Pad: Natuurtypen / Cultuurhistorische bossen (N17) / Droog hakhout (N17.02) / Eikenhakhout

Eikenhakhout 

Inhoud van deze pagina:  

BETEKENIS
Een oeroude beheervorm
Snel krimpend areaal
Hoge biodiversiteit
Eikenstrubben en -clusters

KENSCHETS
Een bos vol bosrandsoorten
Rijke fauna dankzij hakhoutstructuur
Natuurdoeltype en habitattypen
Vegetatietypen
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Een oeroude beheervorm
Voor onze voorouders moet de eik een soort wonderboom zijn geweest. Hij leverde goed brandhout, uitstekend timmerhout, voedsel voor de varkens, schors als grondstof voor de leerlooierijen en tal van andere producten. Geen wonder dus dat, vanaf het moment dat de mens zich in deze streken had gevestigd, de eik werd bevoordeeld boven de andere wild in het bos groeiende boomsoorten. Dit gebeurde overigens deels onbewust. Bosbegrazing en winning van loof als wintervoer voor het vee gingen namelijk geleidelijk ten koste van de boomsoorten met smakelijker en beter verteerbaar blad dan de eik. Vooral de Winterlinde en Iep waren hierbij het kind van de rekening.
De mens is al vroeg het bos naar zijn hand gaan zetten. Er zijn aanwijzingen dat al in de late steentijd bossen regelmatig werden gekapt in een vorm van hakhoutbeheer. In de Romeinse tijd was het hakhoutbeheer al wijd verbreid, en vooral in de late middeleeuwen raakte het enorm in zwang en het bleef tot in de 19de eeuw de belangrijkste vorm van bosbouw. Hakhoutculturen hadden namelijk drie grote voordelen: de houtoogst was meer gelijkmatig gespreid in de tijd dan in opgaand bos, het hout kon gemakkelijk met de hand worden bewerkt en het bos verjongde zich vanzelf.

Snel krimpend areaal
In de 19de eeuw vormde de steeds maar stijgende behoefte aan looistof een stimulans voor de aanleg van nieuwe hakhoutpercelen. Ook een grote plaag van de Gestreepte dennenrups (Panolis flammea) in de jaren veertig van de 19de eeuw bevorderde de omvorming van opgaand dennenbos naar eikenhakhout. Rond 1875 bereikte de eikenhakhoutcultuur in ons land zijn hoogtepunt. Het totale areaal hakhout werd in die tijd op circa 130.000 hectare geschat, waarvan het grootste deel waarschijnlijk uit eikenhakhout bestond. Daarna werd het hakhoutbedrijf snel minder aantrekkelijk. Er verschenen alternatieve looistoffen op de markt, brandhout werd op grote schaal vervangen door fossiele brandstoffen, de loonkosten stegen en vanaf 1907/1908 werden veel hakhoutbossen zwaar aangetast door Eikenmeeldauw (Microsphaera alphitoides).
Gedurende de beide wereldoorlogen steeg de vraag naar brandhout en eikenschors weer en kende de eikenhakhoutcultuur een bescheiden opleving. Deze was echter niet van lange duur. Na de laatste oorlog nam het areaal eikenhakhout opnieuw sterk af. In de periode 1955-1965 werd omvorming van hakhout naar opgaand bos of bouwland zelfs door de overheid gesubsidieerd. In 1980 was van het hakhoutareaal van 1875 minder dan 10% over en daarvan was weer het grootste deel verregaand verwaarloosd en doorgeschoten. Op dit moment bedraagt de totale oppervlakte aan actief beheerd eikenhakhout naar schatting zo’n 350 ha.

Hoge biodiversiteit
In eikenhakhoutbossen met een lange ononderbroken beheergeschiedenis is de biodiversiteit hoger dan in opgaand productiebos van eik op vergelijkbare groeiplaatsen. Dit heeft vooral te maken met het naast elkaar voorkomen van zowel bossoorten als soorten die kenmerkend zijn voor mantel- en zoomvegetaties (voor een uitwerking zie hieronder Een bos vol bosrandsoorten). De verklaring voor de hoge soortendiversiteit schuilt niet zozeer in de intensiteit van de verstoring van het bosecosysteem bij een kapbeurt, maar juist in de vaste regelmaat waarmee deze verstoringen gedurende zeer lange tijd zijn opgetreden. Zo bezien is een oud, actief beheerd hakhoutbos een bijzonder stabiel systeem. Juist de verandering van de oude beheervorm (bijvoorbeeld door geen actief beheer meer te voeren, of omvorming naar opgaand bos) heeft negatieve gevolgen voor de aanwezige planten- en diersoorten. Overigens heeft naast het verstoringregime de specifieke vegetatiestructuur van een hakhoutbos een duidelijke meerwaarde voor diverse organismen; oude hakhoutstoven bieden kansen aan onder andere bijzondere epifytische mosgezelschappen, paddenstoelen en keversoorten.

