Pad: Natuurtypen / Droge bossen (N15) / Dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02) / Zuur droog bos

Zuur droog bos

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Varkensvoer, eek, brand- en stuthout
Bosrelicten en ‘oud-bossoorten'
Zuur droog bos: loofbos internationaal waardevol
Landschappelijke en historische waarden

KENSCHETS
Zuur droog bos: jong, deels naaldbos en deels loofbos
Naaldbos met rendiermossen
Naaldbos met bladmossen
Berken-Eikenbos
Beuken-Eikenbos en Bochtige smele-Beukenbos
Veldbies-Beukenbos - een buitenbeentje

Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS
Varkensvoer, eek, brand- en stuthout

Bossen die tot ‘zuur droog bos' worden gerekend liggen op droge, van nature voedselarme zandgronden zonder grondwaterinvloed (inzijggebieden). Behalve op de stuifzanden, dekzanden, stuwwallen en keileemgronden van Oost- en Zuid-Nederland komen zure droge bossen onder andere ook voor in de duinen (zie type Duinbos) en mondjesmaat in het heuvelland van Zuid-Limburg (op terrasmateriaal langs de plateauranden, op tertiaire zanden rond Brunssum en op het vuursteeneluvium in het uiterste zuidoosten van het heuvelland). De belangrijkste boomsoorten zijn van oudsher zomer- en wintereik, beuk en ruwe berk.

Al in de middeleeuwen werden bossen op de hogere zandgronden intensief gebruikt voor het weiden van varkens, de jacht en om bouw- en brandhout te oogsten. Eikenbossen werden meestal als hakhout geëxploiteerd, met het oog op de productie van eikenschors, eek genoemd, voor de winning van looizuur. De bossen die vanuit de middeleeuwen zijn overgebleven zijn uit natuurbehoudoogpunt verreweg de meest waardevolle bossen

Tegen het eind van de 18e eeuw was het bosoppervlak in Nederland erg klein en versnipperd geraakt: het omvatte slechts ongeveer 10% van het huidige areaal. Het bosoppervlak was enerzijds ingekrompen door overmatige exploitatie van het bos voor houtwinning. Het hing ook samen met het feit dat voor het toen gangbare landbouwsysteem op de hogere zandgronden, het zogenaamde potstalsysteem, zeer grote oppervlakten heidegrond nodig waren. Ook de bossen werden vaak begraasd door vee en wild waardoor veel bossen door gebrek aan verjonging verder degradeerden. Overmatige exploitatie van de hei leidde tot het ontstaan van uitgestrekte stuifzandcomplexen, wat de druk op de laatste bossen nog eens extra vergrootte.

Vanaf 1800 worden de woeste gronden met het oog op snelle houtproductie op grote schaal beplant met Grove den (Pinus sylvestris). Er was veel vraag naar paalhout voor het stutten van mijngangen. Ook werden toen nog veel eiken gezaaid of geplant voor de looizuurwinning. Vanaf 1880 zijn bij de bebossing van heidevelden ook exotische naaldhoutsoorten gebruikt. Vooral Douglas (Pseudotsuga menziesii), Japanse lariks (Larix kaempferi) en Zwarte den (Pinus nigra) werden veel aangeplant.

Bosrelicten en ‘oud-bossoorten'
Op oude topografische kaarten uit 1850 zijn op de droge voedselarme gronden hier en daar bossen aangegeven . Die bossen zijn uitermate interessant, omdat het vaak gaat om eeuwenoude bosgroeiplaatsen met een bijzondere betekenis. Daar concentreren zich de natuurwaarden van de huidige Nederlandse zure droge bossen. Omdat veel soorten van het bos, vooral (korst)mossen en paddenstoelen, elders verdwenen kregen deze bosrelicten voor deze soorten een functie als uitwijkplaats (refugium).

