Pad: Natuurtypen / Voedselarme venen en vochtige heiden (N06) / Trilveen (N06.02) / Trilveen / Herstelbeheer

Trilveen

Inhoud van deze pagina:

HERSTELBEHEER
Het probleem en het doel
Wat is het doel?
Nieuwe verlanding aansturen of waarden vasthouden?
Opschonen en verlengen van slootstelsels
Alléén plaggen werkt niet: het ijsberg-effect
Plaggen in combinatie met begreppeling werkt soms
Bekalking niet toepassen
Niet ingrijpen
Niets doen
Aandacht voor detail
Met bijdragen van
Literatuur

Het probleem en het doel
Bij het uitvoeren van herstelbeheer is het van belang om te bepalen wat het probleem is, en of de oplossing daarop aansluit. Bij trilveen is het probleem, dat het dreigt verloren te gaan in ons land. Er is heel weinig trilveen. Bovendien ontwikkelt zich in de huidige situatie zo goed als geen nieuw trilveen, terwijl we weten dat het huidige beheer niet effectief is in het eindeloos vertragen van de successie. Er is méér ruimte, een natuurlijker waterregime en een betere waterkwaliteit nodig voor de ontwikkeling van trilveen onder niet te zure en niet te voedselrijke omstandigheden. Het nemen van duurzame ‘brongerichte' maatregelen voor natuurherstel die verdergaan dan symptoom- of effectbestrijding vereist inspanningen op regionale schaal. Daar wordt in veel regio's al aan gewerkt, maar het duurt even voordat de resultaten van deze structurele maatregelen zichtbaar worden.
De lokale beheermaatregelen zijn voorlopig onmisbare instrumenten voor de overleving van de laatste restanten soortenrijk, nat, kraggeschraalland. Het maaibeheer houdt ze in stand, maar voor herstel en verjonging is een andere aanpak nodig. Verlanding is een kernproces dat de duurzaamheid van trilveen bepaalt. Om trilvenen, jonge verlandingen en veenmosrietlanden in lokale systemen te laten overleven, moeten we in het verlandingsproces ingrijpen. Meerdere maatregelen zijn in de praktijk beproefd, maar hebben tot nu toe in de strijd tegen verzuring niet het gewenste effect gehad.

Wat is het doel?
Naast het behoud van de huidige trilvenen in alle bekende zoete en brakke laagveengebieden is het doel de ontwikkeling van nieuwe trilvenen. Natura 2000 vermeldt voor het trilveen en veenmosrietland een na te streven oppervlakte van minimaal 100 hectare en een gunstige stand van instandhouding voor 85% van de typische soorten.
In de gebieden waar we nog trilvenen hebben, blijft het doel de snelle verzuring met compenserende lokale maatregelen tegen te houden. We kunnen een ‘tussenfase' in stand houden in afwachting van effecten van meer structurele, duurzame ‘brongerichte' maatregelen. Meer is met lokale maatregelen in laagvenen niet goed mogelijk. Er is één goed toepasbare maatregel die altijd bijdraagt aan de overleving van trilveen: verbetering van waterhuishouding en waterkwaliteit van oppervlaktewater in het terrein. Dat kan in sommige gevallen door het uitdiepen van sloten gebeuren (zie betreffende alinea) of door het verlengen van de aanvoerweg van het water.
Trilvenen zijn waardevol in samenhang met hun grote soortenrijkdom. Biodiversiteit is een van de nagestreefde doelen in het natuurbeheer. In trilvenen gaat het dan om soorten die kenmerkend zijn voor trilvenen. Gewenst is dat pioniersoorten van de voedselarme verlandingsreeks op elk moment in een laagveengebied voorkomen, omdat ze zich anders van ver opnieuw moeten vestigen. Verder is het zaak dat soorten die een ecologische continuïteit van het laagveen vereisen kansen krijgen. Het is in het belang van deze soorten goed om in de systemen ook stukjes afgetakelde kraggen - bijv. groeiplekken van Waterzuring,(Rumex hydrolapathum) de gastplant van Grote vuurvlinder - en stukken met bosoplag - bijv. wilgenbosjes voor de Blauwborst (Luscinia svecica)- te ontzien bij beheeractiviteiten. Biodiversiteit van karakteristieke trilveensoorten gaat grotendeels samen met een diversiteit in milieutypes. Kleinschalig beheer en aandacht voor detail (zie onder), vooral voor steilkantjes en plekjes met een open kruidlaag zorgt voor veel extra biodiversiteit, vaak van zeldzamere soorten.

