Pad: Natuurtypen / Cultuurhistorische bossen (N17) / Vochtig hakhout en middenbos (N17.01) / Wilgengriend

Wilgengriend

Leeswijzer:
Onderstaande tekst heeft uitsluitend betrekking op wilgengrienden die nog als zodanig beheerd worden, of waarvoor herstelbeheer overwogen wordt. Het grote areaal voormalige wilgengrienden dat ten gevolge van ‘niets-doen-beheer’ of actieve omvorming is veranderd in opgaand loofbos wordt besproken bij de natuurbostypen Wilgenvloedbos en Alluviale bossen.

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Een bijzonder type zachthoutooibos
Een lange geschiedenis
Bevers als griendwerkers
Botanische waarde
Insecten profiteren van periodieke lichtstelling
Broedvogels: vooral holenbroeders profiteren

KENSCHETS
Meerdere wilgensoorten
Waterhuishouding
Natuurdoeltypen, vegetatietypen en habitattypen
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Een bijzonder type zachthoutooibos
Wilgengrienden – in Vlaanderen ‘rijsbossen’ genoemd – vormen van oudsher een karakteristiek onderdeel van het rivieren- en zoetwatergetijdenlandschap. Het betreft in feite zachthoutooibossen die aan een zeer intensief hakhoutbeheer zijn onderworpen. In een traditioneel beheerde griend wordt de hergroei op de hakhoutstoven doorgaans elke 3 tot 5 (hooguit 10) jaar afgezet. Nog intensiever beheerde grienden hebben een 1- of 2-jarige kapcyclus en worden snijgrienden genoemd. Zij hebben nauwelijks een bosstructuur en veelal een geringere natuurwaarde.

Een lange geschiedenis
De griendcultuur is al zeer oud. Al in de IJzertijd werden wilgen gekapt en de ‘tenen’ gebruikt voor het vlechtwerk in de wanden van woonhuizen. Uit de IJzertijd (Vlaardingen-cultuur) dateert ook de uitvinding van ‘klepduikers’, waarmee de grienden in het zoetwatergetijdengebied nog steeds worden gedraineerd. Een klepduiker is een in een dam geplaatste buis, oorspronkelijk vervaardigd van holle boomstammen of op elkaar gebonden oude boomstamkano’s, met aan de buitenzijde een scharnierend houten klepje. Dankzij dit klepje kon bij eb het overtollige regenwater worden afgevoerd maar bij vloed het toestromen van buitenwater worden tegengegaan. Klepduikers (nu van metaal of plastic) zijn in constructie en werking in ruim 2000 jaar tijd nauwelijks veranderd.
Overigens zijn er geen aanwijzingen dat in de IJzertijd al wilgengrienden werden aangelegd. Het doelbewust telen van wilgenhout is van later datum. In de 13de en 14de eeuw nam – met het opkomen van de Hollandse en Zeeuwse steden – de griendcultuur een hoge vlucht. De grootste bloei beleefde de wilgenteelt echter in de 19de en het begin van de 20ste eeuw toen nijverheid en handel opnieuw sterk groeiden. De belangrijkste toepassing van de wilgentenen was inmiddels als vlechthout van manden. Andere belangrijke toepassingen waren de productie van hout voor vaten (‘hoephout’), gereedschapsstelen en rijshout voor waterstaatkundige werken, o.a. landaanwinning en dijken. Deze laatste toepassing kwam vanaf de 16de eeuw in zwang toen de komst van de paalworm de aanleg van wierdijken met een houten beschoeiing onmogelijk maakte.
Rond 1900 was het areaal griendbossen in Nederland op zijn hoogtepunt: circa 14.000 hectare. Hierna kwam er snel de klad in. Dit had zowel economische als sociale redenen. Zo betrof de eerste Nederlandse wetgeving over arbeidsomstandigheden de griendcultuur. In het ‘Griendketenbesluit’ van begin 1900 werd het eigenaren van grienden verboden om de griendwerkers te huisvesten in al te primitieve onderkomens, bijvoorbeeld onder samengepakte rietbundels. Na de Eerste Wereldoorlog – toen de loonkosten begonnen te stijgen – werden nauwelijks nog nieuwe grienden aangelegd. Vanaf de jaren dertig nam de oppervlakte beheerd wilgengriend in ons land snel af, met name in op de buitendijkse groeiplaatsen. Toepassingen van griendhout die in de 20ste eeuw opkwamen waren de productie van rijshout voor zinkstukken (zoals gebruikt bij de deltawerken), roerstok in de aluminiumindustrie, geluidsschermen en brandstof voor energiecentrales. Het economische rendement van de laatste toepassing is sterk gekoppeld aan de olieprijs.