Meerdere soorten hogere planten zijn vooral in deze bosrelicten aanwezig: dat zijn de zogenoemde ‘oud-bossoorten'. Voorbeelden zijn Dalkruid (Maianthemum bifolium), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum) en Witte klaverzuring (Oxalis acetosella). Bovendien vormen die bossen het belangrijkste leefgebied voor Wespendief (Pernis apivoris), Behaarde rode bosmier (Formica rufa), Boommarter (Martes martes) en grof wild. De aanwezigheid van bosrelicten, inclusief de cultuurhistorisch waardevolle houtwallen rond akkers, is voor het natuurherstel van bossen essentieel omdat bronpopulaties nodig zijn van waaruit zich de bossoorten kunnen verspreiden. Bovendien zijn ze belangrijk omdat zich daar wellicht exemplaren van inheemse bomen en struiken hebben gehandhaafd met genetische eigenschappen van de soorten uit het oorspronkelijke oerbos. Het gaat dan om soorten zoals Appel (Malus sylvestris) en Wintereik (Quercus petraea).

Bosrelicten vertonen vrijwel altijd de sporen van vroeger landgebruik. Vaak zijn het bossen met duidelijke eikenhakhoutstoven, die soms eeuwenlang zijn beheerd. Vaak ook betreft het strubbenbossen. Dit zijn meestal open bossen waarin de bomen vaak ontstaan zijn na opslag in het open veld. Soms betreft het ook half-overstoven eikenbosjes in stuifzandgebieden met veelal slechtgroeiende, kronkelige eiken.


Zuur droog bos: loofbos internationaal waardevol

De natuurwaarde van oude Nederlandse loofbostypen van het Zomereik-verbond op voedselarme grond met eik, beuk en berk broekbos is groot. Nederland neemt binnen het verspreidingsgebied een belangrijke plaats in en heeft een bijzondere verantwoordelijkheid in de bescherming binnen Europa. Het betreft hier net name de Natura2000 habitattypen 9110 (Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum), 9120 (Zuurminnende Atlantische beukenbossen met ondergroei van Ilex of soms Taxus) en 9190 (Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur). De meest waardevolle bossen, en daarmee ook de daaraan toegekende habitattypen, liggen op de oude bosgroeiplaatsen. De naaldbossen, en dan vooral die van ontginningsbossen, worden niet tot de bijzondere zure droge bossen gerekend die beschermd zijn onder de Europese habitatrichtlijn (zie vervolg). Het is echter mogelijk om naaldbossen in loofbossen van internationaal waardevolle bostypen om te vormen, zeker waar al een ontwikkeling naar bosbodems heeft ingezet.

De soortensamenstelling in de zure droge bostypen van ons land is erg gevarieerd, al is dit op het eerste gezicht niet altijd even duidelijk. Een belangrijk deel van de biodiversiteit van deze bossen wordt namelijk gevormd door de mos- en paddenstoelenflora (op de bosbodem, op stammen en stamvoeten, en op dood hout). De variatie hangt ook samen met de verscheidenheid aan groeiplaatsen. De huidige biodiversiteit, de patronen en waarden van onze bossen vinden voor een belangrijk deel hun oorsprong in de gebruiksgeschiedenis. De bossen maken deel uit van een cultuurlandschap, waarin de patronen in belangrijke mate vastliggen en een wezenlijk aanknopingspunt voor het natuurbeheer vormen.


Landschappelijke en historische waarden

De oude groeiplaatsen van zure droge bossen vertegenwoordigen ook belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Ze vormen een kenmerkend onderdeel van het droog zandlandschap zoals dat in grote delen van Nederland vanaf de late middeleeuwen tot rond 1900 heeft bestaan. Heiden, stuifzanden, eikenhakhout, strubben etc. vormden een geheel. Op de al vroeg bevolkt geraakte hogere zandgronden hebben de bewoners veel sporen nagelaten zoals grafheuvels, hunebedden, boswallen, celtic fields, sprengen, schapendriften, herenbanen/koningswegen etc. Veel van die historisch waardevolle landschapselementen liggen in de zure droge bossen. Ter bescherming zijn de volgende strategieën mogelijk: behoud, accentueren, restauratie en reconstructie. Op grond van cultuurhistorische overwegingen wordt op sommige plaatsen eikenhakhout weer geregeld afgezet. Voor meer informatie, zie Cultuurhistorisch bos en Eikenhakhout.

