Pad: Natuurtypen / Beken en bronnen (N03) / Beek en bron (N03.01) / Bron / Herstelbeheer en inrichting

HERSTELBEHEER EN INRICHTIG

Planmatige aanpak
Voorbereiding
Uitvoering
Maatregelen in de bron

Maatregelen in het inzijg- en stroomgebied
Aandacht voor monitoring en nazorg

Planmatige aanpak
De uitvoering van een herstelproject vereist een planmatige aanpak. Stel bij de planning van het project de vraag of er gefaseerd in de tijd en ruimte gewerkt kan worden. Hoewel het in financieel opzicht nadelig kan zijn, heeft gefaseerd werken in ecologisch en hydrologisch opzicht voordelen. Zo kunnen in terreinen met een grote hellingshoek delen niet of in een latere fase worden geplagd, waardoor erosie wordt voorkomen. De stelregel is: hoe steiler de helling, hoe kleiner het te plaggen oppervlak. Dit hangt overigens ook af van het bodemtype: een bodem met een zandig karakter verspoelt gemakkelijker dan grond met een lemig karakter.


Stappenplan voor herstel van bronsystemen


1. Bij de start

2. Aan de slag in het veld

3. Aan de slag op kantoor

4. Uitvoering

5. Nazorg


Voorbereiding
Een belangrijk onderdeel van de voorbereidende werkzaamheden bestaat uit een goede beschrijving van de uitgangssituatie in het veld door een gedegen inventarisatie van de aanwezige biotische en abiotische omstandigheden. Aan de hand hiervan kan een systeemanalyse gemaakt worden en het natuurdoel worden bepaald. Dit onderzoek is de basis voor de volgende stappen.


Uitvoering

1. Bespreek het inrichtingsplan

2. En ga over tot uitvoering

De herstelwerkzaamheden kunnen het best in de nazomer, in de periode augustus - september, worden uitgevoerd. Dit is de periode waarin de aanvoer van grondwater vanuit het inzijggebied het geringst is. Daarmee is de draagkracht van de bodem in die periode het grootst, maar is de inzet van rijplaten nog altijd noodzakelijk. Verder bereidt de natuur zich in deze tijd van het jaar voor op het einde van het seizoen; kruidachtige planten hebben zaad gevormd en bovengrondse delen sterven langzaam af. Voor veel diersoorten betekent deze periode de voltooiing van de seizoenscyclus, hoewel dieren ook in het stadium waarin ze overwinteren kwetsbaar kunnen zijn en een gefaseerde uitvoering van de maatregelen dus voordelen heeft. Bovendien krijgt de bodem bij een ingreep in augustus - september een periode van rust in de aanloop naar het nieuwe groeiseizoen. In het volgende groeiseizoen starten alle soorten dan min of meer gelijk op.

Maatregelen in de bron
Naast bovengenoemde maatregelen kan het noodzakelijk zijn in de bron zelf specifieke maatregelen te nemen. Het is zaak voorzichtig te werk te gaan. De bron zelf vormt het kwetsbaarste deel van het beekdal, omdat de bodem met water is verzadigd.

Bij het maken van het inrichtingsplan en uitvoering van de maatregelen moet een aantal zaken in het oog gehouden worden. De delen met natuurkwaliteiten moeten gespaard blijven. Deze altijd opzichtig markeren (evt. met gekleurde afzetlinten). Wat al aanwezig is, hoeft zich immers niet opnieuw te ontwikkelen of te vestigen. Bovendien zijn dit de (zaad)bronnen voor het in te richten terreingedeelte. Specifiek voor de macrofauna is het van belang dat bij uitvoering van alle substraattypes (kleine) delen gehandhaafd worden. Vanuit dit achtergebleven substraat kan het ingerichte terrein opnieuw worden gekoloniseerd.

Er moet worden voorkomen dat de ontwateringbasis vergroot wordt. Graaf niet naar het (kwel)water toe, maar zorg ervoor dat het water in het maaiveld (terug) komt. Dit kan bereikt worden door lokale maatregelen in de directe omgeving van de bron, of door maatregelen in het inzijg- en stroomgebied. Lokaal kan de beekdalbodem worden opgehoogd. Hiervoor bestaan twee mogelijkheden. Allereerst kunnen (natuurlijke) drempels worden aangelegd. Daarnaast kan de bodem (op kunstmatige wijze) worden opgehoogd. Drempels kunnen worden gerealiseerd door takkenbossen en boomstronken in de beek te leggen of door aanleg van keiendrempels.

Maatregelen in het inzijg- en stroomgebied
Tot de herstelwerkzaamheden in bronsystemen behoren ook maatregelen die betrekking hebben op de lager gelegen bronbeek met beekdalgraslanden of het hoger gelegen inzijggebied. Ter aanvulling op bovengenoemde maatregelen komen hier ingrepen aan de orde die van toepassing zijn op inzijg- en stroomgebied. Op de bedreigingen zoals waterwinning en kanalisatie van beek- en riviersystemen wordt hier niet ingegaan, hoewel deze zeker zeer effectief kunnen zijn.

