Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Hoogveen (N06.03) / Actief hoogveen / Herstelbeheer

Actief hoogveen 

Inhoud van deze pagina

HERSTELBEHEER
Doel is herstel van een functionerende acrotelm
Sleutelfactoren voor het herstel van veenmosgroei
Met bijdragen van
Literatuur

Doel is herstel van een functionerende acrotelm
Een goed ontwikkeld veenmosdek speelt een cruciale rol in de hydrologie van hoogvenen. De laag van levende veenmossen vormt samen met de direct daaronder gelegen laag van recent afgestorven veen de zogenoemde acrotelm. De acrotelm is doorgaans maximaal 0,5 m dik en heeft zelfregulerende hydrologische eigenschappen die een hoogveen tot een hoogveen maken. Het vermogen van de acrotelm water door te laten neemt af bij toenemende diepte, omdat in die richting de mate van decompositie en samendrukking van het veen toeneemt en daardoor de poriën in het veen kleiner worden. Dat wil dus ook zeggen dat met een dalende waterspiegel de laterale afvoer van het water uit het veen geremd wordt. De acrotelm heeft in vergelijking met het sterker gehumificeerde veen dat eronder ligt, de catotelm, een hogere bergingscoëfficiënt. Deze eigenschap maakt dat verdamping en afvoer bij aanwezigheid van een acrotelm minder effect hebben op de waterspiegel van het veensysteem. Daarnaast heeft ook het levende veenmosdek een regulerende invloed op de verdamping. Dat komt doordat capillaire nalevering van water in het veenmosdek aanzienlijk vermindert wanneer het waterniveau in de acrotelm daalt. Bovendien worden bij sterke verdamping de hyaline cellen van de veenmossen leeggezogen en raken deze gevuld met lucht. Hierdoor wordt het veenmosdek ‘witter' en wordt meer zonlicht gereflecteerd en minder warmte opgenomen, waardoor de verdamping weer remt.
Niet alle veenmossoorten beschikken in dezelfde mate over de juiste eigenschappen om een goed functionerende acrotelm te vormen. De beste soorten zijn in dit verband de veenmossoorten die tot enkele decimeters boven het lokale waterpeil kunnen groeien, de zogenaamde bultvormers, in Nederland vooral Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum), Hoogveenveenmos (S. magellanicum) en Rood veenmos (S. rubellum). Voor een duurzame instandhouding en uitbreiding van actieve hoogvenen is de blijvende aanwezigheid van een functionele acrotelm van essentieel belang en hiermee dus ook de aanwezigheid van bultvormende veenmossoorten: ze worden daarom ook ‘sleutelsoorten'genoemd.
Op basis van onderzoek aan het herstel van de acrotelm in Ierse hoogvenen kan gezegd worden dat een door uitdroging beschadigde acrotelm zich in een decennium flink kan herstellen, mits de hydrologische en chemische condities gunstig zijn. De tijdsduur waarin de acrotelm zich kan herstellen wordt voor een groot deel bepaald door de duur van de verdrogingsperiode waaronder de acrotelm schade heeft opgelopen. In Nederland hebben we vrijwel geen acrotelmrestanten meer. Vrijwel overal is in onze veenrestanten de acrotelm in het verleden afgegraven en meestal ook de pakketten weinig vergaan veen (het zogenoemde ‘witveen'). Voor Nederlandse hoogveenrestanten betekent dit, dat ook in hydrologisch goed beheerde hoogveenrestanten de ontwikkeling van een functionerende acrotelm een langdurige kwestie kan zijn. Ook het eventueel aan de oppervlakte liggende ‘witveen' heeft namelijk al langdurig aan verwering blootgestaan. Op basis van de Ierse ervaring is echter aan te nemen, dat als acrotelmvorming met een behoorlijke recycling van koolstof eenmaal op gang is gekomen, het proces van ontwikkeling van zelfregulatie in de acrotelm een kwestie van wellicht niet meer dan enkele decennia zou kunnen zijn. Dat is voor de ontwikkeling van een hoogveensysteem toch een betrekkelijk korte termijn.

Sleutelfactoren voor herstel veenmosgroei
Een hoge stikstofdepositie vormt niet alleen een belemmering voor de aanwezige veenvegetatie, maar zorgt ook voor een vertraging van het herstel van vergraven hoogveenrestanten. Vaak is in hoogvenen sprake van een verhoging van de concentratie van voedingsstoffen door de hoge atmosferische depositie in combinatie met een mobilisering van de reeds in het veen aanwezige voedingsstoffen door vernatting. Hierdoor wordt de groei van hogere planten, zoals Pijpenstrootje, Pitrus en Berk, sterk gestimuleerd en dit gaat ten koste van de veenmosgroei. Toch kan nog steeds enige veenmosgroei optreden en dus blijft het herstel van de zo belangrijke acrotelmcondities in deze situaties mogelijk. Voorwaarde is wel, dat de overige milieuomstandigheden voor acrotelmontwikkeling optimaal zijn, zoals de waterstand en beschikbaarheid van CO2. Is dit het geval, dan kan ondanks vrij hoge nutriëntenconcentraties toch vestiging en uitbreiding van een veenmosdek optreden. Waarschijnlijk is het wel zo dat de veenmossen daarbij aanvankelijk niet tot de bultvormers behoren, maar dat het daarbij eerder gaat om vestigingen en uitbreidingen van Fraai veenmos (Sphagnum fallax) of Gewoon veenmos (Sphagnum palustre). Fraai veenmos is een typische soort voor mesotrofe omstandigheden die vrij goed tegen beschaduwing kan. Bij voldoende water en voedingsstoffen kan deze soort ongeveer 4 cm per maand groeien tot een maximale hoogte van ongeveer 15 cm boven de waterspiegel is bereikt. Naast de hoogte boven de waterspiegel is ook de nutriëntenconcentratie, vooral de concentratie P, een rem op de snelle groei. Wanneer de voedingsstoffenconcentratie in de omgeving afneemt, neemt de groei van deze soorten af en krijgen andere veenmossoorten, zoals bultvormers, pas een kans om zich te vestigen en uit te breiden.
Gezien de essentiële functie die veenmossen spelen in hoogvenen is beschikbaarheid van voldoende kooldioxide (CO2) een voorwaarde voor herstel. In actieve hoogvenen zal aan deze voorwaarde voldaan worden. Door de efficiënte recycling van koolstof uit recent gevormde veenlagen zijn de kooldioxideconcentraties in het veenwater voldoende hoog. In de toplaag van het veen worden CO2-concentraties gemeten van gemiddeld 750 µmol l-1. Daarnaast kunnen bultvormende veenmossen natuurlijk atmosferisch kooldioxide opnemen. Behalve kooldioxide kunnen veenmossen ook methaan gebruiken voor koolstofvoeding, doordat met het veenmos samenlevende ‘methanotrofe' bacteriën methaan omzetten in CO2, dat vervolgens door de veenmossen gebruikt wordt bij de fotosynthese- en groeiprocessen.

Meer informatie - inclusief een bespreking van de herstelmaatregelen - onder herstelbeheer bij het subtype ‘herstellend hoogveen'.

Met bijdragen van:
Juul Limpens, Hilde Tomassen en Gert-Jan van Duinen (met gebruikmaking van teksten van Fons Smolders en Sake van der  Schaaf), juni 2007

Literatuur:

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website