Pad: Natuurtypen / Stilstaande wateren (N04) / Zoete plas (N04.02) / Waterplantenrijk water / Bedreigingen

Waterplantenrijk water

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Eutrofiëring
De huidige situatie m.b.t. eutrofiëring
Vertroebeling door andere oorzaken
Gifstoffen
Verdroging

Eutrofiëring
De belangrijkste bedreiging voor waterplantenrijke wateren is eutrofiëring. Eutrofiëring leidt in eerste instantie vaak tot afname van de soortenrijkdom door de overheersing van enkele soorten die kenmerkend zijn voor voedselrijke omstandigheden, zoals Grof hoornblad en Smalle waterpest. Bij verdergaande eutrofiëring worden wateren gedomineerd door groen- en blauwalgen, die ervoor zorgen dat ondergedoken waterplanten door lichtgebrek niet meer kunnen groeien. In wateren met algenbloei kan de zuurstofconcentratie per etmaal sterk fluctueren (overdag hoog, ’s nachts laag) of in de herfst langdurig laag worden bij het massaal afsterven van de algen, terwijl wateren zonder algenbloei een veel gunstiger zuurstofklimaat hebben.
Nagenoeg alle waterplantenrijke wateren hebben in de tweede helft van de vorige eeuw te maken gekregen met eutrofiëring. De verslechterde waterkwaliteit in Nederland werd onder andere veroorzaakt door:

Het gebiedsvreemde water is rijk aan sulfaat en bicarbonaat; stoffen die afbraak van dood organisch materiaal stimuleren, waarbij voedingsstoffen vrijkomen (zie de figuur). Daarnaast wordt sulfaat onder zuurstofarme omstandigheden omgezet in sulfide, dat ervoor zorgt dat fosfaat dat in de waterbodem gebonden is aan ijzer weer beschikbaar komt. In landbouwgebieden vindt er echter ook sulfaataanvoer vanaf weilanden plaats, doordat dit wordt vrijgemaakt in drogere perioden en naar het oppervlaktewater spoelt. Daarnaast kan ook door bemesting (nitraat) sulfaat vrijgemaakt worden dat in het oppervlaktewater terecht komt.
Waterplantenrijk water afb 4a

Schematische weergave van de belangrijkste biogeochemische processen die eutrofiëring, toxiciteit en baggervorming in ondiepe wateren veroorzaken.

waterplantenrijk water

De huidige situatie m.b.t. eutrofiëring
De afgelopen decennia is er veel verbeterd in de zuivering van oppervlaktewater en zijn fosfaten in wasmiddelen in de ban gedaan. Inzicht in de effecten van de aanvoer van gebiedsvreemd water heeft er de laatste tien jaar toe geleid dat in veel natuurgebieden zoveel mogelijk gebiedseigen oppervlaktewater wordt vastgehouden en alleen tijdens extreme droogte nog gebiedsvreemd water wordt ingelaten. Het omgekeerde peilregime waarin er ’s zomers een hoger peil wordt gevoerd dan in de winter, is echter nog lang niet overal losgelaten.
Veel van het in het verleden aangevoerde fosfaat ligt nu opgeslagen in de waterbodem (zie ‘Het sediment’ onder Betekenis en Kenschets). Ondanks de verbeterde oppervlaktewaterkwaliteit, betekent dit dat er door nalevering vanuit de bodem nog veel fosfaat vrij kan komen. Voor herstel is het daarom vaak noodzakelijk om naast de aanvoer van fosfaat met het oppervlaktewater ook het fosfaat in het sediment aan te pakken. Waterbeheer is ook waterbodembeheer.

