Pad: Natuurtypen / Rivieren (N02) / Rivier (N02.01) / Rivier / Bedreigingen

Rivier

 

Inhoud van deze pagina:

BEDREIGINGEN
Beteugeling van de rivier
Agrarisch gebruik
Scheepvaart & verstuwing
Opwarming
Invloed van exoten

Beteugeling van de rivier
Hoewel waterstaatkundige maatregelen teruggaan tot in de vroege middeleeuwen (en wellicht al eerder), zijn de grote waterstaatkundige veranderingen na 1850 het meest ingrijpend geweest. De belangrijkste – door de economie ingegeven – doelen waren een snellere en veilige afvoer van water en ijs en een beter bevaarbare rivier. Beide doelen zijn gehaald, maar tegen hoge ecologische kosten. De werking van het rivierecosysteem is zeer ingrijpend aangetast door de stroomgeul te versmallen en verdiepen, meanderbochten af te snijden en door het storten van stenen en het aanleggen van kribben om de nauwe hoofdstroom te fixeren. De oorspronkelijke brede overstromingsvlakte met veel mozaïeken en gradiënten tussen de verschillende biotopen is zo veranderd in een rechte, smalle en diepe hoofdstroom in een uniform rivierdal. Sedimentatie krijgt weinig kansen, waardoor ondiepe zand- en grindsubstraten met stromend water – belangrijk voor het onderwaterleven – ontbreken. Hierdoor gingen op grote schaal geschikte paaihabitats en opgroeihabitats voor veel stromingminnende vissoorten van de hoofdstroom verloren.
Ook buitendijkse laagdynamische riviermoerassen zijn verloren gegaan door de beteugeling van de rivier. Het nauwe keurslijf heeft geleid tot extremere rivierwaterstanden met meer hoge waterstanden, maar ook tot meer drainage door de rivier in droge tijden. Dit laatste is het gevolg van de verdere insnijding van de rivierloop door de versnelde afvoer van water (ongeveer 3 cm per jaar in de Waal). Tegelijkertijd slibben de versmalde uiterwaarden sneller op. Dit proces is versterkt door de aanleg van zomerkades; het water achter de kades stagneert zodat het meegevoerde materiaal snel bezinkt en de uiterwaarden ophogen. Het gevolg is een sterke afname van kwel, waardoor tegenwoordig het realiseren van nieuwe kwelmilieus in het rivierengebied zeer lastig is. Agrarisch gebruik vangt bovendien kwelstromen af en zorgt voor een verslechtering van de grondwaterkwaliteit (meer nitraat en sulfaat). De afname van de hoeveelheid en de kwaliteit van het grondwater en het vaker voorkomen van hoge waterstanden leveren een meervoudige belemmering op voor het herstel van ondiepe laagdynamische moerassen.

Agrarisch gebruik
Intensief agrarisch gebruik heeft een sterke stempel gedrukt op het rivierengebied. Hierdoor, en door riooloverstorten, ging vroeger de waterkwaliteit sterk achteruit. In de afgelopen decennia is de waterkwaliteit in de rivieren sterk verbeterd, o.a. door sterke verbeteringen in de zuiveringsinstallaties. Maar de verbeteringen in technologische zuiveringstechnieken kunnen de toenemende vervuilingdruk niet meer bijhouden waardoor de waterkwaliteit weer afneemt.
Het agrarische gebruik beïnvloedt bovendien de aquatische biotopen door verandering van de kwaliteit and kwantiteit van het grondwater. Kwelstromen raakten vervuild of werden door detailontwatering binnendijks afgevangen waardoor deze de buitendijkse gebieden niet meer bereikten. Daar waar kwelstromen zijn weggevallen kan fosfaat geleidelijk worden gemobiliseerd, een proces dat versterkt wordt door de aanvoer van sulfaatrijk oppervlaktewater. Op veel plekken waar de kwel nog aanwezig is, is de samenstelling hiervan helaas vaak sterk gewijzigd als gevolg van nitraatuitspoeling uit landbouwgrond en soms ook uit bosbodems vanwege de hoge stikstofdepositie. Hierdoor neemt de ijzeraanvoer af, wordt vaak sulfaat gemobiliseerd en kunnen ook de ammoniumconcentraties sterk gaan oplopen. Op plekken met verminderde of gewijzigde kwel kan waterstagnatie in de zomer tot interne eutrofiëring leiden met blauwalg en botulisme tot gevolg.

