Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Hoogveen (N06.03) / Herstellend hoogveen / Bedreigingen

Herstellend hoogveen

Inhoud van deze pagina

BEDREIGINGEN
Vermesting grootste boosdoener in hoogveen
Verzadiging van ‘veenmosfilter' leidt tot vegetatieverandering
Vermesting van hoogveen verstoort fauna
Regionale verdroging van hoogveen
Lokale verdroging van hoogveen
Sulfaat brengt drijftillen tot zinken
Met bijdragen van
Literatuur

Vermesting grootste boosdoener in hoogveen
Tegenwoordig is de luchtvervuiling met ammoniak (NH3) in hoogveenrestanten de grootste bron van zorg. Omdat levend hoogveen wat zijn voedingsstoffen betreft geheel afhankelijk is van toevoer via neerslag en recycling binnen het systeem, heeft een verandering van de kwaliteit van de neerslag, van de chemische samenstelling, directe gevolgen. De hoge stikstofdepositieniveaus in het verleden hebben geleid, en leiden nog steeds, tot een sterke toename van vaatplanten (met name Pijpenstrootje (Molinia caerulea) en berken) in de Nederlandse hoogveenrestanten. Ook het verdwijnen van korstmossen (Cladonia soorten) in Nederlandse hoogvenen kan mede worden toegeschreven aan de luchtvervuiling: deze korstmossen zijn gevoelig voor hoge stikstofdepositie in combinatie met hoge depositie van zwavelverbindingen.
Als gevolg van de langdurige hoge depositie van stikstof in Nederland wordt de groei van de veenmossen niet meer door stikstof, maar vaak door fosfor beperkt (zie ook kenschets natuurtype hoogveen). Dit is in de veenmossen goed te meten aan de ophoping van vrije stikstofrijke aminozuren. Deze worden in planten gevormd wanneer meer stikstof binnenkomt dan kan worden gebruikt voor groei en onderhoud. Als gevolg hiervan worden de veenmossen ook gevoelig voor een verhevigde vorm van infectie door de Veenmosgrauwkop (Tephrocybe palustris), een in venen van nature voorkomende grijsbruine paddenstoel. Meestal blijft het gevolg van de infectie beperkt tot plaatselijke ontbladering van stengel en zijtakken, ongeveer 3 cm onder de top van het veenmos. Echter, bij hoge concentraties van ammonium in het water tussen de veenmossen, zoals die bijvoorbeeld gedurende de droge zomerperiode van 2003 optraden, kan de infectie zich uitbreiden tot de groeipunten van het veenmos, de ‘capitula', waardoor deze afsterven en wit kleuren. De ontstane witte vlekken zijn goed in de vegetatie te herkennen. Het witkleuren kan optreden bij alle in Nederland voorkomende veenmossoorten, maar treedt vooral veel op bij boven water uitgroeiend Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum). De dode plekken kunnen vanuit de niet aangetaste omringende veenmosvegetatie weer langzaam dichtgroeien.

Verzadiging van ‘veenmosfilter' leidt tot vegetatieverandering
De stikstofdepositie is in ons land zo hoog opgelopen dat de veenmossen niet meer in staat zijn om al het binnenkomende stikstof op te nemen. Het zogenoemde ‘veenmosfilter' is verzadigd, waardoor zich stikstof ophoopt in het veenvocht en beschikbaar komt voor hogere planten. Die profiteren dan ook hiervan: vooral Pijpenstrootje en Berk zijn als gevolg daarvan - of mede als gevolg daarvan - zo gaan overheersen dat dit voor de beheerders een belangrijk probleem vormt. Deze soorten doen het met name goed bij minder stabiele waterstanden, waarbij de grondwaterspiegel regelmatig dieper wegzakt. In permanent natte systemen (stabiel hoge grondwaterspiegel) nemen soorten als Kleine veenbes (Oxycoccus palustris) en Witte snavelbies (Rhynchospora alba) zeer sterk toe bij een verhoogde stikstofdepositie.
Een lichte mate van beschaduwing heeft een positieve invloed op veenmossen, maar de sterke beschaduwing door hogere planten zoals die nu vaak optreedt verdragen ze heel slecht. Een sterke beschaduwing leidt bij een hoge stikstofbelasting bovendien tot een toename van de groei van algen. Daarnaast heeft de uitbreiding van hogere planten ook een negatief effect op de waterhuishouding in het hoogveen omdat deze planten de neerslag invangen en de verdamping verhogen. Veenmosgroei wordt geremd wanneer de beschaduwing hoger wordt dan 50 %, wat overeenkomt met een kruidlaagbedekking van ongeveer 70 %.