Bevers als griendwerkers
Toen de bewoners van het rivieren- en getijdengebied in de IJzertijd begonnen met het oogsten van hout in natuurlijke wilgenbossen ontstonden bosstructuren die grote overeenkomsten moeten hebben vertoond met de latere griendbossen. Maar op beperktere en minder systematische schaal kwamen in de toenmalige bossen ook van nature al meerstammige ‘stoven’ voor die het oerbos plaatselijk de aanblik van een hakhoutbos moeten hebben gegeven. Dit was het werk van de griendwerkers van het eerste uur: de bevers. De herintroductie van de bevers in het rivieren- en (voormalige) zoetwatergetijdengebied zal er dan ook op termijn voor gaan zorgen dat het duidelijke structuurverschil tussen opgaande wilgenbossen enerzijds en wilgengrienden anderzijds meer gradueel wordt. De effecten van de bever op het landschap in een gebied als de Biesbosch zijn tot nu toe beperkt. Omdat de stroomsnelheden in het gebied laag zijn maken de bevers geen dammen. Wel vreet de bever langs de oevers bomen aan. Hij heeft een sterke voorkeur voor zwarte populieren.

Botanische waarde
De botanische waarde van grienden ligt vooral in de aanwezigheid van diverse bijzondere epifytisch groeiende mossen- en korstmossen. Sleutelfactoren daarbij zijn de hoge luchtvochtigheid en de ruime beschikbaarheid van wilgenschors, een niet-zuur, relatief voedselrijk substraat. Veel soorten, zoals Vossenstaartmos (Scleropodium cespitans), zijn hierbij gebonden aan boomvoeten en oude hakhoutstoven, andere juist aan jong, nog niet begroeid hout. Een voorbeeld van deze categorie is de zeer zeldzame Habitatrichtlijn-soort Tonghaarmuts (Orthotrichum rogeri).
De soortensamenstelling in het (voormalige) zoetwatergetijdengebied is iets anders dan in de uiterwaarden. Zo zijn Uiterwaardmos (Leskea polycarpa) en Riviersterretje (Tortula latifolia) kenmerkend voor zachthoutooibossen, waaronder (doorgeschoten) grienden, buiten de getijdeninvloed. De hierboven al genoemde Tonghaarmuts, verschillende Baardmossen (Usnea spp.) en het zeer zeldzame korstmos Groen boomschildmos (Parmelia soredians) zijn voorbeelden van epifyten van standplaatsen binnen de getijdeninvloed.
De vegetatiezonering in grienden is, evenals in wilgenvloedbossen, sterk gerelateerd aan frequentie en duur en van het overspoelen. De terrestrische vegetatie van de griendbossen is doorgaans erg ruig (veel stikstofminnende soorten als Grote brandnetel) en met name in het rivierengebied weinig specifiek. Dit geldt ook voor de terrestrische mosflora. Ondanks de respectabele leeftijd van veel griendcomplexen (tot meerdere eeuwen) worden hier zelden tot nooit plantensoorten aangetroffen die kenmerkend zijn voor oude bosbodems. Een uitzondering vormen de grienden van het zoetwatergetijdengebied. Hier komen in de ondergroei van oudsher een aantal bijzondere soorten voor, zoals de Spindotter (Caltha palustris ssp. araneosa) en het Zomerklokje (Leucojum aestivum).
Verrassend genoeg worden in de getijdengrienden ook enkele soorten aangetroffen die landelijk gezien hun optimum hebben in de bronbossen van Oost-Nederland en Zuid-Limburg. Voorbeelden zijn Bittere veldkers (Cardamine amara), Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia), Slanke zegge (Carex strigosa), Groot springzaad (Impatiens noli-tangere) en Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium). De combinatie van basen- en met name kalkhoudend substraat en het optreden van zowel horizontale als verticale grondwaterstromen zorgen in de grienden kennelijk voor kwelachtige omstandigheden. Ook is het voorkomen van Alno-Padion-soorten als Groot heksenkruid, (Circaea lutetiana) en Knopig helmbloem (Scrophularia nodosa) op de kades een voorbode voor de verdere ontwikkeling van het bosecosysteem.
Al met al zijn de overeenkomsten in de terrestrische soortensamenstelling tussen wilgengrienden en opgaande wilgenbossen zeer groot (zie Wilgenvloedbos). Een belangrijk verschil is echter dat vroeger in grienden met de hand (met een kleine zeis) werd ‘gewied’ om woekering van ruigtkruiden als brandnetels, distels, haagwinde, kleefkruid en grassen (‘apenhaar’) tegen te gaan. De kades kaden werden met de zeis gemaaid. Dit had positieve gevolgen voor de soortdiversiteit. Tegenwoordig wordt dit zelden of nooit meer gedaan, behalve op de kaden.