Scheepvaart & verstuwing
Door de aanleg van stuwen voor de scheepvaart verdwijnen ondiepe plekken met stroming, wat een belangrijke bedreiging heeft opgeleverd voor veel soorten vissen en watermacrofauna. Bovendien vormen stuwen migratiebarrières voor trekvissen zoals Zalm (Salmo salar), Zeeforel (Salmo trutta trutta) en Houting (Coregonus oxyrinchus). Kribben en andere hydraulische kunstwerken vormen harde substraten waar maar weinig soorten kunnen gedijen. Bovendien heeft scheepvaart ook directe gevolgen voor het onderwaterleven doordat rondom de kribben krachtige waterkolken ontstaan waardoor planten moeilijk kunnen wortelen. Dit wordt versterkt door boeg- en schroefgolven en de enorme waterverplaatsingen als gevolg van de scheepvaart waarbij bijna continu water in de kribvakken wordt geperst en er vervolgens weer uit wordt gezogen met opwerveling en vertroebeling tot gevolg.
Slechts weinig soorten zijn aangepast aan deze dynamische condities die over grote oppervlakte langs de hoofdgeul voorkomen, terwijl juist exoten het daar relatief goed blijken te doen. Bovendien is de aanwezigheid van klinkhout in de hoofdstroom niet meer mogelijk vanwege de belangen van de scheepvaart, maar in de zijwateren en nevengeulen bestaan hier wel kansen (klinkhout = het dode hout langs en in de rivier).

Opwarming
De temperatuurstijging van het water door klimaatsverandering en koelwater beïnvloedt de basale fysiologie van soorten en heeft gedocumenteerde effecten op de groei, fenologie, voortplantingssucces en overleving. Daarbij blijkt dat voor exotische vissoorten de optimumtemperatuur hoger is dan voor inheemse soorten, waardoor de concurrentiepositie van inheemse vissen verslechtert. Daarnaast kan de opwarming van het water de waterkwaliteit en vooral het zuurstofgehalte beïnvloeden. Dit komt omdat in warmer water minder zuurstof oplost terwijl tegelijkertijd veel koudbloedige dieren een hogere zuurstofbehoefte hebben doordat hun metabolisme versnelt. Dit betekent dat effecten van klimaatsverandering kunnen worden versterkt door afname van de waterkwaliteit, of andersom, dat de negatieve effecten van temperatuur op zuurstofgehalte deels kunnen worden afgezwakt door verbeteringen in de waterkwaliteit.

Invloed van exoten
De watermacrofauna en in toenemende mate ook de visgemeenschappen worden sterk gedomineerd door een aantal exoten, waaronder enkele kreeftachtigen (Dikerogammarus villosus en Chelocorophium curvispinum) en mossels, zoals de driehoeksmossel (Dreissena polymorpha) en de twee Chinese korfmosselen (Corbicula fluminea en C. fluminalis). Bij de vissen zijn naast de Roofblei (Aspius aspius) ook een aantal grondelsoorten nu vaak talrijker in kribvakken dan inheemse soorten; het gaat met name om Witvingrondel (Romanogobio belingi), Zwartbekgrondel (Apollonia melanostomus), Gemarmerde grondel (Proterorhinus marmoratus) en Kessler’s grondel (Neogobius kessleri). Er is kennis nodig van de mate waarin deze exoten de verschillende aquatische biotopen in het rivierengebied gebruiken. Andere belangrijke vragen zijn in hoeverre zij daar het herstel van de inheemse soorten belemmeren en in welke watertypen inheemse soorten wel de concurrentieslag met de exoten kunnen winnen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website