Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Hoogveen (N06.03) / Herstellend hoogveen / Herstelbeheer

Herstellend hoogveen

Inhoud van deze pagina

HERSTELBEHEER
Uitgangssituatie bepaalt de kansen
Schaalniveaus bij de aanpak onderscheiden
Doel is herstel van een functionerende acrotelm
Belang van een stijghoogte van het regionale grondwater tot in de veenbasis
Veenmosgroei blijft uit in diep water op zwartveen
Goede voorbereiding voorkomt missers
Samenvatting van aanbevelingen voor herstel van hoogveen

MAATREGELEN ONDER DE LOEP
Vernatten van witveen door ‘vermorsing'
Drijftilvorming bevorderen op zwartveenlocaties
Plas-dras vernatten van zwartveen
Introductie van ‘sleutelsoorten'?
Voor behoud en herstel van faunadiversiteit zorgen
Plaagdieren bestrijden

Met bijdragen van
Literatuur 


 
Uitgangssituatie bepaalt de kansen
Het herstelbeheer van herstellend hoogveen richt zich uiteraard op het inblazen van nieuw leven in het hoogveen en concentreert zich daarbij op het actief hoogveen. Welke herstelmaatregelen het meeste perspectief bieden op succesvol herstel, is afhankelijk van de uitgangssituatie. Hebben we te maken met witveen of zwartveen? Is de veenbasis gebufferd of niet? Zijn relictpopulaties van karakteristieke soorten aanwezig? Hieronder volgt een overzicht van allerlei mogelijke herstelmaatregelen die worden beschouwd als zogenoemde experimentele of proefmaatregelen. Het bevorderen van herstel is erg moeilijk in hoogveenrestanten. Successen vergen deskundig vooronderzoek en inzicht in de hydrologische en chemische processen.

Schaalniveaus bij de aanpak onderscheiden
Voor de aanpak van het herstel van het hoogveensysteem is het van belang te weten dat de herstellende ingrepen op een verschillend schaalniveau effect kunnen hebben. Zo wordt het herstel van standplaatscondities voor hoogveensoorten of hoogveengemeenschappen gezien als een effect op microschaalniveau. Uiteindelijk moet de ontwikkeling van een acrotelm over grotere oppervlakte leiden tot het ontstaan van de hydrologische zelfregulering die voor het functioneren van het hoogveensysteem zo belangrijk is. Hier hebben we het al duidelijk over een systeemniveau of mesoschaalniveau. Wanneer het hoogveensysteem eenmaal begint te functioneren, kan dit ook de omgeving van het hoogveen gaan beïnvloeden. Zo kunnen aan de randen van het veen, waar het zure voedselarme water uit het veen zich vermengt met voedselrijker, gebufferd water uit de omgeving, gradiënten ontstaan, zogenaamde ‘lagg'-zones. Hier hebben we het al over het gehele hoogveenlandschap en dus over de landschapschaal of het macroschaalniveau.
Voor het bereiken van herstel op microschaal zullen echter wel vaak eerst maatregelen op meso- en/of macroschaal nodig zijn. Daar in de meeste vergraven en verdroogde hoogveenrestanten nauwelijks veenmosgroei optreedt, zullen eerst de juiste voorwaarden voor de groei van veenmossen moeten worden geschapen. Dit betekent in de praktijk dat er vernattingsmaatregelen genomen moeten worden. Hierbij kan het wenselijk zijn maatregelen op regionale schaal, dus macroschaalniveau, te nemen, bijvoorbeeld om het regionale grondwater in de veenbasis te krijgen.