Nieuwe verlanding aansturen of waarden vasthouden?
Verlanding komt tot uiting in de diktegroei van het kraggeveen én in een geleidelijke vermindering van de oppervlakte van het open water (sloten, petgaten en meren). Ingrijpen in de verlanding voor herstel en verjonging van de hele verlandingsreeks kan technisch gezien rechtstreeks gebeuren door cyclisch weggraven: op de schaal van het systeem om de zoveel tijd oude kraggen weg te graven en zo nieuw open water te maken waar de verlanding weer kan beginnen. In een ‘gezond'groot en gevarieerd moeras werkt dat: er zijn dan altijd plekken waar de verschillende stadia van de reeks aanwezig zijn, drijftillen, trilveen, veenmosrietland en moerasheide. Als je echter nu kraggen gaat weggraven met het zo zeldzaam geworden trilveen, is de kans groot dat je daarmee de laatste exemplaren van de karakteristieke trilveensoorten in je systeem verliest. Je bent ze dan misschien voorgoed kwijt. Het weggraven werkt meer vernietigend dan verjongend als er nergens of te weinig vroege stadia van de verlandingsreeks met de karakteristieke soorten in je systeem aanwezig zijn. Veiliger is het dan, om voorlopig te proberen de aanwezige kostbare leefgemeenschap op zijn plek te behouden. Zie ook tekst ‘Tussenfase instand houden'op de subpagina Bedreigingen. Je kunt proberen herstel en verjonging ter plekke te bereiken door kraggen af te plaggen of af te schrapen. Maatregelen die momenteel zijn beproefd op deze kleine schaal zijn plaggen of afschrapen van hele laagveenkraggen met stukjes trilveen en veenmosrietland, plaggen van kleine plekken trilveen in combinatie met begreppeling van percelen, en bekalking al dan niet gecombineerd met plaggen. De conclusie daarvan is duidelijk: in trilvenen is plaggen momenteel niet zinvol. Het effect is wisselend en vaak kortstondig of onbedoeld nadelig terwijl nog onduidelijk is welke omstandigheden invloed hebben op de resultaten. De resultaten vallen tegen, zie onder Alléén plaggen helpt niet: het ijsberg-effect. Over het effect van plaggen in ruimere zin, in laagveensystemen als geheel, zeggen deze proeven in trilveen niets. Het is overigens nog onduidelijk in hoeverre de versnelde successie en verbossing in laagveengebieden als geheel die een gevolg zijn van stikstoftoevoer vanuit de lucht, door te plaggen in plaats van maaien gecompenseerd kan worden.
Afgezien van het blijven maaien met afvoer van plantenmateriaal, is het zaak te blijven streven naar een ‘natuurgericht'waterbeheer in de ruime omgeving met méér ruimte, een natuurlijker waterregime en een betere waterkwaliteit. Maatregelen die doelen op de verbetering van waterhuishouding en waterkwaliteit, grijpen minder duidelijk zichtbaar in de verlandingstadia in dan het plaggen, maar ze sturen het verlandingsproces wél aan en scheppen mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuw trilveen.

