Pad: Natuurtypen / Bossen met productiefunctie (N16) / Droog bos met productie (N16.01) / Cultuurbos (droog)

Cultuurbos

Inhoud van deze pagina: 

BETEKENIS
Productiebos met natuur als nevenfunctie
Oude bosgroeiplaatsen en structuren zijn extra belangrijk
Specifieke waarden

KENSCHETS
Groot areaal, beperkt aantal groeiplaatsen
Diversiteit in de boomlaag
Veelal romp- en derivaatgemeenschappen
Vegetatietypen van de naaldbossen
Vegetatietypen van de loofbossen op voedselarme zandgronden
Vegetatietypen van de loofbossen op voedselrijkere gronden
Natuurdoeltypen en habitattypen
Belangrijke processen
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Productiebos met natuur als nevenfunctie
Cultuurbos heeft ook op de lange termijn houtproductie als hoofdfunctie, vaak gecombineerd met een recreatiefunctie. Natuur is daarbij een nevenfunctie, maar vanwege de vaak grote aaneengesloten oppervlakten zijn cultuurbossen vooral voor diverse faunasoorten (vogels, zoogdieren met grote leefgebieden) toch belangrijk.
Cultuurbossen treffen we vooral aan in de vorm van betrekkelijk jonge heide- en stuifzandbebossingen, polderbossen en andere plantagebossen op voedselrijke bodem. Deze bossen zijn vooral van belang voor soorten die kunnen inspelen op het komen en gaan van bepaalde ontwikkelingsfasen van het productiebos en de hiermee samenhangende bosstructuur. Vogelgroepen bijvoorbeeld profiteren van de combinatie van tijdelijke open ruimte (kapvlakten) en gesloten bos, of van een tijdelijk dichte struiklaag.

Oude bosgroeiplaatsen en structuren zijn extra belangrijk
Cultuurbos op bosgroeiplaatsen van vóór 1800 is belangrijk voor plantensoorten die

Dit zijn bijvoorbeeld plantensoorten met een korte levensduur en/of langlevende zaadbank. Daar waar natuurlijke verstoringregimes niet meer aanwezig zijn, draagt cultuurbos met lichtboomsoorten in belangrijke mate bij aan het behoud van deze groep van vaatplanten. Oude bospaden en -wegen spelen hierbij ook een rol, als habitat en als transportroute.

Specifieke waarden
Het ligt niet voor de hand dat cultuurbos, als het ouder wordt, alle natuurwaarden ontwikkelt van meer natuurlijke oude bossen zoals dikke, scheve of holle bomen, dik dood hout, verschillen in lichtklimaat over korte afstand en een ongestoorde ontwikkeling van het humusprofiel. Cultuurbos en meer natuurlijk bos kunnen elkaar qua natuurwaarde dus aanvullen. Wel is het in het algemeen zo dat bos met oude en dikke bomen ecologisch gezien veel interessanter is dan bos met alleen jongere bomen, ongeacht de boomsoort.
Veel cultuurbossen bestaan uit uitheemse naaldboomsoorten. Desondanks kennen ook deze bossen veel specifieke soorten, met name insecten, maar ook broedvogels (kruisbek-groep), boombegeleidende paddenstoelen en paddenstoelen van dood naaldhout. Ook de kruid- en moslaag ontwikkelen zich specifiek, met andere dominantieverhoudingen dan in loofbossen, maar vrijwel zonder eigen soorten.