Doel is herstel van een functionerende acrotelm
Een goed ontwikkeld veenmosdek speelt een cruciale rol in de hydrologie van hoogvenen. De laag van levende veenmossen vormt samen met de direct daaronder gelegen laag van recent afgestorven veen de zogenoemde acrotelm. De acrotelm is doorgaans maximaal 0,5 m dik en heeft zelfregulerende hydrologische eigenschappen die een hoogveen tot een hoogveen maken. Het vermogen van de acrotelm water door te laten neemt af bij toenemende diepte, omdat in die richting de mate van decompositie en samendrukking van het veen toeneemt en daardoor de poriën in het veen kleiner worden. Dat wil dus ook zeggen dat met een dalende waterspiegel de laterale afvoer van het water uit het veen geremd wordt. De acrotelm heeft in vergelijking met het sterker gehumificeerde veen dat eronder ligt, de catotelm, een hogere bergingscoëfficiënt. Deze eigenschap maakt dat verdamping en afvoer bij aanwezigheid van een acrotelm minder effect hebben op de waterspiegel van het veensysteem. Daarnaast heeft ook het levende veenmosdek een regulerende invloed op de verdamping. Dat komt doordat capillaire nalevering van water in het veenmosdek aanzienlijk vermindert wanneer het waterniveau in de acrotelm daalt. Bovendien worden bij sterke verdamping de hyaline cellen van de veenmossen leeggezogen en raken deze gevuld met lucht. Hierdoor wordt het veenmosdek ‘witter' en wordt meer zonlicht gereflecteerd en minder warmte opgenomen, waardoor de verdamping weer remt.
Niet alle veenmossoorten beschikken in dezelfde mate over de juiste eigenschappen om een goed functionerende acrotelm te vormen. De beste soorten zijn in dit verband de veenmossoorten die tot enkele decimeters boven het lokale waterpeil kunnen groeien, de zogenaamde bultvormers, in Nederland vooral Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum), Hoogveenveenmos (S. magellanicum) en Rood veenmos (S. rubellum). Voor een duurzame instandhouding en uitbreiding van actieve hoogvenen is de blijvende aanwezigheid van een functionele acrotelm van essentieel belang en hiermee dus ook de aanwezigheid van bultvormende veenmossoorten: ze worden daarom ook ‘sleutelsoorten'genoemd.
Op basis van onderzoek aan het herstel van de acrotelm in Ierse hoogvenen kan gezegd worden dat een door uitdroging beschadigde acrotelm zich in een decennium flink kan herstellen, mits de hydrologische en chemische condities gunstig zijn. De tijdsduur waarin de acrotelm zich kan herstellen wordt voor een groot deel bepaald door de duur van de verdrogingsperiode waaronder de acrotelm schade heeft opgelopen. In Nederland hebben we vrijwel geen acrotelmrestanten meer. Vrijwel overal is in onze veenrestanten de acrotelm in het verleden afgegraven en meestal ook de pakketten weinig vergaan veen (het zogenoemde ‘witveen'). Voor Nederlandse hoogveenrestanten betekent dit, dat ook in hydrologisch goed beheerde hoogveenrestanten de ontwikkeling van een functionerende acrotelm een langdurige kwestie kan zijn. Ook het eventueel aan de oppervlakte liggende ‘witveen' heeft namelijk al langdurig aan verwering blootgestaan. Op basis van de Ierse ervaring is echter aan te nemen, dat als acrotelmvorming met een behoorlijke recycling van koolstof eenmaal op gang is gekomen, het proces van ontwikkeling van zelfregulatie in de acrotelm een kwestie van wellicht niet meer dan enkele decennia zou kunnen zijn. Dat is voor de ontwikkeling van een hoogveensysteem toch een betrekkelijk korte termijn.


Belang van een stijghoogte van het regionale grondwater tot in de veenbasis
Voor het herstelbeheer kan het van belang zijn dat het regionale grondwater tot in de veenbasis reikt. Dit is vooral het geval wanneer er nog maar een dun veenpakket aanwezig is en de wegzijging groot is. Door de tegendruk van het regionale grondwater te verhogen, wordt de wegzijging sterk gereduceerd. Bij een geringe wegzijging van water door het restveenpakket kan dit pakket langzaamaan dichtslibben en zo uiteindelijk de wegzijging beperken. Wanneer het gebufferde regionale grondwater tot in de veenbasis reikt, wordt niet alleen de wegzijging gereduceerd, maar het regionale grondwater zorgt ook voor een buffering van de veenbasis. Buffering van de veenbasis (verhoging van de pH) leidt via een lichte stimulatie van de veenafbraak tot een verhoogde beschikbaarheid van kooldioxide en methaan. Wanneer het veenpakket dun is, stimuleert dit de groei van veenmossen die boven het veenpakket groeien.