Vermesting van hoogveen verstoort fauna
De gevolgen van de verhoogde beschikbaarheid van voedingsstoffen zijn ook in de samenstelling van fauna zichtbaar. In de fauna van de Nederlandse hoogveenwateren overheersen de soorten die in intacte hoogvenen in de wat voedselrijkere overgangsvenen voorkomen. Door de toename van de dichtheid van de kruidlaag neemt de beschaduwing toe en wordt het microklimaat gebufferd. Met andere woorden: er is minder sterke instraling van de zon en er zijn kleinere temperatuurschommelingen. Dit heeft gevolgen voor de dieren die op de bodem of net onder het veenmosoppervlak leven, zoals spinnen, loopkevers en kortschildkevers. Door de ‘deken' van stikstofdepositie is ook een vervlakking van de oorspronkelijke ruimtelijke variatie opgetreden. Vergrassing zorgt voor een meer homogene vegetatiestructuur. Diersoorten die ruimtelijke variatie nodig hebben om in hun levensbehoeften te voorzien, komen daardoor in de problemen.
Door de vermesting neemt het gehalte van voedingsstoffen die zijn opgeslagen in de planten toe. De beschikbaarheid van mineralen neemt echter niet toe; mogelijk is deze zelfs afgenomen onder invloed van versterkte uitspoeling door zure neerslag. Voor plantenetende insecten kan dit grote gevolgen hebben. Doordat voedselrijker plantenmateriaal gemakkelijker wordt afgebroken dan voedselarmer materiaal, is ook de kwaliteit en afbraaksnelheid van het afgestorven plantenmateriaal veranderd. Dit heeft weer gevolgen voor de dieren die van dood plantenmateriaal leven. De veranderingen in vegetatiedichtheid, microklimaat en/of kwaliteit van het plantaardig materiaal hebben waarschijnlijk geleid tot de afname en het verdwijnen van karakteristieke soorten, zoals Veenhooibeestje, Veenbesparelmoervlinder en Veenbesblauwtje.

Regionale verdroging van hoogveen
De snippers actief hoogveen komen voor op plekken waar verdroging beperkt is gebleven. Het gaat om hoogveen dat hydrologisch relatief geïsoleerd ligt van de ondergrond en omgeving. Of om hoogveen dat op kleinere landschapsschaal, op ‘mesoschaal', nog functioneert zoals dat bijvoorbeeld bij hoogveenvennen het geval is. Verdroging kan op twee verschillende niveaus ingrijpen: regionaal en lokaal. Ingrepen in de regionale grondwaterhuishouding, waaronder drinkwaterwinning en drainage voor de landbouw, kunnen de toestroom van regionaal grondwater naar hoogvenen sterk verminderen. Dit grondwater is in meer of mindere mate aangerijkt met mineralen en is essentieel voor het functioneren van een hoogveen op macroschaal. Denk daarbij ook aan de ‘lagg'-zones of andere door grondwater gevoede onderdelen van hoogveenlandschappen (zie toelichting bij de kenschets van het natuurtype Hoogveen). Daarnaast kan via het grondwater kooldioxide (CO2) aangevoerd worden, dat een grote rol speelt in de groei van veenmossen, vooral in vroege successiestadia. Onder deze omstandigheden wordt de veenmosgroei sterk gestimuleerd door hoge concentraties kooldioxide in de waterlaag. Veenmossen hebben net als alle andere planten koolstof nodig voor hun groei en nemen dit op in de vorm van CO2 uit de lucht of het water of als methaan (CH4). In het laatste geval zetten bepaalde met het veenmos samenlevende ‘methanotrofe' bacteriën het methaan om in CO2, dat vervolgens door de veenmossen gebruikt wordt in de fotosynthese en groei. De bon van koolstof die door de veenmossen wordt opgenomen, kan verschillen. Deze koolstof kan uit de atmosfeer komen of het kan gaan om koolstof die vrijgekomen is als gevolg van afbraak van het onderliggende veen. Ook kan koolstof toegevoerd worden onder invloed van kwel of oppervlakkig afstromend water, bijvoorbeeld vanaf aangrenzende dekzandruggen. In het laatste geval kunnen veranderingen in de hydrologie van de omgeving leiden tot een afname van de koolstofbeschikbaarheid voor veenmosgroei.