KENSCHETS

Groot areaal, beperkt aantal groeiplaatsen
De cultuurbossen omvatten het grootste deel van het Nederlands bosareaal. Toch gaat het hier maar om een relatief beperkt deel van het hele spectrum aan bosgroeiplaatsen in ons land. In de lagere delen van de uiterwaarden, in het zoetwatergetijdengebied en in de natste, venige delen van de beekdalen kwamen vroeger over grote oppervlakten hakhoutbossen voor met een belangrijke economische functie (respectievelijk Wilgengrienden en Elzenbroekbos). Deze bossen bestaan voor het grootste deel ook nu nog maar worden vrijwel nergens meer als hakhout beheerd en hebben ook als opgaand bos geen productiefunctie meer. Daarnaast zijn er vooral in de afgelopen halve eeuw door spontane opslag grote oppervlakten elzenbroekbos ontstaan op kraggen in laagveengebieden. Ook in (voormalige) hoogveengebieden en langs venoevers ontstond recentelijk spontaan broekbos, in dit geval gedomineerd door Zachte berk en over veel geringere oppervlakten dan het laagveen-elzenbroek. Ook deze jonge broekbossen hebben geen productiefunctie en worden hier dus niet tot de cultuurbossen gerekend. Als wij daarbij bedenken dat het overgrote deel van de bossen op leemgronden, vooral in het Zuid-Limburgse heuvelland maar ook onder andere in Twente en de Achterhoek, niet als productiebos beheerd wordt, wordt het ecologisch spectrum van de cultuurbossen verder ingeperkt. Bossen met hoofdfunctie houtproductie vinden wij tegenwoordig vooral in de zandlandschappen: op de dekzanden, stuifzanden en stuwwallen, maar ook in de beekdalen. Het gaat daarbij vooral om relatief jonge bossen, die voor een belangrijk deel werden aangelegd in de tijd van de grote heideontginningen (vanaf 1850). Een tweede categorie van productiebossen vinden wij op de kleigronden, met name in de Wieringermeer en de IJsselmeerpolders. Deze bossen zijn nog veel jonger (vanaf 1940). Overigens heeft een aanzienlijk deel van deze jonge, voor de houtteelt aangelegde polderbossen, inmiddels al geen productiefunctie meer (o.a. Harderbos en een deel van het Hollandse Hout ).

Diversiteit in de boomlaag
Het aantal boomsoorten dat in ons land van nature voorkomt is beperkt. Daarbij komt dat in de loop der tijd een aanzienlijk deel van onze inheemse boomsoorten nagenoeg volledig uit onze bossen is verdwenen. De oorzaken van deze achteruitgang in diversiteit zijn uiteenlopend, onder andere:

Het gevolg is dat de diversiteit aan boomsoorten in de oudste productiebossen – die thans voor een belangrijk deel de status van natuurbos hebben gekregen – uitermate gering is. Paradoxaal genoeg is de diversiteit aan boomsoorten in het Nederlandse bos op dit moment het hoogst juist in de jongere productiebossen waar vooral sinds het begin van de vorige eeuw op grote schaal nieuwe soorten en cultivars zijn aangeplant. Bovendien zijn in verschillende regio’s, onder andere in Drenthe, bij de heideontginningen doelbewust sterk gemengde bossen aangelegd die nog steeds gemengd zijn.

Veelal romp- en derivaatgemeenschappen
De vegetatiekundige indeling van de cultuurbossen op hoofdlijnen (klassen en verbonden) komt goeddeels overeen met die van de natuurbossen op vergelijkbare groeiplaatsen. Het belangrijkste verschil is uiteraard het grote aandeel van begroeiingen uit de Klasse der naaldbossen (Vaccinio-Piceetea), die van nature slechts op een zeer beperkt deel van onze bosgroeiplaatsen voorkomen. Ook is opvallend dat in de huidige situatie er nauwelijks productiebos meer voorkomt op standplaatsen waar het (natuurlijk) bostype behoort tot de klassen van de Wilgenvloedbossen (Salicetea purpureae), Elzenbroekbossen (Alnetea glutinosae) of Berkenbroekbossen (Vaccinio-Betuleteae pubescentis) (zie hierboven Groot areaal, beperkt aantal groeiplaatsen).
Op meer gedetailleerd niveau valt op dat binnen de cultuurbossen het aandeel romp- en derivaatgemeenschappen (zonder kenmerkende bossoorten) relatief groot is. Overigens berust het verschil tussen romp- en derivaatgemeenschappen enerzijds en ‘echte’ associaties anderzijds primair op een aantal vaste ‘spelregels’ over de indeling van begroeiingen op grond van de totale soortensamenstelling en niet op de natuurwaarde van de vegetatie. Het is dan ook niet juist om een op associatieniveau in te delen bosperceel per definitie hoger te waarderen dan een romp- of derivaatgemeenschap. De Rompgemeenschap van Adelaarsvaren (uit de Klasse der naaldbossen) kan bijvoorbeeld een hogere waarde vertegenwoordigen (potentieel Fago-Quercetum; mogelijk oude bosgroeiplaats) dan een jonge dennenaanplant met een ondergroei van Bochtige smele die wel op associatieniveau is in te delen.
Vrijwel alle opstanden in cultuurbossen vallen onder één van de volgende vegetatieklassen:

Alleen voor het onderscheid tussen de eerstgenoemde klasse (naaldbossen) en beide andere klassen (loofbossen) speelt de hoofdboomsoort een rol bij de classificatie. In alle andere gevallen berust de indeling volledig op de soortensamenstelling van de ondergroei, die overigens wel mede bepaald kan worden door de hoofdboomsoort. Daarnaast zijn vooral groeiplaatskenmerken, beheer en bosgeschiedenis bepalend.

Vegetatietypen van de naaldbossen
De naaldbossen komen vooral voor op arme zandgronden van het (voormalige) heide- en stuifzandlandschap en op de stuwwallen. Ondergroei en classificatie vertonen veel parallellen met die van de loofbossen op vergelijkbare groeiplaatsen. Binnen de naaldbossen is er een belangrijk verschil tussen de ‘donkere’ bossen (veelal met Fijnspar of Douglasspar als hoofdboomsoort) en de ‘lichte’ naaldbossen, waarbij het veelal gaat om aanplant van dennen of Lariks. Donkere bossen hebben doorgaans nauwelijks ondergroei of de ondergroei wordt geheel gedomineerd door bladmossen. Dergelijke opstanden worden geclassificeerd als rompgemeenschappen. Binnen de lichte naaldbossen worden opstanden met een ondergroei die geheel gedomineerd wordt door bramen of Amerikaanse vogelkers als derivaatgemeenschap geclassificeerd. In gevallen waarin Adelaarsvaren de ondergroei domineert, spreken we van een rompgemeenschap (zie hierboven Veelal romp- en derivaatgemeenschappen). In principe vallen alle overige naaldbossen onder één van de volgende twee bosassociaties:

De aangeplante dennenopstanden van de kustduinen hebben meestal een erg afwijkende ondergroei, waarbij Zandzegge en/of Duinriet sterk op de voorgrond kunnen treden. Dit zijn tevens de naamgevende soorten van de derivaatgemeenschap waartoe deze bossen worden gerekend. Een bijzondere soort van deze bossen is het Stofzaad (Monotropa hypopitys). Een interessant aspect van deze – ook uit bosbouwkundig oogpunt minder geslaagde – opstanden is dat zij deels zijn aangeplant op groeiplaatsen waar de climaxvegetatie geen bos is (hogere delen van het buiten- en middenduin).

Vegetatietypen van de loofbossen op voedselarme zandgronden
De vegetatiekundige indeling loofbos op arme zandgronden (Quercetea robori-petraeae) vertoont zoals gezegd veel parallellen met de indeling van de naaldbossen. Ook hier worden dominantietypen van Gewone braam en Amerikaanse vogelkers onderscheiden (respectievelijk als romp- en derivaatgemeenschap). Specifiek voor de loofbossen zijn daarnaast twee soortenarme rompgemeenschappen die worden gekenmerkt door hoge bedekkingen van witbol (Holcus mollis en H. lanatus) en/of stekelvarens (vooral Dryopteris dilatata), en zaailingen van de Amerikaanse eik (Quercus rubra). Alle overige ‘arme’ loofbossen van het heide- en stuifzandlandschap en de stuwwallen kunnen in principe worden geclassificeerd als één van de volgende vier associaties