Veenmosgroei blijft uit in diep water op zwartveen
In de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw is vaak gekozen voor zeer grootschalige vernattingsmaatregelen en werden grote delen van zwartveenrestanten onder water gezet. In deze plassen bleek nauwelijks groei van veenmos op te treden, tenzij zich drijftillen van opdrijvende veenbodem ontwikkelden. Bij afwezigheid van zulke drijftillen is nieuwe hoogveenvorming alleen mogelijk wanneer de waterlaag gaat dichtgroeien met in het water groeiende veenmossen; dus als veenmosverlanding plaatsvindt. Vestigingen en groei van Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) treden in de plassen op de zwartveenvlaktes wel op, maar blijven over het algemeen beperkt tot hooguit een halve meter diepe delen van deze plassen. Alleen als het oppervlaktewater rijk is aan CO2 (meestal door afbraak van het onderliggende restveen) kan Waterveenmos drijvende tapijten vormen. Alleen bij een hoge CO2-spanning in het water kan voldoende fotosynthese door ondergedoken Waterveenmos plaatsvinden en worden voldoende zuurstofbelletjes tussen de blaadjes van het veenmos gevormd om het veenmostapijt te laten opdrijven. Als het oppervlaktewater niet met CO2 (of methaan) wordt aangerijkt, kan het beter zijn om bij vernatting van sterk gehumificeerd zwartveen te kiezen voor een plas-dras vernatting, hoewel zich dan problemen met de stabiliteit van de waterstand kunnen voordoen.
Omdat de vestigingsproblemen van de veenmossen, in het bijzonder van Waterveenmos, destijds niet te voorzien waren, ging bij de herstelprojecten in hoogveenrestanten aanvankelijk de voorkeur uit naar een vernatting waarbij het verdroogde veen onder water komt te staan en een stabiele waterstand wordt verzekerd. De oorzaken van de vestigingsproblemen in de diepe plassen zijn inmiddels onderzocht en ze kunnen niet worden weggenomen. Voorwaarde voor de groei van veenmossen is uiteraard dat fotosynthese kan plaatsvinden. Daarvoor zijn niet alleen gedurende het hele jaar natte omstandigheden nodig, maar ook licht en de al genoemde hoge concentratie van koolstofdioxide of methaan in de directe omgeving van de veenmossen. Veenmossen die in direct contact staan met de atmosfeer, kunnen daaruit koolstofdioxide opnemen. Voor de groei van veenmossen onder de waterspiegel moet niet alleen voldoende licht in het water kunnen doordringen, het water moet ook een hoge koolstofdioxide- of methaanconcentratie hebben. Enkel diffusie van koolstofdioxide vanuit de atmosfeer naar het water levert onvoldoende koolstof voor veenmosgroei. Het is daarom noodzakelijk dat ofwel koolstofdioxiderijk water toestroomt vanuit de omgeving, of dat koolstofdioxide en/of methaan vanuit het onderliggende restveen de levende veenmossen bereikt. Dit betekent dat er voldoende afbraak van bodemmateriaal moet plaatsvinden. In geïnundeerd sterk gehumificeerd zwartveen is de afbraak vaak zo gering, dat er te weinig nalevering van CO2 plaatsvindt om een goede groei van Waterveenmos mogelijk te maken: > 500 µmol CO2 per liter.
Het doordringen van licht in de waterlaag wordt beperkt door de donkere kleur van het water. Het water in de veenrestanten is bijna altijd ‘dystroof', dat wil zeggen: het is donker gekleurd door humuszuren. Door deze humuszuurkleuring dringt er weinig licht door in diep water en daarom kan op de bodem van diepe plassen geen veenmos groeien. In het gunstigste geval bedraagt de diepte waarop nog 5 % van het daglicht doordringt ruim een halve meter. Deze 5 % is bij benadering de minimale hoeveelheid licht die Waterveenmos nodig heeft om te kunnen groeien. Dit betekent dat in water dat dieper is dan een halve meter veenmosgroei over het algemeen slecht verloopt.

Goede voorbereiding voorkomt missers
Op basis van de kennis die is opgedaan binnen het onderzoeksprogramma OBN Hoogvenen is een stappenplan voor herstelprojecten opgesteld. Het belangrijkste onderdeel van het herstelprogramma in hoogvenen is het vooronderzoek. Dit vooronderzoek levert een diagnose van de uitgangssituatie. Het geeft een uitgebreide en zo accuraat mogelijke beschrijving van de aanwezige vegetatietypen en faunaelementen. Daarnaast omvat het een nauwkeurige beschrijving van de hydrologie en een analyse van de eventuele relatie tussen de regionale hydrologie en de hydrologie van het systeem. Het vooronderzoek geeft antwoord op belangrijke vragen zoals: speelt wegzijging een belangrijke rol of is er aanvoer van grondwater en vindt afstroming over het veenoppervlak plaats? En: wat zijn de bergingseigenschappen van de nog aanwezige veenlagen? Daarnaast is vooral ook het vastleggen van de eigenschappen van het nog aanwezige veen van belang, bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of na eventuele overstroming drijftilvorming te verwachten valt. Verder kan het gehalte aan beschikbare voedingsstoffen van de toplaag een indicatie geven van de te verwachten vegetatieontwikkeling, onder invloed van de huidige stikstofdepositieniveaus.
Een goed vooronderzoek vormt de beste basis voor een doeltreffend herstel- en beheersplan. Daarbij worden voor de verschillende terreindelen doeltypes toegekend, rekening houdend met de mogelijkheden die deze terreindelen vertegenwoordigen. Vervolgens wordt dan op basis van de lokale situatie en het geheel aan ervaringen en kennis een vernattingsstrategie uitgewerkt die in hoofdzaak gericht is op de ontwikkeling van een acrotelm in de daarvoor meest kansrijke terreindelen. Wanneer in het gebied nog zeldzame of karakteristieke soorten voorkomen is het belangrijk om na het vooronderzoek een bezinningsfase in te gelasten. Die fase dient om opnieuw een afweging te maken voorafgaand aan de uiteindelijke beslissing. Is hoogveenontwikkeling in het gebied inderdaad wenselijk, en zo ja, hoe kan deze in het terrein het beste op gang gebracht worden in verband met de generale doelstelling om zeldzame soorten te beschermen. In deze bezinningsfase moet worden onderzocht in hoeverre eventuele maatregelen in het terrein het voortbestaan van deze soorten in gevaar zouden brengen en moeten randvoorwaarden worden geformuleerd die bij het opstellen van het herstel/beheersplan in acht moeten worden genomen om dit te voorkomen.
Een monitoringprogramma, een programma voor het volgen van de verandering die door de vernattingsmaatregelen optreden, zorgt voor de nodige terugkoppeling. Belangrijk is de resultaten van de monitoring regelmatig te toetsen aan de doelstellingen die zijn geformuleerd in het herstel/beheersplan. Op basis van deze terugkoppeling kunnen nieuwe maatregelen worden genomen of kan aanvullend beheer plaatsvinden. Zo nodig zijn ook aanvullende hydrologische maatregelen uit te voeren. Ook de effecten van deze maatregelen worden vervolgens weer vastgelegd. De monitoring vormt dus de basis voor het bijsturen en voor het vervolgbeheer na de uitvoering van de ingrepen die de vernatting bewerkstelligen. Het is belangrijk om in alle verschillende onderdelen van het hoogveenrestant de veranderingen te volgen - niet alleen in die, waar herstel van acrotelmcondities wordt nagestreefd. Op die manier is na te gaan in hoeverre de vernattingsmaatregelen de overige terreindelen en het systeem als geheel beïnvloeden.