Opschonen en verlengen van slootstelsels 
in vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijzeHet opschonen en verlengen van slootstelsels kunnen de beheerders in laagveenreservaten toepassen zonder voorafgaand nader onderzoek. Het is wel van belang vooraf de waterkwaliteit in de nulsituatie vast te leggen. Met het oog op evaluatie en monitoring is het zaak vooraf inschattingen te maken van de ontwikkelingen die als gevolg van de ingrepen in het oppervlaktewaterstelsel optreden.
Waar? De sloten en meren zorgen ervoor dat kwalitatief goed water (basenhoudend water) de trilvenen in de verschillende gebiedsdelen kan bereiken. In systemen met een kunstmatige waterhuishouding kunnen zich in theorie laagvenen ontwikkelen wanneer de omstandigheden gunstig zijn (zie ook natuurtype Moeras: Moerasvegetatie verjongt zich in beschut schoon water. Sommige laagveensystemen staan nog in contact met basenhoudend oppervlaktewater en met een stromingsstelsel dat nog functioneert. In zulke systemen, zoals in de Weerribben, is het opschonen en eventueel opnieuw uitgraven van verlande sloten een goede beheersmaatregel in de bestrijding van verzuring. De versnelde verzuring stopt. Kenmerkende trilveensoorten zoals Rood schorpioenmos en Klein schorpioenmos zien dan kans in delen van de percelen dominant aanwezig te blijven (Stobberibben, Wobberibben).
Wanneer? De werking van de maatregel hangt niettemin in zulke systemen sterk af van de mate van toestroming van basenhoudend water, ofwel de grootte van het verschil in stijghoogte tussen het vanuit boezemwatersystemen toestromend water en het grondwater in de zandondergrond. Het effect hangt ook af van de zijwaartse doorlatendheid van het veen, slootafstanden, slootlengtes en de lengte van de gradiënten. De lengte van gradiënten is na te gaan aan hand van het verloop in de elektrische geleiding en de chemische samenstelling van het water. Soms is een verloop in de helderheid van het slootwater dat samengaat met het gehalte aan voedingsstoffen met het blote oog te zien. Vermest water is vaak troebel. Het kan enige jaren duren voordat het effect doorwerkt in de vegetatiesamenstelling. De basenverzadiging breidt zich heel langzaam uit en bereikt de bovenste, hoogstgelegen delen van de kragge pas jaren nadat de sloten zijn opgeschoond.
Hoe? Aan te raden is om het slotenstelsel zo op te schonen, dat de aanvoerweg van het basenhoudende water naar het trilveen toe langer wordt. Dit voorkomt eutrofiëring. Als toestromend oppervlaktewater bijv. een 100 m langere weg moet afleggen om de schraallandpercelen te bereiken, is biologische zuivering mogelijk. De verlenging is uit te voeren door bestaande sloten anders met elkaar te verbinden en enkele stuwen te plaatsen.

Alléén plaggen werkt niet: het ijsberg-effect
niet toepassenPlaggen komt neer op het blootleggen van een oppervlak waar zich de vegetatie kan verjongen en basenminnende planten nieuwe kansen krijgen. Men haalt de toplaag weg, dus het opgehoopte strooisel en mos. Verschillende eigenschappen van het trilveen beperken het effect van het plaggen. Het is zo dat:

Vanwege deze eigenschappen heeft het plaggen in laagvenen een minder goed effect dan in heide of werkt het averechts. Een snelle herverzuring kan optreden. Door het plaggen kan de kragge zoals een ijsberg die boven afsmelt omhoog komen omdat hij lichter wordt. De invloed van het basenhoudend water is dan even klein als voorheen en hij zal even snel verzuren als voorheen. Ongunstig is ook, dat met de toplaag ook een deel van het veen verdwijnt dat het uitwisselingsoppervlak voor bufferstoffen is. In een aantal gevallen sterven ten gevolge van het plaggen van kraggen riet en een deel van de cypergrassen af (omdat de luchtkanalen in de wortelstelsels gevuld raken met water). De kragge kan dan juist extra diep in het water wegzinken. Dat vergroot in eerste instantie de invloed van het basenrijk water. Maar als vervolgens methaan, koolzuur en zwavelwaterstof gevormd worden, komt de kragge toch omhoog, en zal daarna versneld met veenmossen begroeien.

