Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Zwakgebufferd ven (N06.05) / Zeer zwak gebufferd ven / Bedreigingen

Zeer zwak gebufferd ven

Inhoud van deze pagina

BEDREIGINGEN
Bedreigingen in zeer zwak gebufferde vennen
Algemene bedreigingen
Vermesting
Verzuring
Wijzigingen in de waterhuishouding
Bosopslag en bosaanplant
Klimaatverandering

Bedreigingen in zeer zwak gebufferde vennen
De meeste bedreigingen die aan de orde zijn bij vennen betreffen meerdere typen van vennen.
De zeer zwak gebufferde wateren met schaarste aan koolstof waren rond 1980 vrijwel verdwenen uit Nederland. Vanwege de karakteristieke zeer zwakke buffering zijn juist deze vennen zeer gevoelig voor verzuring. Aan de andere kant is het venwater van veel van deze vensystemen door waterinlaat vermest en harder geworden, ofwel alkalischer, omdat via het inlaatwater aanvoer van fosfaat en zuurbufferende stoffen plaatsvond. De sterkst gespecialiseerde soort, Waterlobelia (Lobelia dortmanna), had het meest te lijden onder deze bedreigingen en kende in die tijd nog slechts twee groeiplaatsen in Nederland.
De zeer zwak gebufferde wateren zonder koolstofschaarste zijn vooral achteruit gegaan door verzuring van het lokale inzijggebied, afnemende grondwaterinvloed en vermesting van het inlaatwater.

Algemene bedreigingen
Duizenden vennen zijn in de loop van de tijd ontgonnen. De overgebleven vennen worden bedreigd door inspoeling van meststoffen vanuit de omgeving, aanvoer van voedselrijk water, een verminderde grondwatertoevoer en een atmosferische depositie die is beïnvloed door luchtvervuiling. Ook de veranderingen in de samenstelling van het grondwater en het verdwijnen van traditionele vormen van gebruik leiden in vennen tot achteruitgang van de natuurwaarden. Al deze factoren leiden eerst tot een afname van de interne variatie, ofwel het afvlakken van de overgangen of gradiënten. Uiteindelijk verdwijnen vaak hele structuurelementen van de vegetatie uit een ven zoals drijftillen of vegetaties met isoetide waterplanten.

Vermesting
Omdat het venwater en de venbodem van nature arm zijn aan voor planten beschikbare stikstof en fosfaat, resulteert een kleine toename van deze stoffen al in veranderingen in de vegetatie. Stikstofverrijking vindt in vennen in hoofdzaak plaats door atmosferische depositie en via het grondwater. Het grondwater wordt verrijkt of vermest met stikstof door uitspoeling van nitraat en soms ammonium uit landbouwgronden en bossen. Vaak gaan bij verrijking met stikstof enkele soorten flink uitgroeien en overheersen zoals Knolrus (Juncus bulbosus) in de waterlaag en Pijpenstrootje (Molinia caerulea) op de oever. In de oorspronkelijke venvegetatie treden deze soorten niet op de voorgrond. Als gevolg van de toegenomen plantengroei vormt zich een sliblaag in het ven. De kale zandige oevers en onderwaterbodems verdwijnen onder die sliblaag.
Fosfaatverrijking vindt vooral plaats door aanvoer van fosfaatrijk water, afspoeling van fosfaat vanuit aangrenzende landbouwgebieden of via de uitwerpselen van grote hoeveelheden waterwild of grote grazers. Vooral de Grauwe gans (Anser anser) vormt een snel groter wordend probleem in vennen. Ook kan fosfaatvermesting optreden omdat fosfaat beschikbaar komt dat eerder is ingespoeld en in de bodem is opgeslagen. Deze interne eutrofiëring is vaak het gevolg van een veranderde waterhuishuiding (zie vervolg, onder ‘Wijzigingen in de waterhuishouding'). Fosfaatvermesting leidt in vennen vooral tot algenbloei, slibvorming en dichtgroeien vanuit de oever met Riet (Phragmites australis), Lisdodden (Typha spp) en struweel. De sliblaag bestaat gewoonlijk uit fijnere deeltjes dan in verzuurde vennen. Typische plantensoorten die duiden op verhoogde fosfaatrijkdom zijn onder andere Pitrus (Juncus effusus), Waterpeper (Persicaria hydropiper), Wolfspoot (Lycopus europaeus), Lisdodde (Typha spp), Kroos (Lemna spp.), sterrekroos (Callitriche) soorten, Watervorkje (Riccia fluitans), Bitterzoet (Solanum dulcamara) en Waternavel (Hydrocotyle vulgaris).