Samenvattende aanbevelingen voor het herstel van hoogveen


MAATREGELEN ONDER DE LOEP

Vernatten van witveen door ‘vermorsing'
In niet of nauwelijks vergraven hoogveenrestanten waar sprake is van verdroging van de toplaag van het veen, het zogenoemde witveen, vindt vaak nauwelijks nog veenmosgroei plaats. Deze terreinen worden, door een combinatie van droogte en hoge stikstofdepositie, vaak gedomineerd door Pijpenstrootje, Berken en heidesoorten. Vernatten tot een niveau waarbij het water in ieder geval gedurende grote delen van het jaar in of net boven het maaiveld staat, of zogenoemde ‘vermorsing' kan tot een zeer positieve ontwikkeling van de vegetatie leiden. Zulke vernatting is te bereiken door het afsluiten of dempen van sloten of de aanleg van dammen zodat meer water wordt vastgehouden. Witveen heeft als gunstige eigenschap dat het opzwelt bij vernatting en inkrimpt bij verdroging, waardoor waterstandsfluctuaties worden gedempt. Na vernatting neemt de bedekking door heidesoorten en Pijpenstrootje sterk af terwijl veenmossen en cypergrassen zoals Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum) en Veenpluis (Eriophorum angustifolium) zich sterk kunnen uitbreiden. Pollen van Eenarig wollegras geven een goede beschutting voor de veenmossen in de drogere zomerperiode en bieden bovendien een structuur waar de veenmossen bij wat hogere waterstanden tegenop kunnen groeien, de zogenoemde ‘pollenbuffering'. De mate waarin Eenarig wollegras zich uitbreidt na vernatten blijkt onder andere af te hangen van de nutriëntenrijkdom van het systeem. Zeker wanneer in het witveenrestant nog karakteristieke en zeldzame soorten voorkomen, is het belangrijk dat de situatie in het maaiveld geleidelijk verandert; dus geen grootschalige inundatie in gang zetten! Een veenmosrijke plas-dras situatie kan binnen enkele decennia bewoond worden door diverse min of meer typische soorten loopkevers, spinnen en mieren. Bepalend voor de diersoortensamenstelling na de uitvoering van de herstelmaatregelen zijn het bereikte vochtregime en de ontwikkelde vegetatiestructuur, maar ook het kolonisatievermogen van soorten en of relictpopulaties van slecht verspreidende soorten in het terrein behouden blijven.