Kortom: voor zover niet behorend tot één van bovengenoemde romp- of derivaatgemeenschappen vallen verreweg de meeste loofbossen op de arme zandgronden onder het Berken-Eikenbos, en soms onder het Bochtige smele-Beukenbos). De boomlaag van het Berken-Eikenbos bestaat doorgaans geheel of in belangrijke mate uit Zomereik; ongemengde berkenbossen van dit type zijn zeldzaam. De ondergroei van het Berken-Eikenbos is veelvormig waarbij de overeenkomsten met de dennenbossen ook tot uitdrukking komt in de indeling in subassociaties. Ook hier wordt een korstmossen-, een Bochtige smele- en een Bosbessenfase onderscheiden (respectievelijk als cladonietosum, deschampsietosum en vaccinietosum). Opstanden op relatief vochtige standplaatsen worden geclassificeerd als subassociatie molinietosum. Wat al deze verschillende vormen van het Berken-Eikenbos gemeenschappelijk hebben is het ontbreken van oud-bossoorten en het sterk op de voorgrond treden van een aantal mossoorten dat kenmerkend is voor zure en voedselarme omstandigheden, met name Klauwtjesmos (Hypnum jutlandicum), Gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) en Bronsmos (Pleurozium schreberi).

Vegetatietypen van de loofbossen op voedselrijkere gronden
De variatie binnen de productiebossen van de voedselrijkere gronden is relatief gering, althans in vegetatiekundig opzicht. Zij behoren vrijwel allemaal tot het Verbond van Els en Vogelkers (Alno-Padion) binnen de Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond (Querco-Fagetea). Binnen de Alno-Padionbossen kunnen twee hoofdtypen worden onderscheiden: het onderverbond van de Vochtige Elzen-Essenbossen (Circaeo-Alnenion) in de beekdalen en het onderverbond van de Iepenrijke Eiken-Essenbossen (Ulmenion carpinifoliae) op de kleigronden. In beide gevallen is het meest voorkomende bostype in de cultuurbossen een zeer soortenarme rompgemeenschap die gedomineerd wordt door Grote brandnetel. In beide gevallen komen echter plaatselijk ook soortenrijkere begroeiingen toe die als associatie geclassificeerd kunnen worden:

Natuurdoeltypen en habitattypen
Cultuurbos – met houtproductie als hoofdfunctie – is per definitie geen natuurdoeltype. Het is echter wel mogelijk dat een productiebos op grond van zijn ouderdom, ligging en/of soortensamenstelling beantwoordt aan de criteria van de Habitatrichtlijn. Dit geldt vooral voor bepaalde bossen op de pleistocene zandgronden:

De genoemde leeftijden slaan dus op de bosbodem; de leeftijd van de bomen is minder relevant. Een voorwaarde die geldt voor alle drie de typen is dat de ondergroei vegetatiekundig op associatieniveau geclassificeerd moet kunnen worden. Romp- en derivaat¬gemeenschappen vallen niet onder de Habitatrichtlijn. Met name op de armste zandgronden zou deze inperking in de praktijk voor enige onduidelijkheid kunnen zorgen. Het onderscheid tussen de kenmerkende bosassociatie van deze groeiplaatsen, het Betulo-Quercetum, en de verschillende hier voorkomende rompgemeenschappen is bij gebrek aan associatie-kensoorten vrij gradueel.

Belangrijke processen
Ook primair op houtproductie gerichte bossen hoeven geen saaie houtakkers te zijn, en zijn dat ook steeds minder. Door geïntegreerd bosbeheer ontstaat een steeds gevarieerdere bosstructuur. Daarnaast werkt ook een aantal natuurlijke processen differentiërend op soortensamenstelling en structuur. In de eerste plaats is het geleidelijk ouder worden van de bosbodem (ontwikkeling humusprofiel) van grote betekenis. Wij zien dit het duidelijkst op de pleistocene zandgronden.

Met bijdrage van: 
Patrick Hommel, Rienk Jan Bijlsma en Jan den Ouden

Literatuur

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website