Plaggen in combinatie met begreppeling werkt soms
alleen toepasbaar in bijzondere, nader te bepalen gevallen, waarbij vooraf toestemming van het betrokken deskundigenteam is verkregenWaarom?
Toegepast in combinatie met begreppeling voor verbetering van de waterhuishouding kan plaggen met verwijdering van de toplaag in trilveen en veenmosrietland een positieve uitwerking op de vegetatie hebben. Het is echter heel goed mogelijk dat een snelle herverzuring optreedt (vanwege het ijsberg-effect, zie onder). In gunstige gevallen, zoals in veenmosrietland in het Ilperveld, leidt de maatregel na verloop van een aantal jaren tot en een toename van het soortenaantal en uitbreiding van voor natte schraallanden karakteristieke soorten in zones langs de greppels. We noemen bijv. Moerasviooltje (Viola palustris), Gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi), Rietorchis (Dactylorhiza majalis praetermissa) en Blaaszegge (Carex vesicaria). Vanuit de nieuwe watergangen die (af en toe) basenhoudend water vervoeren dringen dan bufferstoffen in het veen en houden verzuring tegen. In de eerste jaren na de ingreep zal de water- en bodemchemie echter sterk variëren en er zullen soorten verschijnen en verdwijnen die op storing wijzen en niet in schraallanden thuishoren.
Wanneer? De resultaten van het graven van niéuwe sloten en greppels zijn sterk afhankelijk van de lokale bodemomstandigheden en waterhuishouding, slootafstanden, veendichtheid etc. Een goed lokaal onderzoek voorafgaand aan de ingreep is daarom altijd nodig. De basenverzadiging houdt in een meer of minder brede zone langs de slootoevers de verzuringsprocessen tegen. Komen de sloten dicht bij elkaar te liggen, is het effect van een verbeterde oppervlaktewater en basentoevoer klein. Bij grote slootafstanden krijgt het achterland wellicht genoeg water om niet te verdrogen, maar onvoldoende voor een voldoende hoge basenverzadiging.
Hoe? Onder begreppeling verstaan we hier het graven of frezen van nieuwe greppels in het systeem zodat de waterhuishouding in het systeem verbetert. De begreppeling moet gaan zorgen voor betere afvoer van verzurend regenwater en betere aanvoer van basenhoudend water. Meestal zal dat boezemwater zijn uit aangrenzende systemen.
Het plaggen, dus het weghalen van de toplaag met opgehoopt strooisel en mos heeft het beste effect als het in lokale smalle stroken gebeurt en zo dat slenken ontstaan die zich kunnen vullen met gebufferd water. Als ze overdwars komen te liggen op de slootrichting, kunnen ze de regenwaterinvloed verkleinen. Zo schept men gunstige condities voor basenminnende karakteristieke soorten en verlandingspioniers. Smalle plagstroken worden door de aangrenzende, niet geplagde gebieden op hun plaats vastgehouden en kunnen niet of nauwelijks omhoog drijven. Kleinschalig handmatig plaggen met ontzien van bekende hot spots van bijzondere soorten voorkomt verlies van natuurwaarden (zie Aandacht voor detail). Plagstroken van een of twee meter lang zijn misschien al genoeg voor uitbreiding van mossoorten die dreigen te verdwijnen.
De effecten van het plaggen van veenmosrietland op de fauna zijn nog niet onderzocht.

Bekalking niet toepassen
alleen toepasbaar in bijzondere, nader te bepalen gevallen, waarbij vooraf toestemming van het betrokken deskundigenteam is verkregen Bekalking van zwaar tot licht verzuurde laagveenschraallanden leidt tot wisselende en niet goed verklaarbare resultaten. Het is beproefd in het Vechtplassengebied. Het heeft in een aantal gevallen een negatief effect op het behoud en uitbreiding van basenminnende schraallandsoorten. Daarom luidt het advies voor de praktijk: niet gebruiken als herstelmaatregel.
In recent verzuurde terreindelen van veenmosrietlanden en trilvenen in het Vechtplassengebied leek bekalking iets betere resultaten te geven dan in langer verzuurde terreinen. Bij wijze van experiment en na het inwinnen van advies is bekalking in zulke recent verzuurde gebieden eventueel wel te verantwoorden. Het inschatten van de kansrijke situaties vergt een gedegen inzicht in de systemen. In sommige recent verzuurde terreingedeelten kan bekalking de zuurgraad in de bodem doen stijgen en het soortenaantal laten toenemen. Ook belangrijke doelsoorten kunnen zich dan vestigen. Het is mogelijk dat in deze terreinen een zaadbank (nog) functioneert en de herstelmogelijkheden bij bekalking kansrijker zijn. Het bekalken lijkt geen invloed te hebben op de concentraties van beschikbare stikstof en fosfaat in de bodem. In het Vechtplassengebied is de bekalking toegepast door proefvlakken met fijnkorrelige mergel te bestrooien: 150 g/m2. De proefvlakken werden deels wel, deels niet vooraf geplagd.

