Pad: Natuurtypen / Cultuurhistorische bossen (N17) / Park- en stinzenbos (N17.03) / Park- of stinzenbos

Park- en stinzenbos

Inhoud van deze pagina: 

BETEKENIS
Stinzenplanten
Oude bossen
Monumentale bomen
Holenbroeders en andere stamgasten

KENSCHETS
Park en bos
Planten uit alle windstreken
Cultuurplanten in het wild
Drie belangrijke regio’s
Hoezo verschralen?
Plantengemeenschappen
Habitattypen en natuurdoeltypen
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Stinzenplanten
Park- en stinzenbossen zijn, naast hun cultuurhistorische betekenis, vooral van belang vanwege hun bijzondere flora: de stinzenplanten. Deze term is afkomstig van het Friese woord ‘stins’ (stenen huis) waarmee oude landhuizen worden aangeduid. Stinzenplanten zijn dan ook plantensoorten die binnen een bepaald gebied geheel of grotendeels beperkt zijn tot buitenplaatsen, boerenhoeven, pastorietuinen en aanverwante milieus. Zij zijn daar vroeger, vaak eeuwen geleden, uitgeplant en vervolgens verwilderd of ingeburgerd. Daarnaast kan bij bepaalde soorten ook sprake zijn geweest van spontane vestiging vanuit de omgeving.

Oude bossen
Het merendeel van het Nederlandse bos is erg jong. De meeste bossen zijn rond de voorlaatste eeuwwisseling aangelegd op heidevelden en stuifzanden, en zijn daarom nog niet erg natuurlijk. Een beperkte boomsoortkeuze, een voorliefde voor uitheemse naaldbomen en een beheergeschiedenis die grotendeels op de houtteelt was gericht hebben op veel plaatsen de mogelijkheden voor een diverse natuur erg beperkt. Veel oude park- en landgoedbossen hebben echter wel iets van de natuurkwaliteit die je bij een oud bosecosysteem zou mogen verwachten. Dat lijkt vreemd. Ze zijn immers door de eeuwen heen voortdurend en heel intensief door de mens beïnvloed. Maar juist de variatie aan boomsoorten, in combinatie met de gerichte introductie van bosplanten (waaronder ook inheemse soorten) heeft geleid tot een verrassende rijkdom aan soorten en tot een opmerkelijk goede bodemkwaliteit.

Monumentale bomen
In de traditionele bosbouw ‘oogst’ men een boom lang vóór deze een hoge leeftijd heeft kunnen bereiken. Daarbij wordt door de teelt in gesloten, gelijkjarige opstanden de hoeveelheid hoogwaardig stamhout gemaximaliseerd, zodat de bossen meestal gesloten blijven en de bomen geen kans krijgen omvangrijke brede kronen te ontwikkelen. In park- en landgoedbossen golden deze beperkingen niet. Het ging daar bovenal om de schoonheid, niet om het praktische nut van de bomen. Daarom vinden we juist daar vaak de oude, monumentale bomen die in onze ‘ gewone’ bossen ontbreken.

Holenbroeders en andere stamgasten
Met de ouderdom komen niet alleen de gebreken (ook voor bomen!), maar ook de levenskansen voor tal van andere organismen. Oude bomen hebben bijvoorbeeld meer holtes, een ruwere schors en meer dood takhout dan hun jongere soortgenoten. Holenbroeders, vleermuizen, saprofytische schimmels, epifytische (korst)mossen en vele soorten ongewervelden profiteren hiervan. Geleidelijk verandert een boom in de loop van zijn leven van één individu van één soort in een klein maar gevarieerd ecosysteem. En de variatie wordt nog verder vergroot doordat in park- en landgoedbossen, ondanks hun geringe oppervlakte, vaak veel meer boomsoorten naast elkaar groeien dan in de meeste productiebossen. Veel soorten – vooral insecten - die in associatie met oude bomen leven zijn namelijk soortspecifiek: ze zijn in hun voorkomen strikt aan één boomsoort gebonden. Voor epifytische korstmossen gelden de parkbossen als bijzonder soortenrijke milieu’s, niet alleen vanwege de variatie aan soorten schors, maar ook omdat in dit type bossen relatief veel licht de stammen bereikt.