Vertroebeling door andere oorzaken
Naast vertroebeling door algenbloei kunnen ook andere vormen van vertroebeling zorgen voor een verslechterd lichtklimaat voor ondergedoken waterplanten, zoals de opwerveling van slib (bagger) en de kleuring met humuszuren. Baggervorming door de afbraak van organisch materiaal is een groot probleem in de Nederlandse wateren. De afbraak van veen en slib wordt sterk beïnvloed door de waterkwaliteit. Hoge concentraties van voedingsstoffen, bicarbonaat, nitraat en sulfaat stimuleren de productie van bagger.
Vooral grotere plassen en meren hebben door de lange strijklengte last van opwerveling van bagger door de wind. Daar komt nog bij dat er in het algemeen sprake is van een ongunstige visstand, met veel bodemwoelende (benthivore) en zoöplanktonetende (planktivore) vis. Door de interactie tussen wind en vis is het zelfs bij een relatief lage fosfaatbelasting moeilijk om plassen helder en plantenrijk te krijgen.
Opvallend is dat op de plekken in het water waar er sprake is van een dikke, zwevende sliblaag geen planten groeien. Dit zwevende slibpakket is te slap voor planten om in te wortelen en door het slechte lichtklimaat is er waarschijnlijk ook geen kieming mogelijk. Bovendien worden de weinige wortelende planten gemakkelijk weggeslagen bij harde wind. Op sommige locaties zorgt de recreatie- en beroepsvaart voor extra vertroebeling. Vooral het gebruik van motorboten zorgt voor een opwerveling van slibdeeltjes, die nog uren aanhoudt nadat een boot voorbij is gevaren.

Gifstoffen
Giftige stoffen voor planten zoals sulfide, ammonium, ammoniak en organische zuren ontstaan onder zuurstofarme omstandigheden bij de afbraak van organische stof. Zulke anaërobe omstandigheden komen al snel voor als slib zich ophoopt.Van Krabbenscheer is bijvoorbeeld bekend dat vooral de ophoping van ammonium, naast sulfide, heeft geleid tot sterke achteruitgang. Deze soort kan overigens goed tegen relatief hoge fosfaatconcentraties. Door ophoping van gifstoffen (uit bagger) kunnen soorten als Krabbenscheer verdwijnen in plassen in natuurgebieden, terwijl deze in het aangrenzende, hoger belaste landbouwgebied nog floreren in geschoonde sloten. Sulfide wordt vooral in hoge concentraties gevormd als de aanvoer van sulfaat hoog is, zoals met de aanvoer van gebiedsvreemd water, de afspoeling vanaf weilanden of in voormalige brakwatergebieden. Als er veel ijzer in het sediment aanwezig is, bijvoorbeeld door kwel, wordt het gevormde sulfide door ijzer weggevangen en is het niet meer giftig.

Verdroging
Verdroging kan een ander probleem vormen voor waterplantenrijke wateren. Vooral in laagvenen kan verdroging leiden tot een versnelde afbraak van veen in de oevers, waardoor er extra nutriënten in het water terecht komen. De afbraaksnelheid hangt echter sterk af van de voedselrijkdom en kan bijna even hard gaan als onder natte omstandigheden met een slechte waterkwaliteit. In wateren met meer kleiige oevers en bodem kan droogval juist leiden tot een grotere vastlegging van fosfaat. Dit proces speelt overigens ook in veenbodems. In uiterwaarden heeft droogval een positief effect op de begroeiing met waterplanten. Natuurlijk is het voor de populaties van vis en macrofauna minder gunstig als een water regelmatig droogvalt.
In grote delen van Nederland wordt een vast of omgekeerd (’s zomers hoog, ‘s winters laag) peilregime gehandhaafd (zie Eutrofiëring), waarvoor in de zomer water moet worden ingelaten. Momenteel loopt er onderzoek naar de effecten van een natuurlijker peilbeheer in laagveenwateren. Hierin wordt ook gekeken wat de effecten van een hoger winterpeil zijn voor de belasting met fosfaat in Veenmosrietland en Trilveen.
Verdroging heeft in Nederland op grote schaal geleid tot het wegvallen van kwelstromen aan het maaiveld. Daarnaast zorgt bemaling voor het wegtrekken van kwelwater van relatief hoger gelegen natuurgebieden naar onderbemaalde polders. Met kwel kan ijzer worden aangevoerd, wat een gunstig effect heeft op de vastlegging van fosfaat. Ook voor waterplantenrijke wateren is het daarom vaak gunstig om de regionale hydrologie te herstellen om kwel naar het water te bevorderen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website