Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Vochtige heide (N06.04) / Natte heide / Herstelbeheer

Natte heide

Inhoud van deze pagina

HERSTELBEHEER
Herstel van waterhuishouding is cruciaal
Lokale versus regionale waterhuishouding
Water in sloten opstuwen of sloten dempen
Lekken in ondoorlatende lagen afdichten
Verdamping verminderen op gebiedsniveau
Verdamping verminderen op lokaal niveau
Vernatting faseren en peil ‘natuurlijk' houden
Plaggen moet vooral kleinschalig
Verzuurde natte heide bekalken na plaggen
Buffering herstellen door toevoegen van basische stoffen
 

Herstel van waterhuishouding is cruciaal
Herstel van de waterhuishouding staat vaak centraal bij herstel van de natte heide. Door daarbij grondwater weer enige invloed te geven en weer een lichte buffering te krijgen is tegelijkertijd ook verzuring tegen te gaan. Verder wordt ook kleinschalig plaggen hier als herstelmaatregel beschreven, hoewel het ook min of meer een reguliere maatregel is. Algemene richtlijnen voor plagbeheer staan beschreven onder heide en stuifzand.

Lokale versus regionale waterhuishouding
Het is niet altijd duidelijk of de waterhuishouding in een gebied vooral is aangetast door lokale of regionale ingrepen. Lokale oorzaken voor verdroging zijn bijv. de aanleg van ontwateringsgreppels en waterschapsleidingen en lokale bosopslag in de natte heide. Regionale oorzaken zijn ontwatering en/of een toegenomen verdamping in de gebieden die grenzen aan de natte heide. Vaak is een hydrologische studie nodig om hier enig zicht op te krijgen. Veel voorkomende aantastingen van de regionale waterhuishouding hebben te maken met drainage voor landbouw of woningbouw, drinkwaterwinning, aanleg van diepe zand- en grindwinningen en grootschalige bosaanplant op voormalig heideterrein. Indien de verdroging vooral regionale oorzaken kent, is overleg met de betrokkenen nodig om vast te stellen in hoeverre vernatting van heide weer mogelijk is. Het gaat bijv. om overleg met boeren, waterwinners en gemeenten. Als er weinig mogelijkheden zijn, is het wellicht beter om de doelstelling voor het gebied bij te stellen en een droge heide met lokaal en tijdelijk vochtige plekken na te streven.

Water in sloten opstuwen of sloten dempen
 De drainerende werking van sloten omvat verschillende aspecten. Ze voeren water af, maar ze bergen ook water. Vooral bij grotere sloten in kleine grondwatersystemen kan het om relatief veel water gaan. De sloten ontwateren het grondwatersysteem, maar vlakbij de sloten zal de grondwaterstand juist stabieler zijn. Ten derde zijn sloten soms door waterkerende lagen heen gegraven, waardoor ze als lek in een schijngrondwaterspiegel fungeren.
Waterafvoer, het eerste aspect van de drainerende werking, kan worden tegengegaan door het water in de sloot op te stuwen tot op het gewenste niveau. De vergrote waterberging, aspect twee, is tegen te gaan door de hele sloot te dempen of eventueel te verondiepen. Ongewenste lekkage tenslotte kan worden tegengegaan door een nieuwe waterkerende laag aan te brengen van bijvoorbeeld leem of zwartveen. In kleine grondwatersystemen heeft zelfs het dempen van een enkele ondiepe greppel soms al een flinke vernatting tot gevolg.

Lekken in ondoorlatende lagen afdichten
 Tijdens de ontginning van natte heides zijn vaak met opzet ondoorlatende lagen doorbroken. Veel vennen en laagten aan de randen van heideterreinen zijn doorsneden met diepe sloten die dwars door waterkerende lagen heen zijn gegraven. Deze vennen fungeerden vaak als opvanggebied voor het water dat ondergronds uit de heide afstroomde. Het is vaak onmogelijk om deze voormalige vennen, die nu meestal in landbouwkundig gebruik zijn, weer te herstellen. Het is dan beter om zo veel mogelijk de toestroom van oppervlaktewater en grondwater uit de heide tegen te gaan, door sloten op te stuwen of te dempen of door het plaatsen van waterdichte schermen.
Op de heide zelf is in veel vennen en laagten ook lekkage ontstaan door beschadiging tijdens bodembewerking of door verdroging van waterkerende organische lagen tijdens extreem droog weer. Dergelijke lekken kunnen worden gedicht door op de bodem een leem- of zwartveenlaag aan te brengen.

