Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Trilveen (N06.02) / Trilveen / Regulier beheer

Trilveen

Inhoud van deze pagina:

REGULIER BEHEER
Altijd beheer nodig
Bijzondere systemen
Maaien
Water open houden?
Met bijdragen van
Literatuur

Altijd beheer nodig
Trilveen en veenmosrietland hebben maai- en hooibeheer nodig, anders gaan ze over in bos. Het zijn geen eindstadia in de vegetatiesuccessie. Verbossing treedt spontaan op wanneer het maaibeheer wordt gestaakt. Trilveen kan heel lang behouden blijven bij daarop gericht maaibeheer, maar gaat uiteindelijk toch over in veenmosrietland of moerasheide. Periodieke overstroming met schoon rivier- of grondwater droeg vroeger waarschijnlijk bij aan een zeer langdurig voortbestaan, maar dat komt in de huidige Nederlandse trilvenen niet meer voor. Kunstmatige waterbeheersing voorkomt deze overstromingen.
De bedoeling van het maaibeheer is instandhouding door de afvoer van voedingsstoffen de successie naar bos tegen te houden. Kleinschalig maaien met afvoer van het maaisel is vanouds toegepast in laagvenen als onderdeel van het traditionele landbouwsysteem. Machinaal maaien en afvoeren is op de nog ‘trillende' kraggen niet goed mogelijk. Behalve maaibeheer is geregeld opschonen van de watergangen nodig zodat basenhoudend water bij het trilveen kan komen en er open water is waar plek is voor nieuwe jonge verlandingsgemeenschappen. Het valt niet mee om het voor trilvenen vereiste subtiele evenwicht tussen aanvoer en afvoer van voedingsstoffen in stand te houden. Watercomponenten van verschillende oorsprong, basenrijkdom en het maaien en afvoer van het maaisel vragen in trilvenen allemaal om extra zorg.
Er zijn andere soorten beheer die afvoer van biomassa bewerkstelligen, namelijk plaggen, branden, begrazen en opslag verwijderen. Begrazen en branden zijn in trilveen niet mogelijk. Opslag verwijderen in en rond trilveen geeft onvoldoende afvoer, vermindert echter wel aanvoer van voedingsstoffen via bladval. Opslag verwijderen heeft hier vooral nut ter bestrijding van de zaadval van elzen. Als er minder bomen zijn, is er minder zaadval en is de kans op een explosieve opslag van elzen minder groot. De kleine elzen kun je, blijkt in de praktijk, twee tot vier jaar lang afmaaien. Omdat ze steeds opnieuw uitlopen en de stam verhout, voldoet afmaaien op den duur niet. Het plaggen of afschrapen van kraggen voor herstel en langdurig behoud van trilveen en veenmosrietland is in verschillende gebieden beproefd al dan niet gevolgd door bekalken, maar dit is niet regulier toepasbaar, zie onder herstelbeheer.

Bijzondere systemen
Trilvenen zijn meestal klein. Vaak liggen ze als stroken in het kraggenlandschap tussen andere vegetaties. De overgangszones, randen van de trilvenen en steilkantjes langs bulten/slenken kunnen een hogere biodiversiteit vertonen dan eenvormige stukken. In het midden van het perceel kan trilveen afwisselen met veenmosrietland en moerasheide. Het zijn allemaal waardevolle natuurtypen. Het is aan te bevelen om bij het beheer van trilvenen zowel met complexen als overgangszones en eenvormige stukken rekening te houden. Er is niet veel over bekend, maar het is niet uitgesloten dat zich ook in eenvormige stukken de laatste restpopulaties van bepaalde soorten bevinden. Als men bij het beheer onbedoeld zulke populaties verwijdert, duurt het veel langer voordat nieuwe verlandingen in de omgeving bevolkt worden. Jonge verlandingsstadia verdragen geen betreding. Door bij maaibeurten jonge verlandingsgemeenschappen te ontzien tenzij ze vermesting aangeven of dreigen te verbossen, voorkomt men verlies van zeldzame planten en dieren. Als tijdelijke overlevingsstrategie is gefaseerd maaien of extra laat in het seizoen maaien van bekende standplaatsen van de zeldzaamste soorten  een optie die wordt toegepast om zowel zaadzetting te verzekeren als fauna, bijv. insectenpopulaties te beschermen.