KENSCHETS

Park en bos
De term ‘park- en stinzenbos’ verdient wellicht een nadere verklaring. Het gaat hier om een complex van begroeiingtypen, veelal gelegen rondom (oude) buitenhuizen. Er is doorgaans sprake van een geleidelijke overgang van een open, relatief sterk gecultiveerde vegetatie naar een meer natuurlijk ogend en gesloten bos. Grofweg kunnen de volgende zones worden onderscheiden: open gazon, verspreide bomen met grazige ondergroei, verspreide bomen met ondergroei van struiken, open bos en gesloten bos. De overeenkomst tussen al deze veelal in elkaar overlopende zones is de aanwezigheid van stinzenplanten. Niet zelden eindigt de hierboven geschetste gradiënt op wat grotere afstand van het landhuis met een boszone die vooral met het oog op houtproductie is aangeplant. Waar de stinzenplanten in dit bos gaan ontbreken, wordt niet meer gesproken van het cultuurhistorische bostype ‘park- en stinzenbos’, maar – afhankelijk van het gevoerde beheer – van een bepaald natuurbostype of een cultuurbos.

Planten uit alle windstreken
Stinzenplanten zijn in hun verspreiding binnen een bepaald gebied (grotendeels) beperkt tot buitenplaatsen en aanverwante milieus zoals boerenhoeven, pastorietuinen, kerkhoven, stadswallen en slotheuvels. De status van stinzenplant heeft echter alleen lokaal betekenis. Dat wil zeggen dat een soort binnen een duidelijk omgrensd gebied als stinzenplant voorkomt, maar elders gewoon onderdeel vormt van de oorspronkelijke flora. Nu kan dit ‘elders’ in feite overal zijn, maar een aantal herkomstgebieden is toch opvallend goed vertegenwoordigd. Wanneer het oorspronkelijke verspreidingsgebied buiten Nederland ligt, spreken we van exoten. Veel van deze exoten komen uit Zuid-Europa en Klein-Azië. Bekende voorbeelden zijn de Blauwe en Oosterse anemoon (Anemone apennina en A. blanda), de Winterakoniet (Eranthis hyemalis) en diverse crocussoorten, zoals de Boerencrocus (Crocus tommasinianus). Deze warmteminnende stinzenplanten groeien vooral in de meer gecultiveerde delen van de landgoederen: gazons, parken en open bosgedeelten. Veel exoten komen echter van veel dichterbij: uit West- en Midden-Europa. Hun natuurlijke areaal begint vaak al direct over onze landsgrenzen, zoals bij het Lenteklokje (Leucojum vernum) en de Holwortel (Corydalis cava) het geval is. Dit type stinzenplant wordt zowel in de meer open en gecultiveerde delen van de landgoederen als ook in de meer natuurlijke, relatief donkere bossen aangetroffen.
Maar niet alle stinzenplanten zijn exoot. Sommige soorten zijn bijvoorbeeld niet inheems in de directe omgeving van de landgoederen van de binnenduinrand, maar behoren in het Zuid-Limburgse heuvelland wel tot de wilde flora. Wij spreken dan van ‘regionale stinzenplanten’. Voorbeelden zijn Gele anemoon (Anemone rapunculoides) en Herfsttijloos (Colchicum autumnale). En als wij de definitie van stinzenplanten ruimhartig hanteren, kunnen zelfs echte inheemse soorten als stinzenplant worden aangemerkt. Het gaat dan bijvoorbeeld om Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Maarts viooltje (Viola odorata) en Vingerhelmbloem (Corydalis solida) die in de binnenduinrand weliswaar wild voorkomen, maar juist in de landgoedbossen ook massaal zijn aangeplant en verwilderd.

Cultuurplanten in het wild
Het is opvallend dat op de lange lijst van stinzenplanten vrijwel geen cultivars bevat. De bekendste uitzondering is het Haarlems klokkenspel (Saxifraga granulata ‘plena’), een gevulde vorm van de Knolsteenbreek (inmiddels in zuivere vorm ook erg zeldzaam). Ook van de Bosanemoon (Anemone nemorosa) en het Gewone sneeuwklokje (Galanthus nivalis) kunnen in sommige landgoedbossen wel gevulde vormen worden aangetroffen. Dergelijke cultivars lijken gemiddeld wat sterker afhankelijk van gerichte beheermaatregelen en zullen bij afwezigheid daarvan eerder uit het systeem verdwijnen dan de meeste botanische soorten.

Drie belangrijke regio’s
De meeste park- en landgoedbossen stammen uit de 17de en 18de eeuw, toen rijke notabelen uit de grote steden op het platteland grote buitenplaatsen lieten bouwen, omgeven door uitgestrekte gazons, parken en bosschages. Veel van deze buitenplaatsen liggen – zelfs naar toenmalige maatstaven – op comfortabele reisafstand van de grote handelssteden en bestuurscentra. Vanuit oogpunt van natuurkwaliteit zijn drie regio’s van uitzonderlijk belang: de binnenrand van de kalkrijke duinen (vooral in Kennemerland), het rivierengebied (vooral langs de Utrechtse Vecht) en het noordelijke zeekleigebied (vooral in Friesland). Dit zijn – niet toevallig – alle drie gebieden waarvan het natuurlijke bostype behoort tot de klasse der ‘rijke bossen’ (Querco-Fagetea; zie Plantengemeenschappen). Op de hogere zandgronden vinden wij relatief weinig oude landgoederen. En waar zij al voorkomen, bijvoorbeeld in het Gooi en de Achterhoek, zijn zij vooral in botanisch opzicht vaak minder spectaculair dan in de genoemde drie ‘topgebieden’.