Verdamping verminderen op gebiedsniveau
 De mate van verdamping van een bodem met vegetatie neemt toe in de volgende volgorde: stuifzand - humusarme heide - humusrijke heide - loofbos - naaldbos. Door omzettingen van deze types van vegetatie in andere types en door de verwijdering van organisch materiaal kan de waterlevering naar de ondergrond dus sterk worden gestimuleerd. Het effect van zulke omzettingen in het vegetatiepatroon hangt verder vooral af van het grondwatersysteem. Op gebiedsniveau is eerst een zorgvuldige studie vereist om de effecten van het verwijderen van bos, bosopslag en organische bodems te kunnen inschatten. Het herstelbeheer gaat dan over in inrichtingsbeheer

Verdamping verminderen op lokaal niveau
In kleine systemen met een schijngrondwaterspiegel kunnen lokale vegetatieomzettingen zeer effectief zijn. Plaggen is in deze systemen een reguliere maatregel en dat geldt ook voor het verwijderen van bosopslag zo lang dit een onderdeel is van een herstelplan met meerdere maatregelen.
Voor meer regionale systemen zullen ook grootschalige omvormingen nodig zijn en is vooronderzoek of een deskundigenadvies nodig. Bijvoorbeeld wanneer vermoed wordt dat grootschalige bosontwikkeling heeft geleid tot een verminderde grondwateraanvoer en overwogen wordt om naaldbos grotendeels te kappen of om te zetten in loofbos.

Vernatting faseren en peil ‘natuurlijk'houden
Het vasthouden van het water is in de natte heide, zoals in alle natte ecosystemen, een herstelmaatregel die met de nodige voorzichtigheid moet worden toegepast. In doorstroomsystemen bestaat de kans dat hiermee de doorstroming wordt geblokkeerd, waardoor de veengroei geremd wordt, plantensoorten van stromend grondwater achteruit zullen gaan en de kans op interne eutrofiëring toeneemt.
Verder kan een snelle verhoging van het grondwaterpeil ook negatieve gevolgen hebben voor de fauna, bijvoorbeeld voor het Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon) en hun gastheren de Knoopmieren en voor het Veenhooibeestje (Coenonympha tullia). Rupsen van het Veenhooibeestje verdrinken na enkele dagen van overstroming. Ook is waargenomen dat langdurige overstroming voor veel spinnen fataal is. Op sommige plaatsen zijn slangenpopulaties geheel of nagenoeg geheel verdwenen doordat hun overwinteringsplekken overstroomden als gevolg van een plotselinge peilopstuwing in de winter.
Door een vernatting geleidelijk plaats te laten vinden is zulke schade aan flora en fauna te voorkomen. Het beste is de peilverhogingen zo te in fases te doen verlopen, dat op de meest gevoelig plekken een jaarlijkse peilverhoging van hooguit enkele centimeters optreedt. Daarnaast is het belangrijk dat de vernattingsmaatregelen niet leiden tot een verstoring van de natuurlijke peilfluctuatie. Het is ‘natuurlijk' of normaal dat in natte heides in het zomerseizoen enige uitdroging optreedt; men hoeft dit niet te compenseren door het sterker opstuwen van water.

Plaggen moet vooral kleinschalig
In door vermesting aangetaste natte heides is plaggen ofwel verwijderen van de vegetatie- en strooisellaag een veel uitgevoerde maatregel. De algemene richtlijnen voor plaggen ten behoeve van herstel staan vermeld bij heide en stuifzand. In natte heide is het van groot belang het plaggen kleinschalig uit te voeren. Natte heides liggen vaak op overgangen van droge bodem naar bijvoorbeeld open water. Hier pendelen veel kleine dieren heen en weer en als de hele overgangszone met natte heide of de hele oeverzone wordt afgeplagd moeten deze dieren daarbij voortdurend een kale vlakte gaan oversteken. Door bij het plaggen kleine stukken te plaggen in plaats van een strook langs de oever is deze verstoring aanzienlijk te beperken.

Wat de vegetatie aangaat moet bij het plaggen in het bijzonder worden gelet op groeiplaatsen van Beenbreek (Narthecium ossifragum) en Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe). Beide soorten produceren kortlevende zaden en kunnen zich dus niet of nauwelijks vanuit een zaadbank vestigen. Het is noodzakelijk om deze soorten bij het plaggen te sparen. Uitbreiding van deze soorten is te stimuleren door direct naast hun groeiplaatsen te plaggen. Hierbij moeten wel de nesten van Knoopmieren gespaard worden, die juist weer graag in de horsten van Pijpenstrootje zitten. Op plekken waar Gentiaanblauwtje aanwezig is, is een op deze soort gericht beheer dus gunstig voor bijna alle andere soorten van de natte heide.