Lokale verdroging van hoogveen
Op lokaal niveau leidt verdroging in hoogveen tot een grotere biologische afbraak van het veen. Dit afbraakproces heeft invloed op de bergingscapaciteit van het veen. Wanneer de afbraak/humificatie van het veen vordert, neemt de bergingscapaciteit van het veen af. Als gevolg hiervan nemen de waterstandsfluctuaties in het hoogveen toe: in natte perioden zal het waterpeil sterker stijgen en in droge perioden kan het waterpeil hierdoor nog verder wegzakken. Veranderingen in de waterstand hebben invloed op de interactie tussen veenmossen en hogere planten. Binnen een hoogveenvegetatie vindt namelijk een continue ‘strijd' plaats tussen het veenmos en de hogere planten, een strijd om licht en ruimte. Hogere planten doen hun best om niet overgroeid te worden door het veenmos en veenmos probeert op zijn beurt niet beschaduwd te raken door de hogere planten. De uitkomst van de balans verschuift en beweegt zich tussen dominantie door veenmos dan wel door hogere planten, afhankelijk van de afstand ten opzichte van de waterspiegel en/ of veranderingen daarin als gevolg van droge of natte jaren. Hierbij zijn ook de mate van verticale veenmosgroei en de nutriëntenrijkdom sterk bepalende factoren.
Veenmosgroei is sterk afhankelijk van het watergehalte dat de mossen in hun groeipunt, het ‘capitulum', kunnen handhaven. Wanneer het watergehalte zakt beneden een bepaald niveau, stopt de veenmosgroei en worden hogere planten minder snel overgroeid. Groei van hogere planten wordt in het hoogveen zelden door watertekort beperkt; beperkend zijn bij hogere planten hier vooral de hoeveelheid beschikbare voedingsstoffen. Bij het zakken van de waterspiegel nemen zowel de temperatuur als de zuurstofbeschikbaarheid in het veenpakket toe, waardoor het afbraakproces wordt gestimuleerd en extra voedingstoffen vrijkomen. Op deze manier werkt verdroging groei van hogere planten dubbel in de hand: enerzijds door remmen van de veenmosgroei, anderzijds door stimulering van de veenafbraak.
Verandering in neerslagpatronen kunnen tot vergelijkbare effecten leiden. Langdurige voorjaars- en zomerdroogten hebben een nadelige uitwerking op de veenmosgroei en een voordelige uitwerking op de groei van hogere planten. De mate waarin veenmosgroei belemmerd wordt door droogte, hangt sterk af van de veenmossoort: bultvormers hebben minder last van droogte dan soorten die in slenken groeien, hoewel de laatste na volledige uitdroging wel een sneller herstel laten zien.

Sulfaat brengt drijftillen tot zinken
Al decennia lang worden herstelmaatregelen uitgevoerd in Nederlandse hoogveenrestanten. De resultaten hebben voor een deel geleid tot grote terreindelen met veel open water en nauwelijks veenmos. Er zijn echter ook locaties waar het herstel voorspoediger verloopt. Voorbeelden hiervan zijn de vorming van drijftillen in veenputten in het Meerstalblok en het Haaksbergerveen. Na het afsluiten van de vervening werd de toplaag van het veen, de zogenoemde bolster of bonkaarde, teruggestort in de veenputten die door de vervening waren ontstaan. Met het oog op herstel zijn daarna vernattingsmaatregelen genomen (inundatie). Het gevolg was dat de in de putten teruggestorte bolster ging drijven. Op die laag heeft zich in eerste instantie Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) gevestigd, later locaal gevolgd door bultvormende veenmossoorten. Zo kan dus relatief snel een mooie, levende hoogveendrijftil ontstaan. Bij de vorming van dit soort drijftillen blijkt methaangas (CH4) een cruciale rol te spelen. Methaan wordt door de methanogene bacteriën gevormd uit afbraakproducten die vrijkomen bij de anaërobe afbraak van organisch materiaal door fermenterende bacteriën. Die bacteriën vormen daarbij vooral acetaat en kooldioxide. In tegenstelling tot kooldioxide lost methaan zeer slecht op in water; het vormt kleine belletjes. In veen met een juiste structuur worden deze belletjes vastgehouden en na verloop van tijd wordt dit veen licht genoeg om te gaan drijven. Alleen in weinig afgebroken witveen wordt voldoende methaan geproduceerd om het veen te laten opdrijven. Dit witveen heeft een relatief grove, gunstige structuur voor het vasthouden van gasbelletjes en de soortelijke massa, het gewicht per volume-eenheid, is bovendien relatief laag.
Op locaties met venige drijftillen is de inlaat van sulfaatrijk water desastreus voor de drijftillen. Sulfaatreducerende bacteriën en methanogene bacteriën gebruiken dezelfde substraten. Aangezien de reductie van sulfaat energetisch gezien gunstiger is, zal er vrijwel geen methaan geproduceerd worden wanneer er sulfaat aanwezig is. Als gevolg van de hoge depositie van sulfaatverbindingen zijn in de tweede helft van de vorige eeuw vele mooie hoogveendrijftillen in zure vennen verdronken.

Met bijdragen van:
Juul Limpens, Hilde Tomassen en Gert-Jan van Duinen (met gebruikmaking van teksten van Fons Smolders en Sake van der  Schaaf), juni 2007

Literatuur:

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website