Drijftilvorming bevorderen op zwartveenlocaties
 In veel hoogveenrestanten is verveend tot op het zwartveen. Dan zal het herstel moeizamer verlopen dan in geval van witveen. In de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw werden bij vernattingspogingen grote delen van zwartveenrestanten geïnundeerd. Omdat de waterbergingscoëfficiënt van zwartveen erg laag is, treden bij vernatting van zwartveen al snel grote waterstandsfluctuaties op. Het onder water zetten was een manier om stabiliteit te verzekeren. Het is echter duidelijk geworden dat overstroming van zwartveenrestanten alleen tot beginnende hoogveenverlanding gaat leiden wanneer drijftillen van veenbodem ontstaan of wanneer een sterke onderwatergroei optreedt van Waterveenmos. Hiervoor is een hoge beschikbaarheid van CO2 of methaan in de waterlaag nodig. Drijftillen gaan met de fluctuatie van de waterstand op en neer en bieden daardoor uitstekende condities voor veenmosgroei. Daarom is, met het oog op bevordering van hoogveenherstel, onderzoek opgestart naar de omstandigheden waaronder dit verschijnsel zich voordoet. Bovendien is op verschillende plaatsen geprobeerd de drijftilvorming te bevorderen. Drijftillen ontstaan met name wanneer nog een toplaagje van weinig gehumificeerd veen aanwezig is. Dit kan bijvoorbeeld de in het verleden teruggestorte bolster zijn. Dit weinig gehumificeerde veenlaagje kan loskomen van het zwartveen en een drijvende laag vormen waarop zich vervolgens veenmossen kunnen vestigen. De drijvende veenlaag blijkt in tegenstelling tot niet drijvende - overstroomde - veenbodem een hoge potentiële methaanproductie en een laag volumegewicht (=soortelijke massa) te hebben. Verder is de drijvende veenlaag over het algemeen rijker aan fosfor en armer aan stikstof. Het niet drijvende veen is in sterkere mate gehumificeerd; het hogere volumegewicht en de hogere concentraties van moeilijk afbreekbare organische verbindingen, zoals lignine en fenolen, duiden daarop. Ook de pH van het veenvocht blijkt de potentiële methaanproductie in belangrijke mate te beïnvloeden. Zure omstandigheden remmen de microbiële activiteit en daardoor hebben veenbodems met een hogere pH ook een hogere methaanproductie. De verhouding tussen de pH en het volumegewicht van het veen blijkt een goede indicatie te geven voor de potentiële methaanproductie. De methaan productie is hoog genoeg voor het opdrijven van het veen bij een verhouding tussen de pH en het volume gewicht boven 0,05. Naast een hoge methaanproductie is de structuur van de veenbodem van groot belang voor een permanent drijfvermogen. Het veen moet een bepaalde structuur hebben om de gevormde methaangasbelletjes vast te houden in het veen. Wanneer de veenbodem los van structuur is, ontsnapt het methaan gemakkelijk. De veenlaag zal dan in perioden met een lagere methaanproductie, in de winter, zijn drijfvermogen verliezen.
Op zwartveenlocaties die ten gevolge van de terreineigenschappen nu permanent onder water blijven staan, zijn de perspectieven voor hoogveenontwikkeling niet erg goed. In die gevallen valt te overwegen om drijftilvorming te bevorderen door daarvoor geschikt organisch materiaal uit de toplaag van hoogveengebieden of uit veenheidegebieden te introduceren. Het verdient aanbeveling het beschikbare veenmateriaal voorafgaand aan de introductie eerst te analyseren. Wanneer het materiaal te rijk is aan voedingstoffen bestaat de kans dat de nieuwe drijftil snel dichtgroeit met soorten als Pijpenstrootje en Pitrus. Toediening van kalk aan het veen is beproefd: het stimuleert de methaanproductie en methaan is het letterlijke drijfgas dat het veenmateriaal opdrijft. Bekalking is slechts eenmalig nodig om de pH op te krikken naar ongeveer pH 4.5 - 5 en zo de methaanproductie in het vaak zure witveen dat is ingebracht op gang te brengen. Omdat de productie van methaan een zuurconsumerend proces is, zal de pH wanneer de methaanproductie eenmaal op gang is gekomen niet meer dalen. Het is wel van belang dat nieuwe drijftillen snel gekoloniseerd worden door veenmossen. Drijftillen blijven drijven bij de gratie van de aanwezigheid van organisch materiaal dat nog afbreekbaar is en zo methaangas kan opleveren. Als dat materiaal is verbruikt, zinkt de drijftil. Als voordat het zover is, op de drijftil veenmos of eventueel andere plantensoorten zijn gaan groeien en die begroeiing nu afgestorven resten en afbreekbaar organisch materiaal produceren, blijft de drijftil drijven. Eventueel is te overwegen bultvormende veenmossen te introduceren.