Insecten profiteren van periodieke lichtstelling
Wilgengrienden hebben een rijke invertebratenfauna. Dit komt onder andere door de aanwezigheid van diverse bijzondere biotopen, zoals oude hakhoutstoven met een ruwe bast en veel holtes. Daar komt bij dat naar schatting ongeveer 200 soorten ongewervelden voor althans een deel van hun levenscyclus afhankelijk zijn van wilgen.
Vooral periodiek overstroomde griendbossen hebben een specifieke invertebratenfauna. Dit geldt met name voor de grienden van het getijdengebied, waarin diverse bijzondere soorten landslakken, loopkevers, spinnen en pissebedden leven. De hoogteligging is hierbij van groot belang: in grienden waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) dieper ligt dan 75 cm onder maaiveld worden nog maar weinig specifieke getijdensoorten aangetroffen. Voor de insectenwereld is daarbij ook de periodieke lichtstelling in griendbossen van belang, waarbij in net gekapte bossen tijdelijk een explosie van moerasruigtkruiden en distels kan optreden. Aangezien de kap in griendcomplexen doorgaans gespreid wordt in ruimte en tijd, is hierdoor in het zomerhalfjaar altijd wel ergens een rijke nectarbron aanwezig.

Broedvogels: vooral holenbroeders profiteren
De broedvogelbevolking van binnendijkse grienden is in het algemeen rijker dan die van de uiterwaarden en het getijdengebied. In lager gelegen, periodiek overstroomde grienden ontbreken namelijk soorten die op of vlak boven de grond broeden. Voor boombewonende vogels is vooral de aanwezigheid van oude, liefst hoge hakhoutstoven met holtes van belang. Hier kunnen soorten als Gekraagde roodstaart en Ransuil nestgelegenheid vinden. De grote verschillen in vegetatiestructuur tussen net gehakte en al dan niet ver doorgeschoten griendbossen komen ook tot uitdrukking in de broedvogelstand. In binnendijks gelegen grienden werden de hoogste soortenaantallen aangetroffen in grienden met drie- tot vierjarig hout.