Verzuring
Verzuring treedt in de regenwaterafhankelijke vennen van nature op, het proces wordt echter versneld en veranderd door vervuilde neerslag: de verhoogde atmosferische depositie. Verzuring heeft vooral in de periode 1950-1980 plaatsgevonden. Door een grote toevoer van voornamelijk ammonium en sulfaat verzuurden overal zowel vennen als hun inzijggebied: het gebied daaromheen waar het water dat de vennen voedt infiltreert in de bodem. Vooral de zeer zwak gebufferde vennen zijn zwaar door deze verzuring getroffen en in het merendeel van deze vennen is de voor verzuring gevoelige flora en fauna vrijwel geheel verdwenen. Bij de start van het overlevingsplan, het OBN, waren van de meer dan honderd groeiplaatsen van Waterlobelia (Lobelia dortmanna) nog maar twee overgebleven!
Inmiddels is de verzurende depositie meer dan gehalveerd en er treedt enig herstel van vennen op. Dit herstel blijft echter beperkt vanwege remmende processen. In het bezinksel (= sediment) heeft zich zwavel opgehoopt en er vindt nalevering van zuur water plaats vanuit het inzijggebied. Als de vennen droogvallen vindt nu verzuring plaats als gevolg van oxidatie van zwavel. Wateren met zwavelrijke sedimenten die periodiek geheel of deels droogvallen kenmerken zich door een afwisseling van zure fasen na lage waterstanden en gebufferde fasen na hoge waterstanden. Bij hoge waterstanden vindt bovendien vaak afsterven van wortelende water- en oeverplanten plaats omdat het zwavel in de bodem dan omgezet wordt in het giftige sulfide.

Wijzigingen in de waterhuishouding
In veel vennen is de toevoer van grondwater verminderd. Vermindering van grondwateraanvoer heeft verschillende belangrijke consequenties. Vaak zorgt in de oude situatie het grondwater voor de buffering van het ven en dan treedt bij vermindering van grondwatertoevoer verzuring op. Bovendien leidt het tot lagere waterstanden in de zomer waardoor verdroging en verzuring gaat optreden, vooral in voorheen niet droogvallende vennen.Bij vermindering van grondwatertoevoer gaan veelal op de oever grondwaterafhankelijke vegetaties achteruit waaronder soortenrijke natte heides en hoogveenvegetaties. In het water kan het aandeel ondergedoken waterplanten achteruit gaan wanneer vermindering van de aanvoer van kooldioxide via grondwater plaatsvindt. Drijftillen kunnen verloren gaan in vennen als gevolg van verlagingen van zomerpeilen en/of verlagingen van de buffercapaciteit. Doordat vermindering van grondwateraanvoer veelal ook neerkomt op een vermindering van de ijzeraanvoer kan ook nog vermesting optreden als gevolg van zogenoemde interne eutrofiëring. Tenslotte worden de voor de soortenrijkdom belangrijke overgangen of gradiënten in waterkwaliteit vaak mede in stand gehouden door grondwateraanvoer en deze gradiënten zullen dus vervagen.