Plas-dras vernatten van zwartveen
 Op locaties met zwartveen waar verlanding via drijftillen of groei van submers Waterveenmos onmogelijk is zal plas-dras vernatting de beste herstelstrategie zijn. De eerste resultaten van proeven met deze strategie beginnen zich af te tekenen. Veenmossen, inclusief sleutelsoorten als Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum) en Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum) kunnen zich goed uitbreiden op plas-dras vernat zwartveen. Dit komt vooral omdat bij plas-dras vernatting de veenmossen kooldioxide uit de atmosfeer kunnen opnemen. Weliswaar bereiken de veenmossen hierbij aanvankelijk niet zo'n sterke groei als het geval is wanneer ze ook kooldioxide kunnen opnemen dat wordt nageleverd uit een minder sterk gehumificeerde veenbodem. De aanwezigheid van pollen Eenarig wollegras heeft bij deze plas-dras vernatting een gunstige invloed op de veenmosgroei vanwege de beschutting die ze bieden.
Voor een sterke veenmosontwikkeling is het essentieel dat tijdens het groeiseizoen het waterpeil niet te ver wegzakt of te ver stijgt. Dit geldt vooral voor de korte termijn. Op de langere termijn hoeft een tijdelijke droogte en/of tijdelijke overstroming niet schadelijk te zijn voor de ontwikkeling van de veenmosvegetatie.
Net als voor plas-dras vernatting van witveen geldt bij plas-dras vernatting van zwartveen dat het belangrijk is dat de situatie in het maaiveld geleidelijk verandert wanneer er nog karakteristieke en zeldzame soorten voorkomen. Een veenmosrijke plas-dras situatie kan binnen enkele decennia bewoond worden door diverse min of meer typische soorten loopkevers, spinnen en mieren. Bepalend voor de diersoortensamenstelling na de uitvoering van de herstelmaatregelen zijn het bereikte vochtregime en de ontwikkelde vegetatiestructuur, maar ook het kolonisatievermogen van soorten en of relictpopulaties van slecht verspreidende soorten in het terrein behouden blijven.
Zwartveen heeft zeer kleine poriën en een stevige structuur door de sterke humificatie. De lage bergingscoëfficiënt van zwartveen maakt het moeilijk om jaarrond stabiele waterstanden te realiseren. Een mogelijkheid is het verdelen van het terrein in vakken, zogenoemde compartimenten. Daarbij wordt een deel van het terrein zo ingericht dat daar zoveel mogelijk water wordt vastgehouden. Dit water wordt gebruikt om in droge perioden water in te laten in de compartimenten die plas-dras worden gehouden. Het hele systeem zal erop moeten worden gericht de situatie in de plas-dras compartimenten zo stabiel mogelijk te houden. Enerzijds moet zo veel mogelijk water in het systeem worden vastgehouden, anderzijds moet het mogelijk zijn een overschot aan water snel af te voeren wanneer het waterpeil te sterk stijgt. Het kan zinvol zijn om het effect van de plas-dras vernatting te vergroten door veenmossen een ‘voorsprong' te geven en de bestaande sterk vergraste vegetatie te verwijderen. Het is beter om vergraste zwartveenrestanten niet te grootschalig van gras te ontdoen, maar met een min of meer kleinschalig mozaïekpatroon te werken. Deze werkwijze beperkt namelijk windwerking en het wegdrijven van veenmossen. De biologische afbraak van dood organisch materiaal kan zorgen voor een hogere beschikbaarheid van kooldioxide voor veenmossen en voor een groter voedselaanbod voor de fauna van de organische modder, de ‘detritivoren'. Echter, ook indien de vergraste vegetatie niet verwijderd wordt, zal bij een goede veenmosontwikkeling door de opname en vastlegging van voedingsstoffen het systeem uiteindelijk zover verschralen dat het voor soorten als Pijpenstrootje, Berk of Pitrus moeilijk wordt zich te handhaven.