KENSCHETS

Meerdere wilgensoorten
In de grienden worden van oudsher verschillende smalbladige wilgensoorten geteeld. De selectie werd niet alleen bepaald door het – vooral buitendijks – extreme abiotische milieu, maar ook door teeltkundige overwegingen. Zo moeten griendwilgen niet alleen bestand zijn tegen zeer vaak hakken of snijden, maar ook een hoge opbrengst geven aan lang, recht, glad en taai hout. De meest gebruikte ‘wilde’ soorten zijn: Schietwilg, Katwilg, Amandelwilg, Bittere wilg en Kraakwilg. Daarnaast werden ook veel bastaarden en cultivars aangeplant, elk met specifieke eigenschappen en gebruiksmogelijkheden. Zo is de Gele of Oranje wilg (Salix alba cv. Vitellina) populair vanwege de vrijwel onbreekbare, als bindmateriaal gebruikte tenen. Veel aangeplante bastaarden zijn S. x mollisima (Katwilg x Bittere wilg) en S. x rubens (Schietwilg x Kraakwilg). De op laaggelegen plekken in de Biesbosch veel als snijwilg aangeplante Duitse dot (uit Oost-Europa) is waarschijnlijk een steriele ‘tripelhybride’ waarvan in de lage landen alleen vrouwelijke exemplaren voorkomen. Duitse dot werd door rietsnijders gebruikt voor het binden van rietbossen. Andere bindwilgen zijn de kraakwilg met het ‘Frans geel’ (voor het opbinden van wijnranken) en het ‘Belgisch rood’ Al met al worden in de griendcultuur zo’n 50 verschillende ‘soorten’ wilg gebruikt.

Waterhuishouding
De wilgenteelt in de natte griendbossen vereiste een goede beheersing van de waterhuishouding. Daartoe was een heel stelsel van greppels, duikers en kaden aanwezig. De greppels en duikers dienden vooral voor de afwatering, de kaden om het water binnen de griend vast te houden. Bij buitendijkse grienden en met name die in het zoetwatergetijdengebied ging het bij het vasthouden van water overigens niet alleen om de gewenste vochttoestand van de bodem maar om de afzetting van het voedselrijke slib.

Natuurdoeltypen, vegetatietypen en habitattypen
Wilgengriend wordt in het Handboek Natuurdoeltypen niet als afzonderlijk bostype onderscheiden maar als onderdeel van de Ooibossen (3.61). Het wel onderscheiden natuurdoeltype Wilgenstruweel (3.55) is iets heel anders: niet intensief beheerde natuurlijke begroeiingen van breedbladige wilgensoorten - een type van vooral zand- en veengronden en gebonden aan mesotrofe tot hooguit matig eutrofe omstandigheden.
Ook in De Vegetatie van Nederland worden de wilgengrienden niet als aparte eenheid onderscheiden. Zij vallen hier grotendeels binnen de Klasse der wilgenvloedbossen en -struwelen (Salicetea purpureae), waarbij de indeling op associatieniveau parallel loopt aan die van de niet als hakhout beheerde opgaande bossen.

Op buitendijkse groeiplaatsen zien wij eveneens vaak dat de natuurlijke bosgemeenschap is vervangen door een zeer soortenarme Rompgemeenschap van Grote brandnetel. In de uiterwaarden is dit een normaal stadium in een proces van cyclische successie, waarbij het zeer hoge aanbod aan voedingsstoffen fungeert als aanjager van de brandneteldominantie, en incidenteel optredende zeer hoge en langdurige rivierstanden als reset-knop. In het (voormalige) zoetwatergetijdengebied ligt dit anders, nadat sinds de afsluiting van het Haringvliet de getijdeninvloed (grotendeels) is weggevallen. Dominantie van brandnetels lijkt hier op veel plaatsen – althans voor de middellange termijn – een permanente situatie te zijn geworden. Naast dominantie van Grote brandnetel treedt de laatste decennia in toenemende mate ook dominantie van Reuzenbalsemien op. Op langere termijn kan – zeker op relatief droge groeiplaatsen – wellicht een ontwikkeling richting hardhout-ooibos verwacht worden.
Tenslotte hebben alle wilgengrienden die eenduidig tot de Salicetea purpureae gerekend kunnen worden (inclusief de rompgemeenschappen) de status van Habitattype. Hierbij moet – wellicht ten overvloede – worden opgemerkt dat deze status berust op de classificatie als wilgenvloedbos, niet op het beheer als hakhout.

Met bijdrage van:
Patrick Hommel

Literatuur

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website