Eikenstrubben en -clusters
Het ene hakhout is het andere niet, al is met de golf van rationalisatie in de bosbouw, die opkwam in de eerste helft van de 19de eeuw, veel variatie in structuur en boomsoortsamenstelling verdwenen (zie ook Inrichting). De huidige eikenhakhoutbossen bestaan uit slechts één laag, namelijk het hakhout, maar van oorsprong kwamen waarschijnlijk in veel hakhoutbossen ook opgaande bomen voor (overstaanders of bovenstaanders). Deze bomen vormden een ijle boomlaag boven het hakhout, en leverden constructiehout. De bovenstaanders konden eiken zijn, maar ook iepen, essen, abelen, etc. Dergelijke middenbossen zijn nu vrijwel beperkt tot de hellingbossen van Zuid-Limburg, maar komen in België en Frankrijk nog op grote schaal voor.
Hakhoutbossen zijn goed te herkennen aan de stoven waarop de stammen meestal in groepjes bijeen staan. Echter, bossen waarin de eiken als groepen (clusters) bijeen staan hoeven lang niet altijd ook een hakhout achtergrond te hebben. Dit geldt vooral voor de zogenaamde strubbenbossen (o.a. in Drenthe en op de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug). Dit zijn bossen of boomgroepen die worden gekenmerkt door bijzonder grillige, knoestige en gedrongen eikenstammen. De strubben ontstonden op de overgang van eikenhakhout en heide en groeiden als gevolg van schapenvraat uit tot veelstammige struikjes. Veel van deze strubben werden waarschijnlijk vervolgens wel regelmatig gekapt, maar hebben dus geen oorsprong als een echte hakhoutcultuur. Datzelfde geldt voor de grillige gevormde meerstammige eiken die we aantreffen op randwallen in stuifzandgebieden. Dergelijke eiken kunnen groepen stammen vormen van tientallen meters omtrek, en zijn ontstaan door het instuiven van zand.
Strubbenbossen zijn botanisch van groot belang omdat zij vaak relictpopulaties van oud-bossoorten kunnen herbergen. Een bekend voorbeeld zijn de Zeijerstrubben in Noord-Drenthe, met de enige groeiplaats in de Nederland van de Zweedse kornoelje (Cornus suecica). De ‘echte’ strubbenbossen zijn ook van belang vanwege het voorkomen van bijzondere mossen en korstmossen. De her en der in oude bossen voorkomende strubbe-achtige eikenclusters hebben daarentegen qua biodiversiteit weinig meerwaarde ten opzichte van het omringende bos. Dergelijke clusters zijn wel curieus en het behouden waard. Voorlopige kampioen: een groep eikenstammen bij Maanschoten (Kootwijk) met een omtrek van 35 m!

KENSCHETS

Een bos vol bosrandsoorten
In een oud eikenhakhoutbos op de arme zandgronden kunnen in principe alle plantensoorten worden aangetroffen die ook groeien in opgaande eikenbossen op een vergelijkbare groeiplaats. Voorbeelden zijn onder andere Blauwe en Rode bosbes (Vaccinium myrtillus en V. vitis idaea) en op iets rijkere grond ook Dalkruid (Maianthemum bifolium), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum) en Witte klaverzuring (Oxalis acetosella). Ook voor wat betreft de – zeer soortenrijke – paddenstoelenflora zijn er veel parallellen met de opgaande bossen van de arme zandgronden. Voor meer informatie zie Zuur droog bos.
Naast de specifieke bossoorten komen er in de hakhoutbossen van oudsher ook veel plantensoorten voor die kenmerkend zijn voor mantel- en zoomvegetaties. Voorbeelden zijn onder andere Hengel (Melampyrum pratense), diverse havikskruiden (Hieracium spec.) en op iets rijkere gronden ook Valse salie (Teucrium scorodonia) en Fraai hertshooi (Hypericum pulchrum). Ook sommige soorten van heischrale graslanden groeien in het bos vooral in (voormalige) hakhoutpercelen. Een voorbeeld is Liggend walstro (Galium saxatile). De meeste van deze mantel-, zoom- en graslandsoorten kunnen een periode van lichtgebrek goed verdragen maar verdwijnen als dit te lang aanhoudt.
De dierenwereld van de eikenhakhoutbossen vertoont eenzelfde combinatie van bossoorten en soorten die gebonden zijn aan bosranden en andere lichte tot halfschaduwomstandigheden. Voor insecten is het warme en dikwijls beschutte microklimaat op pas gekapte hakhoutpercelen een belangrijke factor is. De vlinderfauna van het eikenhakhout is bijvoorbeeld veel soortenrijker dan die van een gesloten, opgaand eikenbos. Kenmerkende lichtminnende soorten zijn bijvoorbeeld de Bruine eikenpage (Satyrium ilicis) en de Bosparelmoervlinder (Melitaea athalia), die Hengel als waardplant heeft. Bovendien zorgt de toevoer van licht voor een groot nectaraanbod door bramen, Vuilboom en diverse kruiden.

