Pad: Natuurtypen / Rivieren (N02) / Rivier (N02.01) / Rivier / Herstelbeheer en inrichting

Rivier

 

Inhoud van deze pagina:

HERSTELBEHEER EN INRICHTING

Inleiding
Dijken terugleggen
Blijvende aandacht voor waterkwaliteit
Aanpassing kribvakken
Graven van nevengeulen en aanleg van nieuwe plassen

Inleiding
Er is een groot aantal ingrepen mogelijk om de natuurkwaliteit in het rivierengebied te ontwikkelen en versterken. Deze zijn te ordenen naar randvoorwaarden in termen van ruimte (dijken terugleggen) en kwaliteit (waterkwaliteit) en meer specifieke zaken voor de hoofdstroom (aanpassing kribvakken) en de nevengeulen en geïsoleerde wateren (graven van nevengeulen en aanleg van nieuwe plassen).

Dijken terugleggen
Aangezien beteugeling van de rivier een belangrijke rol heeft gespeeld bij de achteruitgang van de biodiversiteit, ligt het voor de hand om (verder) ecologisch herstel te bereiken door meer ruimte te geven aan landschapsvormende processen, zodat een volledige gradiënt aan biotopen kan ontstaan. Vanwege een hogere afvoercapaciteit is ook de veiligheid gebaat bij meer ruimte en er zijn gedeelde belangen met waterbeheerders, drinkwater- en delfstoffenwinners, recreatie- en horecaondernemers.
Bij veel projecten in het kader van ‘Ruimte voor de Rivier’ gaat de aandacht uit naar de ontwikkeling van hoogdynamische riviernatuur met maatregelen zoals het aanleggen van nevengeulen, uiterwaardverlagingen en het afgraven van hoogwatervrije terreinen. Ruimte voor de rivier zoekt men daarbij vooral in de diepte. Ruimte creëren in de breedte door het terugleggen van dijken is een beter alternatief, omdat daarbij een meer complete hydrodynamische gradiënt kan worden hersteld, van hoogdynamische oevers tot laagdynamische, hogere delen. Dit levert qua herstel van de biodiversiteit veel meer op. Soorten en soortgroepen zijn namelijk gebonden aan meerdere ‘plekken’ in de gradiënt. Bovendien gebruiken mobiele soorten verschillende onderdelen van het landschap tijdens hun levenscyclus. Tevens zijn hooggelegen plekken voor veel diersoorten essentieel als vluchtplaats tijdens hoog water.
Met behulp van cyclisch beheer wordt getracht om doelstellingen voor veiligheid en natuur te combineren. Het periodiek terugzetten van de successie beoogt het creëren van nieuwe uitgangspunten voor de natuur en tegelijkertijd het bereiken van een betere hoogwaterveiligheid. Uit recente modelstudies blijkt dat er in de uiterwaarden op het ogenblik te weinig ruimte is om zowel het hele scala aan biotopen te ontwikkelen en te beheren, als de veiligheid te garanderen. Bovendien verwacht men in de toekomst meer piekafvoeren vanwege klimaatverandering. Er is dus extra ruimte voor het rivierwater nodig.
Door belangen op lokaal niveau is dijkverlegging slechts op zeer beperkte schaal gerealiseerd. Een zorgvuldige afweging van de belangen en kansen vereist kennis en visie op een groter schaalniveau. Zoals kennis over plaatsen met unieke biotopen of met de beste kansen om ruimte voor de rivieren te creëren. En qua visie op veiligheid en natuur de afweging of cyclisch beheer voldoende kansen biedt of dat toch dijken teruggelegd moeten worden. Dit voorbeelden van bouwstenen voor een integrale visie op het rivierengebied.

Blijvende aandacht voor waterkwaliteit
De waterkwaliteit is sterk verbeterd en, waarschijnlijk vooral als gevolg daarvan de visstand eveneens (hoewel het oorzakelijke verband niet met zekerheid is aangetoond). Vooral de stroomminnende vissen, die het grootste deel van hun leven in de hoofdstroom doorbrengen, hebben van de verbeteringen geprofiteerd. Ondanks deze aanzienlijke verbeteringen in de visstand bestaat er echter nog steeds een groot verschil met de oorspronkelijke situatie. Aandacht voor verdere verbetering of in ieder geval het voorkomen van verslechtering blijft (mede) daarom noodzakelijk.
Innovaties op het gebied van grootschalige waterzuivering zijn grotendeels doorgevoerd. Extra winst zal nu vooral te boeken zijn met het ontkoppelen van regenwater en rioolwater. Door het rioolwater niet onnodig met regenwater te verdunnen wordt een hogere zuiveringsefficiëntie gehaald en is bij grote neerslaghoeveelheden geen riooloverstort meer nodig. Behalve voor verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater zorgt dit ook voor meer aanvulling van het grondwater.
Problemen door minder aanvoer van grondwater kunnen worden opgelost door ingrepen in de binnendijkse landbouw, met name door minder detailontwatering. Bij inrichting en herstel is het tevens van belang om rekening te houden met de biogeochemische veranderingen van de grondwaterkwaliteit (meer nitraat en sulfaat). Op plekken met verminderde of gewijzigde kwel kan waterstagnatie in de zomer tot interne eutrofiëring leiden met blauwalg en botulisme als gevolg. Kennis van de biogeochemische processen kan worden ingezet om dit te voorkomen:

Aanpassing kribvakken
In de hoofdstroom is de huidige natuurwaarde zeer gering, ondanks omvangrijke verbeteringen in de waterkwaliteit. Het ontbreekt aan geschikt habitat, met name ondiepe en luwere stukken. Kribben en andere hydraulische kunstwerken vormen harde substraten waar slechts weinig soorten kunnen gedijen. Gezien de verbetering van de waterkwaliteit kan nu vooral winst worden behaald voor de waterorganismen door kribben ecologisch te optimaliseren. Zo is recent een nieuw type krib bedacht, de eilandkrib. Deze verschilt van de gebruikelijke kribben doordat een deel van de krib verlaagd is, waardoor aan de kop van de krib een soort eilandje ontstaat. Het verlaagde deel vergroot de afvoercapaciteit van de rivier en het ‘eilandje’ heeft een betere stroomgeleiding tot gevolg. Dit voorkomt scheepvaarthinder en er zal in de toekomst minder hoeven te worden gebaggerd. Door de vorm van de eilandkrib ontstaat aan weerszijden van de vaargeul een geul met een lagere stroomsnelheid. Hierdoor kunnen zich allerlei waterplanten vestigen. Vissen kunnen zich door de lagere snelheid beter stroomopwaarts verplaatsen en profiteren bovendien van het ontstaan van geschikt paai- en opgroeihabitat.
Bovendien biedt dit mogelijk kansen voor inheemse soorten die in deze meer natuurlijke ondiepe aquatische habitats de concurrentieslag met de exoten wél kunnen winnen. Zo kunnen meer natuurlijke oevers langs de hoofdstroom, naast wateren in uiterwaarden als toevluchtsoorden (refugia) dienen voor inheemse vissoorten en watermacrofauna. 

Graven van nevengeulen en aanleg van nieuwe plassen
Het uitvoeren van buitendijkse natuurontwikkeling kan meer winst opleveren door aanleg of herstel van gradiënten in reliëf en daarmee herstel van overstromingsduur. Een overstromingsvlakte van voldoende breedte is nodig om een gradiënt te kunnen ontwikkelen en bovendien dempt een brede vlakte de fluctuaties in de waterstand waardoor de hoger gelegen delen minder vaak en lang overstromen.
In aangetakte nevengeulen liggen grote kansen om ondiep stromend habitat te herstellen, wat bijvoorbeeld voor veel stromingminnende vissen kansen biedt. Door geulen eenzijdig benedenstrooms aan te koppelen kan wellicht gebruik worden gemaakt van rivierkwel, om zo door aanvoer van helder water een gradiënt in vegetatiestructuur te laten ontstaan die voor veel soorten van betekenis is. Bij de combinatie met delfstofwinning (zie Rivierengebied / Herstelbeheer en inrichting: ‘Kansen in een veranderende samenleving’) moet ervoor worden gewaakt dat de kansen voor natuur ook voldoende worden benut. Het aanleggen van diepe bassinvormige zandgaten zonder (periodieke) doorstroming draagt weinig bij aan natuurherstel. Veel beter is het om over een brede strook flauwe, ondiepe oevers aan te leggen met een brede(re) toegang tot de rivier, zodat erosie en sedimentatie meer kansen krijgen.

Herstel en ontwikkeling van nieuwe geïsoleerde laagdynamische wateren vormt een groot knelpunt in het rivierengebied. Buitendijks wordt de ontwikkeling van deze wateren belemmerd door extremere rivierwaterstanden maar ook door de afname van kwel als gevolg van meerdere oorzaken (zie ‘Beteugeling van de rivier’ onder Bedreigingen). Binnendijks liggen tegenwoordig de laagste gronden in het rivierengebied, maar hier wordt kwel vaak afgevangen door ontwatering voor de intensieve landbouw. Bovendien ontbreekt hier rivierdynamiek die, hoewel incidenteel van karakter, toch van belang is voor de dispersie van soorten en waardoor nog enige slibafzetting plaatsvindt. Ondanks deze beperkingen zijn elementen van moerassen met Krabbenscheer mogelijk nog wel te herstellen in oude strangen langs stuwwallen (Bovenrijn, Nederrijn, IJssel) en in kwelmeanders langs pleistocene of oud-holocene terrassen (Zandmaas). Maatregelen zoals vermindering van ontwatering bieden kansen voor herstel van de grondwaterinvloed. Bovendien kan het nodig zijn om de instroom van nutriëntrijk grond- en oppervlaktewater te stoppen, zoals in de Rijnstrangen waar Krabbenscheer zich alleen handhaaft in enkele geïsoleerde wateren met toestroom van ijzerhoudend, maar nitraatarm en sulfaatarm grondwater. In bestaande oude strangen en geïsoleerde nevengeulen kan de helderheid en de soortendiversiteit toenemen door de aanwezige dikke organische sliblagen of vervuilde waterbodem te verwijderen. Dit terugzetten van de vegetatiesuccessie komt in feite neer op het compenseren van het verlies van de natuurlijke procesgang waarbij dergelijke wateren door de rivier werden gecreëerd.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website