Pad: Natuurtypen / Stilstaande wateren (N04) / Brak water (N04.03) / Brakke plas / Bedreigingen

BEDREIGINGEN

Verzoeting

Eutrofiëring

Habitatvernietiging

Successie

Toxiciteit

Verdwijnen van dynamiek

Recreatie

 

Verzoeting

Verzoeting is in de afgelopen eeuw de grootste bedreiging voor brakke wateren gebleken. Door het afsluiten van de Zuiderzee, het Haringvliet en het Krammer-Volkerak van zeewaterinvloed heeft een sterke achteruitgang van brakke plassen plaatsgevonden. Bedijking heeft ook bijgedragen aan verzoeting: gebieden die via krekenstelsels met zeewater in verbinding stonden zijn nu verzoet doordat dijken de gebieden definitief van zee hebben afgesloten. Hydrologische ingrepen op kleine schaal zorgen ook voor verzoeting van brakke wateren. Nog steeds worden brakke boezem- en poldergebieden met zoetwater doorgespoeld om van het brakke water af te komen. Het omgekeerde peilbeheer dat in grote delen van Nederland gevoerd wordt, draagt bij aan een omgekeerd zoutverloop in wateren die brakke kwel ontvangen. Normaal zouden brakke wateren in de zomer door indamping zouter zijn dan in de winter, maar bij een omgekeerd peilregime wordt er in de zomer juist zoet water ingelaten, terwijl het lage peil in de winter de kweldruk vanuit brakwaterlenzen naar het oppervlaktewater vergroot.

 

Eutrofiëring

Eutrofiëring is een ander belangrijk probleem in brakke plassen. De plantengroei in brakke plassen is afhankelijk van helder water. Bij aanvoer van nutriënten gaan algen overheersen of, in kleine wateren, kroos. Hierdoor neemt de lichtinval in het water af en verdwijnen ondergedoken waterplanten. Deze nutriënten kunnen aangevoerd worden met oppervlaktewater, door in- of afspoeling vanuit landbouwpercelen en met het grondwater. Daarnaast kan atmosferische N-depositie een rol spelen. Hoewel die in de kustzone lager is dan in het binnenland, kan deze toch een grote bijdrage leveren aan de N-toevoer naar ondiepe geïsoleerde brakke plassen. Door de hoge beschikbaarheid van P zijn brakke wateren gevoeliger voor stikstofverrijking dan zoete wateren. Waar de productie van bagger en sapropelium door eutrofiëring hoog is, treedt een grotere vertroebeling op waardoor de ondergedoken waterplanten niet meer voldoende licht krijgen. Daarnaast verkleint een dikke sapropeliumlaag de mogelijkheid voor pioniersoorten van de Ruppiaklasse om te kiemen.

 

Habitatvernietiging

Ook habitatvernietiging heeft bijgedragen aan de achteruitgang van brakke plassen in Nederland. Veel brakke wateren zijn verloren gegaan door dichtstorten, dempen en egaliseren bij bijvoorbeeld dijkverzwaringen.

 

Successie

Successie vormt een bedreiging voor pioniersituaties in kleine, ondiepe brakke plassen. Deze wateren groeien in de loop van de tijd doorgaans dicht met Riet. Hoewel dit een natuurlijk verloop van de successie is, vormt dit wel een bedreiging voor het voortbestaan van kleine brakke plassen omdat ze niet snel meer nieuwe ontstaan, enerzijds door de sterk afgenomen dynamiek, anderzijds omdat dergelijke plassen niet meer nodig zijn voor het drenken van vee.

 

Toxiciteit

De toxiciteit van chloride (zout) is van belang voor het behoud van levensgemeenschappen van brak water, door uitsluiting van soorten die niet tegen hoge en/of sterk wisselende concentraties kunnen. Andere ionen kunnen echter ook toxisch zijn: in brak water zit ook een hoge concentratie sulfaat dat bij reductie omgezet wordt naar (waterstof)sulfide. Dit is toxisch voor zowel planten als dieren. Als dit sulfide gebonden wordt aan ijzer in de bodem, is het niet toxisch, maar vaak zijn alle bindingsplaatsen aan ijzer in brakke systemen al bezet. Sulfaatreductie treedt alleen op in aanwezigheid van organische stof. Dit betekent dat eutrofiëring, met een hoge productie van dood organisch materiaal, tot hogere sulfideconcentraties kan leiden. Doordat hoge chlorideconcentraties de afbraak van organische stof en sulfaatreductie kunnen remmen, kan verzoeting leiden tot verhoogde sulfideconcentraties. Ook ammoniumconcentraties kunnen hoog oplopen in brakke (veen)wateren. In wateren met een anaërobe bodem wordt de nitrificatie (omzetting van ammonium, ontstaan bij de afbraak van organische stof) geremd. Bovendien is de binding van ammonium aan het sediment erg laag in brakke wateren door de competitie van ammonium met de hoge concentraties aan andere kationen in het brakke water. Ammonium is in hoge concentraties giftig voor planten. Ammonia, dat bij hoge pH ontstaat uit ammonium, is erg toxisch voor zowel planten als dieren.

 

Verdwijnen van dynamiek

De dynamiek waardoor vroeger Brakke plassen konden ontstaan, is verdwenen uit het zeeklei- en laagveenlandschap en het duin- en kustgebied. Afwezigheid van deze dynamiek leidt tot andere gradiënten en een andere periodiciteit in zoutgehalten en tot versnelde successie. Het zeekleilandschap is bedijkt en in het duingebied vormt de vastgelegde zeewering een barrière bij de vorming van nieuwe brakke wateren. Het behoud van gemeenschappen van brak water is hierdoor voornamelijk afhankelijk geworden van het behoud van bestaande brakke plassen. Vooral voor de Associatie van Snavelruppia, die het goed doet in pioniersituaties, wordt het voortbestaan bemoeilijkt door het ontbreken van nieuwe ondiepe brakke plassen.

 

Recreatie

Net als binnenwateren trekken grotere brakke plassen recreatie aan. Recreatie zorgt al snel voor vertroebeling van het water door opwerverling van slibdeeltjes. Vooral motorboten zorgen voor veel vertroebeling. Vertroebeling veroorzaakt een slechter lichtklimaat voor ondergedoken waterplanten. Of recreatie een serieuze bedreiging voor een brakke plas vormt, verschilt van gebied.

 

 

| Bedreigingen | Regulier beheer |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website