuurtype stuifzand. De zeer geringe buffering die in vennen op gaat treden waar stuifzand naar toe stuift of waar grondwater vanuit het stuifzand naar toe stroomt, kan net voldoende zijn om de groei van enkele tamelijk zuurresistente plantensoorten van zeer zachte wateren mogelijk te maken, zoals Oeverkruid en Drijvende egelskop (Sparganium angustifolium). Dit is mogelijk, nu de zuurdepositie in Nederland is afgenomen.
Het grondwater onder levende stuifzanden is vaak minder zuur dan onder voormalige stuifzanden die met heide en/of bos zijn dichtgegroeid. De oorzaken hiervan zijn nooit onderzocht. Mogelijk is er minder zuurproductie door de afwezigheid van een verzurend strooisel- en vegetatiedek. Ook is de verweringssnelheid van stuivend zand hoger dan van rustend zand, zodat er waarschijnlijk meer basische kationen kunnen vrijkomen. En de invang van stikstof uit de lucht is door de ijle vegetatie ook gering.

Bekalken van het inzijggebied
Toepasbaar nadat een gedegen vooronderzoek is uitgevoerd en dat op eigen verzoek van een terreinbeheerder door het betrokken deskundigenteam kan worden beoordeeld.Vooral vennen met zeer zacht water ontvangen hun buffering vaak vanuit het oppervlakkige grondwater dat uit de naaste omgeving komt toestromen. Indien de waterstromen vanuit dit inzijggebied richting het ven nog steeds bestaan, maar onder invloed van atmosferische depositie zijn verzuurd, kan via bekalking de buffercapaciteit van het ven worden hersteld. Bekalking kan alleen worden toegepast op weinig humeuze tot minerale bodem met weinig of geen plantengroei, bijvoorbeeld open heide of stuifzandbegroeiingen. Eventueel moet daarom worden geplagd voorafgaand aan de bekalking. Men gebruikt voor bekalking in de natuur zuivere kalk (calciumcarbonaat, of deels magnesiumcarbonaat), bijvoorbeeld dolokal of mergel. De kalk kan men in poedervorm uitstrooien in hoeveelheden van minimaal 2 tot maximaal 5 ton kalk per hectare. Op net geplagde bodem of kaal zand kan eventueel een nog iets hogere dosis worden toegepast. In principe is deze methode van buffering voldoende om voor lange tijd, minstens 10 jaar, de buffercapaciteit te herstellen. Ook kan er voor worden gekozen om enkele jaren achtereen een zeer lichte dosering toe te passen van bijvoorbeeld 0,5 tot 1 ton per hectare. Hiermee is echter nog geen ervaring opgedaan.
Het effect van bekalking van het inzijggebied op veenmosvegetaties in vennen hangt vooral af van de pH die het ven uiteindelijk bereikt. Bekalking zorgt ervoor dat er meer kooldioxide in de grondwaterstroom terecht komt, en dus dat veenmossen harder kunnen groeien. Indien de pH echter 5 of meer wordt, verdwijnt kooldioxide ook weer snel uit de waterlaag en wordt de veenmosgroei juist geremd.

Herintroductie
Niet toepassen.
Tot nu toe zijn in vennen nog geen soorten geherintroduceerd. Waarschijnlijk omdat in veel gevallen er nog sprake is van een zaadbank. Indien deze zaadbank volledig verdwenen is, maar de standplaatscondities wel volledig kunnen worden hersteld, valt herintroductie misschien te overwegen. De verspreiding van ven tot ven verloopt voor waterplanten vaak zeer moeizaam, en herintroductie is vooral het overwegen waard bij geïsoleerd liggende vennen. Ook is het mogelijk zinvol om Oeverkruid of andere isoetiden uit te planten in een hersteld ven. Deze soorten zorgen voor doorluchting van de bodem en daarmee voor een voedselarmer milieu. Aanwezigheid van isoetiden vergroot en verlengt zo het succes van herstelmaatregelen. In beide gevallen is het raadzaam om vooraf een specialist te raadplegen.

Samenvatting van technische uitvoering herstelbeheer vennen
Omdat een groot deel van de maatregelen in alle drie typen van vennen aan de orde kunnen zijn, beschrijven we binnen het kader van de website-natuurtypen de technische uitvoering en inrichting onafhankelijk van het type. Hieronder volgt een samenvattende beschrijving; trefwoorden zijn vet gemaakt. Voor aspecten die van invloed zijn bij een van de drie natuurtypen van vennen zie bij die natuurtypen.


Met bijdragen van:
Emiel Brouwer, Moniek Nooren en Hein van Kleef, 15.05.2007.

Literatuur:
Vennenhoofdsleutel,17-05-06

Arts, G.H.P, H. van Dam, F.G. Wortelboer, P.W.M. van Beers & J.D.M. Belgers. 2002. De toestand van het Nederlandse ven. Alterra-rapport 524-AquaSense-rapport 02.1715. Alterra, Wageningen

Arts, G.en G. van Duinhoven. 2000. Sleutelen aan vennen. Ministerie van LNV, Wageningen.

Arts, G.H.P & H. van Dam, F.G. Wortelboer, P.W.M. van Beers & J.D.M. Belgers. 2002. De toestand van het Nederlandse ven.Alterra-rapport 524-AquaSense-rapport 02.1715. Alterra, Wageningen.

Bobbink, R., Brouwer, E., Hoopen, J. ten & Dorland, E., 2004. Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. In: Duinen, G.J. van., Bobbink, R., Dam, C. van, Esselink, H.,
Hendriks, R., Klein, M., Kooijman, A., Roelofs, J. & Siebel, H., 2004. Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit. Verslag OBN-symposium.

Hendriks, RJJ, 2004. Effectgerichte maatregelen tegen verzuring, verdroging en vermesting (EGM) op landschapsschaal: aanbevelingen voor terreinbeheer en beleid. Rapport EC-LNV 2004/299-OBN.

Duinen, G.-J.van, R.Bobbink, C. van Dam, H. Esselink, R.Hendriks, M. Klein, A. Kooijman, J. Roelofs & H. Siebel (Redactie). Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit: 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het overlevingsplan bos en natuur, Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede, 2004

Duursema, G. 1999. Beoordeling en restauratie van natuurwaarden in Drentse vennen. Zuiveringsschap Drenthe.

Dam, H. van, G.H.P. Arts, J.D.M. Belgers, D. Tempelman, C. Dijkers, L. Janmaat & M.A.A. de la Haye. 2005. Huidige toestand en vervolgaanpak Brabantse vennen; Alterra rapport nr. 1200, Alterra Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website