Om de waterkwaliteit en -kwantiteit van het brongebied te verbeteren, moeten verdroging en eutrofiëring in het inzijg- en stroomgebied worden tegengegaan. De kwaliteit van het uittredende bronwater kan worden verbeterd door het gebruik van (kunst)mest en/of bestrijdingsmiddelen te beperken en waar mogelijk geheel niet meer toe te laten. Dit kan worden bereikt door deze inzijggebieden te begrenzen als beheersgebied of (nog beter) als nieuwe natuur en uitvoering te geven aan de mogelijkheden.

Ten aanzien van de waterkwantiteit is het zaak dat zoveel mogelijk water wordt geborgen in het inzijggebied. Drainagebuizen en -sloten in het inzijg- en stroomgebied hebben een drainerende werking op bronsystemen. Deze moeten dan ook buiten werking worden gesteld. Soms gebeurt dit door de uiteinden van de drains af te sluiten. Alle drains worden echter onder een hellingshoek (=afschot) gelegd, waardoor onnatuurlijke verplaatsing van grondwater plaatsvindt. Dit is helemaal het geval in bronsystemen die in reliëfrijk terrein voorkomen. In hellend terrein helpt het afsluiten van de uiteinden al helemaal niet, omdat de buizen door de helling in het middengedeelte hun drainerende werking behouden. Ze moeten dan ook worden verwijderd of dicht gespoten met bijvoorbeeld zwelklei. Bij verwijdering wordt de bodem echter geroerd. De drainagesleuven blijven daardoor nog vele jaren herkenbaar in de vegetatie. De aanwezige kwaliteiten, het te realiseren doel en de financiële middelen bepalen hier welke keuze gemaakt wordt.

Sloten die voorkomen in het inzijggebied moeten zo mogelijk tot aan maaiveld worden opgevuld in overeenstemming met het profiel van de bodem daarnaast (met gebiedseigen materiaal). In gevallen dat de naastgelegen gronden nog een landbouwkundige functie hebben, kan overwogen worden de sloten (in ieder geval) te verondiepen, buisdrains minder diep te leggen en de natste perceelsdelen, waar water stagneert, op te hogen.

Daarnaast kan het zinvol zijn het (naald)bos in het inzijggebied te kappen. Als dit niet kan, heeft een sterke dunning (tot zover de Boswet daarvoor ruimte biedt) de voorkeur. Ook kan het aanwezige naaldhout worden omgevormd naar een bos met loofhoutsoorten. Naaldbos verdampt namelijk op jaarbasis meer water. Overigens moet wel in acht genomen worden dat de dichtheid van het bos een even grote rol speelt bij de verdampingsomvang; een dicht loofbos heeft een aanzienlijk hogere verdamping dan een open naaldbos.

De aanleg van poelen en vijvers in het inzijggebied is sterk af te raden. Deze dragen door hun sterkere verdamping bij aan verdroging van het gebied. De verdamping van open water (met 700 mm per jaar) is bijna een keer zo groot als die van in een inzijggebied opgeslagen grondwater. In een grazige vegetatie bedraagt de verdamping ongeveer 400 mm per jaar.

Aandacht voor monitoring en nazorg
Bij de uitvoering van een herstelproject verdienen een goede evaluatie en monitoring veel aandacht. Zo ontstaat aan de hand van een aantal parameters een goed beeld van het resultaat. Door bewust terug te kijken en de resultaten van het plan te inventariseren, krijgen we informatie die van belang is voor de ontwikkeling en uitvoering van een volgend project.


1. Evaluatie

2. Inventariseer de ontwikkelingen in het brongebied voor

Tijdens de evaluatie worden de verschillende fasen van planontwikkeling en -uitvoering tegen het licht gehouden. Tot de nazorg behoort eveneens de begeleiding van de beheerder of particuliere eigenaren. De ervaring leert dat het vervolgbeheer voor het bereiken van de gestelde natuurdoelen net zo belangrijk is als de uitvoering zelf.

Monitoring is vooral bedoeld om de resultaten van het herstelproject in beeld te brengen en of het doel is bereikt. Daarvoor moet voorafgaand aan de uitvoering van maatregelen een monitoringplan worden opgezet en uitgevoerd. Dat geeft aan met welke methodiek welke parameters worden gemeten/geïnventariseerd en wanneer. Het gaat hier om de ontwikkeling van de flora en fauna in het gebied. Maar ook kunnen waterkwaliteit- en kwantiteitsgegevens over een bepaalde periode verzameld worden.

Met bijdragen van: Marcel Horsthuis, Jaap Bouwman, Fons Eysink & Bert Knol (november 2010).

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website