Verzuurde natte heide bekalken na plaggen
Indien er in de natte heide plantensoorten achteruit gaan of verdwenen zijn die wijzen op een zeer lichte buffering, kan worden overwogen om deze buffering te herstellen. Voorbeelden van dergelijke soorten zijn Beenbreek (Narthecium ossifragum), Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), Blauwe zegge (Carex panicea) en Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica).
Soms worden geplagde delen van natuurterreinen na het plaggen licht bekalkt om de gebufferde situatie te herstellen en zo de biodiversiteit terug te krijgen. De toepassing van bekalking is te overwegen in natte heides die zijn verzuurd, met uitzondering van venige situaties want hier bestaat het risico dat het veen versneld gaat afbreken. In heide gaat het daarbij om gebruik van ongeveer 1 ton kalk (calcium- en magnesiumcarbonaat) per hectare. De bekalking heeft twee voordelen. Ten eerste voorkomt dit sterfte van bijvoorbeeld Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) en Bremsoorten (Genista) door ammoniumvergiftiging omdat de combinatie van veel ammonium en een zure bodem dan niet op zal treden. Ten tweede wordt door de lichte buffering na enige tijd meer ammonium omgezet in nitraat en vervolgens afgevoerd naar het grondwater. Stikstof verdwijnt zo uit de heidebodem.

Inzijggebied bekalken of op andere manieren buffering herstellen?
Door de afgeplagde heidebodem of het inzijggebied eenmalig te bekalken met 1-2 ton kalk per hectare kan de buffering voor lange tijd worden hersteld. Hoe lang dat is, moet de toekomst uitwijzen, maar het lijkt er op dat de werking bij de huidige zuurdepositie zeker meer dan tien jaar aanhoudt. Een uitgebreidere beschrijving van het opbrengen van leem en bekalking en de effecten hiervan is opgenomen onder heischraal grasland.
Een andere mogelijke manier van toevoeging van basische stoffen is de aanleg van paden met gebufferd materiaal, bijvoorbeeld leem of schelpen. Langs de randen van dergelijke paden kunnen soorten als Grondster (Illecebrum verticillatum), Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata) en Tormentil (Potentilla erecta) verschijnen, en soms ontstaat op den duur zelfs een heischraal grasland.Voor natte heides die gelegen zijn in (voormalig) stuifzand is het op gang brengen van verstuiving een mogelijkheid om weer enige buffering aan te brengen.

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer & André Aptroot

Literatuur:
Bobbink, R., E. Brouwer, J.G. ten Hoopen & E. Dorland, 2004. Herstelbeheer in het heidelandschap: effectiviteit, knelpunten en duurzaamheid. In: Van Duinen e.a. (eds.) Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit. 15 Jaar herstelmaatregelen in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur. pp. 33-70. Expertise Centrum -LNV, Ede.

De Graaf, M., P. Verbeek, S. Robat, R. Bobbink, J. Roelofs, S. de Goeij & M. Scherpenisse, 2004. Lange-termijn effecten van herstelbeheer in heide en heischrale graslanden. Rapport 2004/288-O, Expertise Centrum-LNV, Ede. 219 pp.

Dorland, E., R. Bobbink, E. Brouwer, C.J.H., Peters, P.J.M. van der Ven, Ph. Vergeer, G.M. Verheggen & J.G.M. Roelofs, 2000. Herintroductie en bekalking van het inzijggebied. Aanvulling bij effectgerichte maatregelen in het heischrale milieu. Universiteit Utrecht & Katholieke Universiteit Nijmegen, Utrecht/Nijmegen.

Dorland, E., R. Bobbink & E. Brouwer, 2005. Herstelbeheer in de heide: een overzicht van maatregelen in het kader van OBN. De Levende Natuur 106 (5): 204-208.

Ketelaar, R. & M. F. Wallis de Vries, 2005. Gaan begrazing op de natte heide en het gentiaanblauwtje samen? De Levende Natuur 106 (5): 222-226.

Nuis, C, 2003. Herstelbeheer in heide bij Staatsbosbeheer. Uitgave Staatsbosbeheer

Siepel, H., F.A. Bink, D.C. van der Werf & F.I.M. Maaskamp, 1996. VLINDEREXPERT, een expertsysteem voor vlindervriendelijk terreinbeheer. IBN-DLO, Wageningen.

Van Turnhout, E. Brouwer, M. Nijssen, S. Stuijfzand, J. Vogels, H. Siepel & H. Esselink, 2006. Herstelmaatregelen in heideterreinen. Samenvatting OBN-onderzoek en richtlijnen met betrekking tot de fauna. Onderzoekconsortium van Stichting Bargerveen, Afdeling Dierecologie - Radboud Universiteit Nijmegen, VOFF, B-ware & Alterra. Uitgave Expertise Centrum-LNV, Ede.

Van Turnhout, C.A.M., S.C. Stuijfzand & H. Esselink, 2001. Is het huidige herstelbeheer toereikend voor de heidefauna? De Levende Natuur 102 (4): 183-188.

Verstegen, M.A.J.M., H. Siepel, A.H.P. Stumpel & H.A.H. Wijnhoven, 1992. Heide en heidefauna: indicaties voor het beheer. Rapport no. 92/26, IBN-DLO, Arnhem, 112 pp.

Vries, M.W. de, 2003. Beschermingsplan Gentiaanblauwtje 2003-2007. Rapport 2003/230, Ministerie van LNV, Expertisecentrum

Zie ook http://www.gentiaanblauwtje.nl/

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website