Niet ingrijpen
in vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze
Het effect van afplaggen of verwijderen van de toplaag en van bekalking is in een aantal verzuurde trilvenen nader onderzocht. Het blijken hier tot nu toe geen zinvolle beheersmaatregelen om de verzuring te bestrijden. Plaggen heeft ook in combinatie met bekalking onvoldoende effect op de trilveenvegetatie en er treedt snelle herverzuring op. Bij twijfel aan het effect van herstelmaatregelen luidt het advies: niet ingrijpen!
Veenmosrietlanden en moerasheiden hebben net zo als trilvenen een grote natuurwaarde. Is instandhouding van soortenrijk trilveen door maaibeheer niet langer mogelijk, dan valt te overwegen het streefbeeld voor de locatie bij te stellen en te kiezen voor natuurtype Veenmosrietland of Moerasheide.

Niets doen
in vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze
Niets doen afgezien van verwijdering van bosopslag en van bewaken van de waterhuishouding is een veel voorkomende beheersvorm in laag- en hoogvenen. In voedselarme situaties waarin geen snelle bosvorming valt te verwachten, kan men het ‘laten gaan van de successie', het stoppen van maaien, overwegen. In voedselarme en zure situaties kunnen ontwikkelingen in de richting van hoogveenachtige, meer natuurlijke gemeenschappen plaatsvinden. Voor hoogveen karakteristieke veenmossen, bijv. Wrattig veenmos (Sphagnum papillosum) en Bruin veenmos (Sphagnum fuscum) breiden zich dan uit. Hoever dergelijke ontwikkelingen in de richting van hoogveen kunnen doorgaan, is nog onvoldoende bekend.

Aandacht voor detail
in vergelijkbare biotopen toe te passen volgens de beschreven randvoorwaarden en werkwijze
Kleinschalig met de hand maaien biedt het voordeel dat het aandacht voor detail mogelijk maakt. Voordat een beheer wordt ingevoerd of veranderd is het belangrijk om een gedetailleerd overzicht te hebben van de ruimtelijke variatie, zowel in de abiotiek als in de vegetatie en fauna. Plekken waar soorten zoals Pijpenstrootje sterk gaan domineren ten koste van de diversiteit kunnen eventueel intensiever worden beheerd. Anderzijds kan op plekken met veel Rode lijst-soorten rekening worden gehouden bij het maaien of bij andere ingrepen zoals het opschonen van sloten. Men kan zulke plekken bijv. af en toe overslaan bij een maaibeurt of extra laat in het seizoen maaien. Het handmatig verwijderen van wat opslag is op deze plekken soms effectief genoeg. Deze refugia kunnen daarna dienen als oorsprong voor uitbreiding. Er is zo weinig trilveen dat deze vormen van soortenbeheer iets essentieels bijdragen aan behoud van de biodiversiteit. Het verdient aanbeveling gedetailleerde informatie in te winnen bij experts van de diverse soortengroepen. Sommige karakteristieke dieren, veel vlinders bijvoorbeeld, gebruiken verschillende vegetaties gedurende verschillende levensfasen. Zo zijn bijvoorbeeld speciale voedselplanten of mierennesten nodig voor de rupsen, rommelhoekjes voor de poppen en specifieke bloemen voor de vlinders. Kennis van de restpopulaties van karakteristieke soorten is noodzakelijk, zodat deze ontzien kunnen worden bij ingrepen. Ook is het altijd goed om zichtbare nestplekken en holen omzichtig te beheren.

Met bijdragen van:
Moniek Nooren, 3.10.2006; André Jansen, 30.11.2006 en Boudewijn Beltman, 15.05.2007

Literatuur:
Barendregt, A., B.Beltman, E.Schouwenberg, G. van Wirdum, 2004. Effectgerichte maatregelen tegen verdroging, verzuring en stikstofdepositie op trilvenen (Noord-Hollland, Utrecht en Noordwest- Overijsssel). Rapport EC-LNV nr. 2004/281-O, Ede.

Gert-Jan van Duinen, Roland Bobbink, Chantal van Dam, Hans Esselink, Rob Hendriks, Mariette Klein, Annemieke Kooijman, Jan Roelofs & Henk Siebel. Duurzaam natuurherstel voor behoud van biodiversiteit: 15 jaar herstelmaatregelen in het kader van het overlevingsplan bos en natuur .Rapport EC-LNV nr. 2004/305
Ede, 2004

Beltman, B. en A. Barendrecht, 2007. Herstelmaatregelen in verzuurde schraallanden in laag-Nederland. In: De Levende Natuur 108 (3): pp.87 - 91.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website