Hoezo verschralen?
Wij zijn er in Nederland de laatste decennia aan gewend geraakt dat natuurbeheer en verschralen zo goed als synoniem zijn. Het is dan ook opmerkelijk dat twee van de drie hierboven genoemde topgebieden voor park- en landgoedbossen gekenmerkt worden door een bijzonder hoge bodemvruchtbaarheid. Nog opmerkelijker is dat bij ontwikkeling en beheer van deze ecosystemen steeds werd getracht de bodemvruchtbaarheid met alle mogelijke middelen op peil te houden of zelfs te verhogen. Bemesting van de bosbodem met stadsafval, slootbagger en paardenmest waren normale beheermaatregelen. Maar ook afval van bijvoorbeeld visafslagen en bierbrouwerijen werd als meststof niet versmaad. Toch geldt ook hier dat overdaad schaadt. Vooral wanneer graslanden en parkgedeelten in het (recente) verleden in agrarisch medegebruik zijn geweest, kan er sprake zijn van overbemesting (zie ‘Graslanden: niet blijven verschralen’ onder Herstelbeheer). Dit is waarschijnlijk – met het niets-doenbeheer in de bosgedeelten – een van de belangrijkste redenen van achteruitgang van het Haarlems klokkenspel in de binnenduinrand in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Plantengemeenschappen
Alle goed ontwikkelde park- en landgoedbossen behoren tot de Klasse der ‘rijke bossen’ (Querco-Fagetea) en daarbinnen tot het onderverbond van de Iepenrijke Eiken-Essenbossen (Ulmenion carpinifoliae) met onder andere Klimopereprijs (Veronica hederifolia) als kenmerkende soort. Binnen dit onderverbond worden twee associaties onderscheiden. De eerste hiervan, het Abelen-Iepenbos (Violo odoratae-Ulmetum) is kenmerkend voor de binnenduinrand, de lichte zavelgronden in het rivierengebied en (veelal aangerijkte) overgangen naar de hogere zandgronden. Karakteristieke inheemse soorten zijn hier onder andere Maarts viooltje (Viola odorata), Vingerhelmbloem (Corydalis solida) en Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum). De landgoedvorm van dit natuurlijke bostype wordt onderscheiden als de subassociatie van Wilde hyacinth (scilletosum). De tweede associatie, het Essen-Iepenbos (Fraxino-Ulmetum) komt van nature voor op de zwaardere gronden van het rivierengebied. Ten opzichte van het Abelen-Iepenbos heeft dit bostype nauwelijks eigen soorten, al zijn enkele vochtminnende bosplanten als Gevlekte aronskelk (Arum maculatum) en Groot heksenkruid (Circaea lutetiana) er duidelijk algemener dan in het Abelen-Iepenbos. De landgoedvorm van het Essen-Iepenbos wordt onderscheiden als de subassociatie van het Gewone sneeuwklokje (galanthetosum). Naast de naamgevende soort is in dit type landgoedbos ook opvallend vaak Italiaanse aronskelk (Arum italicum) aanwezig. Overigens is het onderscheid tussen beide bosassociaties in het veld vaak vrij gradueel, niet alleen door de aanwezigheid van natuurlijke bodemgradiënten, maar vooral ook door drastische veranderingen van de bosbodem door menselijk ingrijpen. Zo zijn in het Friese zeekleigebied bodems die te zwaar en te nat voor bosaanleg werden bevonden, opgehoogd met van elders aangevoerd zand en zelfs met oude dakpannen!

Habitattypen en natuurdoeltypen
De park- en landgoedbossen van de binnenduinrand vallen onder subtype C (binnenduinrand) van Habitattype H2180 (duinbossen), die van het rivierengebied onder subtype B (Essen-Iepenbossen) van Habitattype H91E0 (vochtige alluviale bossen). Dit laatste habitatsubtype heeft strikt genomen alleen betrekking op de relatief vochtige Essen-Iepenbossen. In de praktijk is het realistischer ook de Abelen-Iepenbossen van de iets drogere gronden, die ermee in mozaïek voorkomen, tot de zelfde categorie te rekenen. De park- en landgoedbossen van het noordelijke zeekleigebied vallen echter, vreemd genoeg, buiten de habitatrichtlijn. Alle park- en landgoedbossen echter vallen binnen één natuurdoeltype: het park-stinzenbos (3.60).

Met bijdrage van:
Patrick Hommel

Literatuur

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website