Het grondwater dat de vennen voedt is ergens geïnfiltreerd in de bodem. Wijzigingen in infiltratie- of inzijggebieden, zoals verdroging, bosaanplant en intensivering van de landbouw leiden vaak tot verrijking van het grondwater met sulfaat en met stikstof in de vorm van nitraat. De aanwezigheid van nitraat verhindert dat ijzer in oplossing gaat. Hierdoor kan het ijzergehalte van het kwelwater afnemen. Nitraat heeft in het ven een bemestende invloed, maar kan in de bodem ook ijzer oxideren en hierdoor de ijzer-fosfaatbinding verbeteren (zie ijzerhuishouding). Verder komen bufferstoffen vrij bij reductie van nitraat tot ammonium of bij opname door planten. Toestroom van sulfaat kan via interne eutrofiëring juist leiden tot beschikbaar komen van fosfaat. Ook wordt bij hoge sulfaatconcentraties de productie van methaangas geremd, waardoor drijftillen kunnen gaan zinken. Mogelijk geldt het zelfde voor nitraat. Al met al is het samenspel van sturende factoren en processen in water en bodem in en rond vennen behoorlijk ingewikkeld.

Bosopslag en bosaanplant
Tussen 1880 en 1950 is het halfnatuurlijke landschap ingrijpend gewijzigd. Veel heiden en stuifzanden zijn beplant met bos. Hierdoor is de hoeveelheid blad die inwaait in veel vennen sterk toegenomen en is de windwerking sterk afgenomen. Dit heeft geleid tot slibophoping in de vennen, op alle oevers en in het hele ven. Ook neemt door de bosaanplant de grondwatertoevoer af en de nitraattoevoer door uitspoeling naar de vennen toe. In vergelijking met lage vegetatie verdampen bomen namelijk meer water. Ook vangen ze meer stikstof uit de lucht in, dat uiteindelijk in het grondwater terecht komt als nitraat

Klimaatverandering
Een nieuwe mogelijke bedreiging is de stijging van de temperatuur in Nederland als gevolg van klimaatverandering. De opwarming bedraagt de laatste jaren al gemiddeld 1 tot 2 graden en zal in deze eeuw enkele graden verder oplopen. Door de warmere zomers neemt in vensystemen de kans op droogvallen in de zomer toe. Dat is gunstig voor de karakteristieke natuur van de meeste zwak gebufferde vennen. Voor vennen met drijftillen of hoogveenachtige vegetaties is de vergrote kans op droogvallen in de zomer echter ongunstig. De klimaatverandering wordt veroorzaakt door een verhoogde kooldioxideconcentratie in de lucht. Die verhoogde concentratie in de lucht leidt tot een verhoogde concentratie in de waterlaag, en dus tot minder schaarste aan koolstof. Dit kan nadelig zijn voor hieraan aangepaste waterplanten, zoals isoetiden.
Het is denkbaar dat isoetide soorten, bijv. Waterlobelia (Lobelia dortmanna) en Biesvarens (Isoetes spp.) met een meer noordelijke verspreiding zich in de toekomst als gevolg van de opwarming van het klimaat zullen gaan terugtrekken naar het noorden. Verder ziet ook de toekomst voor de soms rijke venbegroeiingen op ijsbaantjes er somber uit, omdat verwacht mag worden dat de ijsbaantjes steeds meer in onbruik zullen raken.

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer, Moniek Nooren en Hein van Kleef, mei .2007.

Literatuur:
Vennenhoofdsleutel,17-05-06

Arts, G.en G. van Duinhoven. 2000. Sleutelen aan vennen. Ministerie van LNV, Wageningen.

Arts, G.H.P., P.W.M. van Beers, J.D.M. Belgers & F.G. Wortelboer. 2001. Gedifferentieerde normstelling voor nutriënten in vennen: onderbouwing en toetsing van kritische depositieniveaus en effecten van herstelmaatregelen op het voorkomen en isoetiden.

Duinen, G.-J.van, R.Bobbink, C. van Dam, H. Esselink, R.Hendriks, M. Klein, A. Kooijman, J. Roelofs & H. Siebel (Redactie). Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit: 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het overlevingsplan bos en natuur, Rapport EC-LNV nr. 2004/305, Ede, 2004

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website