Introductie van ‘sleutelsoorten'
 In restanten waar zwartveen overheerst, zullen sleutelsoorten als Hoogveen-veenmos, Wrattig veenmos en Rood veenmos doorgaans nog maar zeer sporadisch aanwezig zijn. Veenmosverlanding kan echter nog steeds optreden. Waarschijnlijk is het wel zo dat de veenmossen bij het herstel aanvankelijk niet tot de bultvormers behoren, maar dat het daarbij eerder gaat om vestigingen en uitbreidingen van Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum), Fraai veenmos (Sphagnum fallax) of Gewoon veenmos (Sphagnum palustre). Wanneer de voedingsstoffenconcentratie in de omgeving afneemt, neemt de groei van deze soorten af en krijgen andere veenmos soorten, zoals bultvormers, pas een kans om zich te vestigen en uit te breiden.
Wanneer de soorten van hoogveenbulten nauwelijks of niet in het terrein voorkomen, kan overwogen worden bultvormers te introduceren. Uit paleobotanisch onderzoek is gebleken dat spontane vestiging van deze soorten honderden jaren op zich kan laten wachten, waarschijnlijk afhankelijk van de heersende locale condities. Gezien de hoge kosten en grote inspanningen die met hoogveenherstelprojecten gemoeid zijn en de sleutelrol van butlvormende veenmossen, is het soms moeilijk verdedigbaar om almaar te blijven wachten tot die soorten vanzelf terugkeren.
Er zijn nu vele locaties waar hoogveenherstel al heeft geresulteerd in de ontwikkeling van veenmostapijten van Waterveenmos en/of Fraai veenmos. Op sommige van die locaties zijn experimenten in gang gezet met introductie van bultvormende veenmossoorten en een deel daarvan levert de eerste positieve resultaten op. In hoeverre dit helpt bij het herstel van hoogveen moet nog verder worden onderzocht. Een succesvolle introductie van veenmossen is altijd afhankelijk van een goede hydrologische uitgangsituatie. Alleen plekken met slechts kleine schommelingen in de waterstand komen daarvoor in aanmerking. Zoals altijd bij introductie van soorten wordt bij introductie van bultvormende veenmossen bij voorkeur gebiedseigen of op zijn minst streekeigen materiaal gebruikt. Ook is het van belang de introductie goed te documenteren en te monitoren.
Introductie van bultvormende veenmossen op de locaties van de experimenten verloopt over het algemeen positief indien kleine plaggen van veenmos met een doorsnede van ca. 15cm worden geïntroduceerd. Het gaat dan om samenhangende plaggen, dus niet om losse stukjes. Vastgesteld is dat het effect verbetert door de bultvormers niet te vroeg in de jonge nieuwe veenmostapijten te introduceren. Als introductie van de bultvormende veenmossen te vroeg in de ontwikkeling van de veenmostapijten plaatsvindt, raken de getransplanteerde mossen overgroeid met andere soorten. De jaarlijkse groei van het aanwezige Waterveenmos en/of Fraai veenmos is hierbij cruciaal. Overheerst Waterveenmos, dan heeft introductie van bultvormers pas zin wanneer zich hogere planten zoals Kleine veenbes (Oxycoccus palustris) en Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum) beginnen te vestigen. Bij dominantie van Fraai veenmos heeft de introductie van bultvormers pas zin wanneer deze soort minder hard gaat groeien en de groei hooguit zo'n 4 cm per jaar bedraagt. Op kale veenbodem levert de introductie van stukjes veenmos ook goede resultaten.

Voor behoud en herstel van faunadiversiteit zorgen
 De meeste van de plassen die door vernattingsmaatregelen in de hoogveenrestanten zijn ontstaan herbergen nu een aantal karakteristieke en zeldzame watermacrofaunasoorten. Als de uitgangssituatie een grootschalige vegetatieloze verveningsvlakte was, zoals bij de nieuwe plassen van het Amsterdamse Veld en Schoonebeekerveld, is de vestiging van deze soorten uiteraard 100 % winst voor de natuur. Het open water van de veenputten en greppels die in de hoogveenrestanten liggen en lange tijd min of meer met rust zijn gelaten kunnen relatief veel karakteristieke hoogveensoorten en zeldzame soorten herbergen. Een aanzienlijk aantal van de karakteristieke en zeldzame soorten komt niet voor in de grote door vernatting ontstane plassen van de hoogveenrestanten, maar alleen nog de kleine ‘relict-wateren', zoals in veenputjes in het Korenburgerveen, in greppels die de overblijfsels zijn van de boekweitbrandcultuur in het Meerstalblok en in de kleine hoogveentjes van het Dwingelderveld. De ‘relict-wateren', die wat vegetatie betreft zo op het oog niet erg waardevol lijken, herbergen vaak toch relatief veel karakteristieke en (zeer) zeldzame soorten: restpopulaties of zogenoemde relictpopulaties.
De vernattingsmaatregelen hebben tot nu toe op de verschillende locaties in de verschillende terreinen een sterk overeenkomende fauna opgeleverd. In de loop van de jaren heeft daarbij vaak een lichte toename van het aantal zeldzame en karakteristieke soorten plaatsgevonden, maar het gaat daarbij toch om een beperkt aantal en meestal om overal dezelfde soorten. Tot nu toe is nergens sprake van een herstel van het complete soortenspectrum van de hoogveenfauna. De ingrepen hadden veelal een grootschalig karakter. De grootschaligheid heeft een ‘nivellerende werking', het resultaat is monotoon. Door grootschalige ingrepen kunnen populaties van zeldzame en karakteristieke soorten geheel uit een terrein verdwijnen, omdat de habitat van deze soorten overal verdwijnt of ongunstig wordt beïnvloed. Voor veel soorten is een terugkeer of nieuwe vestiging moeilijk. Dat is zeker in de huidige situatie zo, waarbij restpopulaties die eventueel als bronpopulaties voor de verspreiding kunnen dienen, vaak op relatief grote afstand liggen. Bij het herstelbeheer is het dus erg belangrijk dat maatregelen worden genomen, die ervoor zorgen dat populaties van de aanwezige karakteristieke en zeldzame soorten binnen de terreinen behouden blijven en mogelijk versterkt worden.
De verschillende hoogveensoorten stellen verschillende eisen aan hun habitat. Het onderzoek in meer intacte hoogvenen in Ierland en Estland laat zien dat zowel de overgangszones tussen de hoogveenkern en andere landschapstypen, als de verschillende watertypen binnen de hoogveenkern van belang zijn. Bij het herstelbeheer is het dus ook van belang dat habitatvariatie op landschapsschaal behouden en hersteld wordt. Momenteel is in de hoogveenrestanten de variatie in standplaatstypen - voorzover aanwezig - in een onnatuurlijk mozaïekpatroon gerangschikt als gevolg van het vroegere gebruik van hoogvenen. Het huidige voorkomen van faunasoorten is afhankelijk van deze variatie en dit mozaïekpatroon. Door de veranderingen in de hoogveenrestanten als gevolg van verdroging en vermesting kunnen nu ook soorten voorkomen, die oorspronkelijk niet tot de karakteristieke hoogveenfauna behoren. De oorspronkelijke habitat van een aantal van deze soorten is zo sterk aangetast, dat zij momenteel voor een groot deel van hoogveenrestanten afhankelijk zijn voor hun voortbestaan in Nederland. Ook vanwege deze situatie vraagt het behoud en herstel van karakteristieke en zeldzame faunasoorten een goed vooronderzoek en een goed doordachte fasering van herstelmaatregelen.
Niet alleen voor de fauna van het water, maar voor alle fauna van de hoogveenrestanten is het vastleggen van de uitgangssituatie voorafgaand aan de uitvoering van herstelmaatregelen erg belangrijk. Alleen dan kan bij de planning en uitvoering werkelijk rekening gehouden worden met het voorkomen van populaties van karakteristieke en zeldzame faunasoorten. Fasering van maatregelen en de schaal waarop ingrepen plaatsvinden, kan dan mede afgestemd worden op het voorkomen van faunasoorten en faunaontwikkelingen binnen het terrein. Fasering maakt het mogelijk het effect van herstelmaatregelen meteen te toetsen. Nadat is vastgesteld dat belangrijke soorten nieuwe leefplekken gevonden hebben als gevolg van de uitgevoerde herstelmaatregelen, kan dan overwogen worden ook maatregelen te nemen in een deel van het terrein waar nog relictpopulaties voorkomen. Naast het creëren van optimale condities voor bultvormende vegetaties, is het voor het behoud en herstel van faunadiversiteit dus essentieel dat ook andere elementen van een compleet hoogveensysteem aanwezig blijven en gecreëerd worden.