Maaien
Drijftillen kun je niet betreden en ze kunnen dus niet goed worden gemaaid. Opschonen of van de rand af maaien is een optie, maar pas als het mogelijk is de bodem, de plantenmat dus, te betreden dan kunnen trilvenen meer structureel gemaaid worden zonder risico op beschadiging. Trilvenen met veel reliëf en een toch nog vrij slappe bodem zijn echter moeilijk te maaien. Vanouds maaide men waarschijnlijk vooral de meer toegankelijke kraggen en gebeurde het maaien niet ieder jaar. Daarnaast maaide men met de zeis en niet machinaal zodat veel meer op de plekken kon worden ingespeeld. Om ze langdurig in stand te houden is nu in de meeste trilvenen ieder jaar maaien in de zomer nodig, met afvoer van maaisel. Het houdt de trilvenen schraal en voorkomt verbossing als opslag van bomen en struiken ook wordt weggemaaid. Op slappe kraggen vallen groter wordende bomen vanzelf om of ze zakken door de kragge heen. Op stevigere kraggen gebeurt dat niet. Op zeer reliëfrijke plaatsen en randen waar maaien niet mogelijk is kan de opslag het beste af en toe met de hand verwijderd worden. Door ook bij het maaien kleinschalig met de hand te werken met aandacht voor detail beperkt men beschadiging van het mosdek en vernieling van faunapopulaties en gradiënten. Men kan het maaien eventueel gefaseerd uitvoeren: gedeeltes om en om één keer bij een maaibeurt overslaan. Belangrijk is dat het maaibeheer met zorg gebeurt en dat men het afgemaaide plantenmateriaal volledig afvoert. Onvolledig of niet afvoeren leidt tot versnelde verzuring en verruiging en verbossing. Ook is de wijze van maaien van belang. Door kleine, lichte machines te gebruiken is bodemverdichting en bodembeschadiging te voorkomen. Galigaanvegetaties komen in goed ontwikkelde, soortenrijke vorm voor wanneer zij eens in de 4-5 jaar in de zomer of nazomer gemaaid worden. Als Galigaangemeenschappen jaarlijks worden gemaaid, dan verdwijnen ze op den duur.

Water open houden?
De sloten en meren zorgen ervoor dat kwalitatief goed basenhoudend oppervlaktewater de trilvenen in de verschillende gebiedsdelen kan bereiken. Ook spelen ze een rol in het afvoeren van het overschot aan regenwater. Beheerders van laagveensystemen besteden daarom veel aandacht aan het open en op diepte houden en eventueel nieuw aanleggen van sloten en vaarten en ondiepe greppels. Meestal bevatten de sloten en vaarten vooral basenhoudend water en de greppels vooral regenwater. Als de waterkwaliteit van ingelaten oppervlaktewater tekort schiet, te voedselrijk, sulfaat- en/of chloriderijk is, staan beheerders echter voor een lastige keuze. Niet opschonen van sloten voorkomt vermesting via inlaatwater. Opschonen van sloten gaat verzuring en eventueel ook verdroging tegen, maar de vermesting via het inlaatwater is wellicht erger. Trilvenen verdragen geen vermesting. Gaat men over tot opschoning van een slotenstelsel, dan is het een goed idee om zo te werk te gaan dat de aanvoerweg van het basenhoudende water naar het trilveen toe langer wordt. Dit gaat eutrofiëring tegen. Zie ook pagina herstelbeheer bij - Verbetering van de waterhuishouding.

Met bijdragen van:
Moniek Nooren, 3.10.2006; André Jansen, 30.11.2006 en Boudewijn Beltman 15.05.2007 

Literatuur:
Barendregt, A., B. Beltman, E. Schouwenberg, G. van Wirdum, 2004. Effectgerichte maatregelen tegen verdroging, verzuring en stikstofdepositie op trilvenen (Noord-Hollland, Utrecht en Noordwest- Overijsssel). Rapport EC-LNV nr. 2004/281-O, Ede.

Jalink, M.H. 1996. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring in laagveenmoerassen. Deel 2 uit de serie ‘Indicatorsoorten'. Staatsbosbeheer, Driebergen.
Catalogi Bedrijfssturing Natuur, Bos Recreatie en Landschap, 2002/3. Staatsbosbeheer, Driebergen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website