Rijke fauna dankzij hakhoutstructuur
We zagen dat de soortenrijkdom in eikenhakhoutbossen voor een belangrijk deel samenhangt met de cyclische veranderingen in het lichtklimaat. De bijzondere structuur van deze bossen heeft echter nòg een duidelijke meerwaarde voor de fauna. Hakhoutbossen zijn namelijk het grootste deel van de tijd beduidend dichter dan opgaande bossen met dezelfde boomsoort. Dit houdt niet alleen verband met de van oudsher geringe afstand tussen de stoven, maar ook met de meerstammigheid van diezelfde stoven en het feit dat het bos nooit ouder wordt dan zo’n 10-15 (hooguit 20) jaar. Allerlei dieren profiteren van de dichte vegetatie:

Er is sprake van een interessante paradox: eikenhakhoutbossen hebben – als alle hakhout- en middenbossystemen – een zeer sterk door de mens bepaalde structuur. Maar juist door deze structuur en de cyclische veranderingen daarin vertonen zij – althans de eerste eeuwen – waarschijnlijk meer overeenkomsten in soortensamenstelling met natuurlijke bossystemen dan niet meer beheerde productiebossen op overeenkomstige groeiplaatsen.

Natuurdoeltype en habitattypen
Eikenhakhout is in het Handboek Natuurdoeltypen opgenomen als onderdeel (subtype a) van het natuurdoeltype ‘Eikenhakhout en -middenbos’ (type 3.56).
Binnen de systematiek van de habitatrichtlijn kunnen de eikenhakhoutbossen onder drie verschillende typen vallen:

Hierbij wordt dus uitgegaan van de leeftijd van de bosbodem; de leeftijd van de bomen is minder relevant. Overigens is de relatie tussen eikenhakhout en habitattypen behoorlijk gecompliceerd. Bovengenoemde drie habitattypen omvatten namelijk veel meer bostypen dan alleen eikenhakhout. Bovendien vallen lang niet alle eikenhakhoutpercelen van ons land onder één van deze typen. Daarbij geldt voor de eikenhakhoutbossen van het binnenland ook nog eens de beperking dat de ondergroei vegetatiekundig op associatieniveau geclassificeerd moet kunnen worden. Romp- en derivaatgemeenschappen vallen niet onder de habitatrichtlijn. Met name op de armste zandgronden zou deze inperking in de praktijk voor enige onduidelijkheid kunnen zorgen. Het onderscheid tussen de kenmerkende bosassociatie van deze groeiplaatsen, het Betulo-Quercetum, en de verschillende hier voorkomende rompgemeenschappen is bij gebrek aan associatiekensoorten vrij gradueel.

Vegetatietypen
Vegetatiekundig behoren vrijwel alle eikenhakhoutbossen van ons land tot de ‘arme bossen’ (Quercetea robori-petraeae) en daarbinnen tot het Zomereik-verbond (Quercion roboris). Alleen op de meest lemige pleistocene zandgronden komen van oudsher ook ‘rijke’ hakhoutbossen voor met in de ondergroei onder andere Bosanemoon (Anemone nemorosa). Deze bossen vallen onder het Querco-Fagetea, en daarbinnen tot het Haagbeuken-verbond (Carpinion betuli; associatie Stellario-Carpinetum). Dergelijke situaties zijn echter door langdurig niets-doenbeheer en strooiselaccumulatie erg zeldzaam geworden (zie Bedreigingen).
Binnen het Quercion roboris kunnen de eikenhakhoutbossen twee verschillende bosassociaties worden toegedeeld:

Wat betreft de pleistocene zandgronden loopt deze indeling parallel aan de indeling in habitattypen.
Kenmerkend voor open, recent afgezette hakhoutpercelen is verder dat de ondergroei bestaat uit een mozaïek van bosgemeenschappen en plantengemeenschappen die kenmerkend zijn voor grazige zomen op schrale, kalkarme bodem uit de klasse der Melampyro-Holcetea. Het gaat hierbij om de Associatie van Hengel en Witbol (Hyperico pulchri-Melampyretum pratensis), de Associatie van Boshavikskruid en Gladde witbol (Hieracio-Holcetum mollis) en de Rompgemeenschap van Adelaarsvaren. Ook diverse door bramen gedomineerde gemeenschappen uit het Brummelverbond (Lonicero-Rubion sylvatici) en – op iets rijkere bodem – het Verbond van Bramen en Sleedoorn (Pruno-Rubion radulae) kunnen in recent afgezette hakhoutpercelen in mozaïek met bosgemeenschappen voorkomen. Wanneer het hakhout weer in sluiting gaat en het lichtaanbod op de bosbodem geringer wordt, vinden deze gemeenschappen alleen in de nog relatief lichte bosranden een geschikte standplaats. Wanneer het hakhout niet weer opnieuw wordt afgezet, zullen deze gemeenschappen in de meeste gevallen uiteindelijk ook daar verdwijnen (zie ‘Lichtminnaars verdwijnen uit het bos‘ onder Bedreigingen).

Met bijdrage van
Patrick Hommel & Jan den Ouden

Literatuur

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website