Plaagdieren bestrijden
 Een complicatie bij het onder water zetten van hoogveenrestanten zijn de steekmuggenplagen die het gevolg kunnen zijn. Meestal is dat een tijdelijk probleem dat binnen enkele jaren verdwijnt. Oorzaak voor de muggenplaag is een piek in de beschikbaarheid van voedingsstoffen die vanuit verdroogd en mineraliserend restveen in de waterlaag komen na vernatting. De muggenplaag ebt vanzelf weg en dat gebeurt vooral als waterroofkevers deel gaan uitmaken van de faunagemeenschap. Bij sterk wisselende waterstanden en 's zomerse droogval van de veenbodem zal een muggenplaag langer aanhouden. Indien door de steekmuggen grote problemen met de omwonenden ontstaan, kan er in het uiterste geval voor gekozen worden het waterpeil weer te laten zakken. Het kappen van verbindende bomenrijen of struwelen kan echter ook een afdoende maatregel zijn, doordat hiermee wordt voorkomen dat muggen in grote aantallen in de luwte van de begroeiing naar bewoond gebied oversteken. Goede communicatie met de omwonenden is altijd van groot belang en draagt bij aan het maatschappelijke draagvlak voor herstelbeheer.
Een andere plaag die nogal eens optreedt, zijn plagen van honderden watervogels zoals Grauwe ganzen (Anser anser) of Kokmeeuwen (Larus ridibundus). Dit ligt gevoelig omdat deze vogels in andere natuurtypen juist gewenst zijn. Het is zaak hierbij voor ogen te houden wat het doel is van het herstelbeheer in hoogveenrestanten: hoogveenvorming, niet een meeuwenkolonie. Snel en drastisch ingrijpen is geboden, anders slaat de eutrofiëring door vogelpoep toe met als gevolg een monocultuur van Pitrus (Juncus effusus). Er zijn al veel te veel van oorsprong voedselarme natuurgebieden die op een dergelijke wijze hun unieke natuurwaarde verloren hebben. Als een vogelplaag in een hoogveen te lang heeft geduurd, is geen enkele methode nog in staat om het tij te keren.


Met bijdragen van:
Juul Limpens, Hilde Tomassen en Gert-Jan van Duinen (met gebruikmaking van teksten van Fons Smolders en Sake van der  Schaaf), juni 2007

Literatuur:

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website