KENSCHETS


Zuur droog bos: jong, deels naaldbos en deels loofbos

Maar liefst 70 % van het Nederlandse bos is ontstaan in de periode 1920-1980 en dus veel minder dan een eeuw oud; 90% is minder dan twee eeuwen oud. De spectaculaire uitbreiding van het bosareaal in de 19de en de 20ste eeuw is te danken aan de ontginning van heide- en stuifzandgronden. De zure droge bossen zijn afgezien van enkele bosrelicten jonge bossystemen. In eerste instantie ging het bij die uitbreiding van het bosareaal vooral om aanleg van naaldbos. Door aanplant (vooral op de rijkere gronden) en omvorming (vooral op de armere gronden) is in de afgelopen decennia ook het oppervlak van het loofbos in Nederland toegenomen. In bescheiden mate droeg spontane bosvorming - vooral op heidevelden - eveneens een steentje bij.

Zuur droog bos is naar de overheersende boomsoort onder te verdelen in naald- en loofbossen. Binnen de naaldbossen (Klasse 41) zijn drie typen te onderscheiden waarvan we twee hieronder beschrijven. Het derde type wordt gevormd door de struwelen met dominantie van Jeneverbes. Dit type neemt een enigszins aparte positie in - het is eigenlijk helemaal geen bos - en worden hier als een apart natuurtype behandeld, zie Jeneverbesstruweel. In de zure droge loofbossen overheersen van nature Zomereik, Beuk en Ruwe berk. Op enkele uitzonderingen na behoren ze tot het zogenoemde Zomereik-verbond (42Aa).

Deze bossen omvatten - afhankelijk van het subtype - verschillende natuurdoeltypen: Loofbos van de arme zandgronden (3.64), Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (3.65) en Naaldbos van arme zandgronden (3.64). Bij de loofbostypen gaat het om onder de habitatrichtlijn te beschermen habitattypen (hieronder aangegeven).

Naaldbos met rendiermossen

Typisch voor het stuifzandlandschap is het Korstmossen-Dennenbos (41Aa2). De boomlaag bestaat uit Grove den (Pinus sylvestris) met hier en daar Ruwe berk (Betula pendula). De dennen zijn meestal aangeplant en de berken zijn spontaan opgeslagen. De ondergroei is arm aan vaatplanten en bestaat uit niet meer dan enkele plukjes grassen, dwergstruiken en verjonging van houtige gewassen. Karakteristiek is een weelde van korstmossen al dan niet in combinatie met bepaalde bladmossen. Het gaat daarbij om Kronkelsteeltjes (Campylopus sp.), Gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium), Ruig haarmos (Polytrichum piliferum) en verschillende korstmossen van de geslachten Cladonia en Cladina
ofwel Rendiermos. Door natuurlijke vegetatie- en bodemontwikkeling gaan Korstmos-dennenbossen op den duur over in Kussentjesmos-dennenbos . Dit natuurlijk proces wordt versneld door een hoge atmosferische stikstofdepositie

Naaldbos met bladmossen
De meeste bossen van het Kussentjesmos-Dennenbos type (41Aa3) hebben een voorgeschiedenis als heidebebossing. Een klein deel is via natuurlijke bossuccessie ontstaan vanuit (meestal aangeplant) Korstmos-Dennenbos op stuifzandgronden. Typerend zijn blad- en levermossen waaronder Kussentjesmos (Leucobryum glaucum), verder Bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en bosbessen (Vaccinium sp.). In de noordelijke helft van Nederland groeit in zulke bossen ook Kraaihei (Empetrum nigrum) en op iets vochtigere standplaatsen - overal in het land - is er ook Pijpenstrootje (Molinia caerulea) aanwezig. De flora van het Kussentjesmos-Dennenbos omvat een aantal noordelijke soorten, onder meer wolfsklauwen (Lycopodiaceae), Dennenorchis (Goodyera repens), Linnaeusklokje (Linnaea borealis), Gerimpeld gaffeltandmos (Dicranum polysetum) en Struisveermos (Ptilium crista-castrensis). Deze soorten zijn echter uiterst zeldzaam. Meestal bestaat de ondergroei van deze naaldbossen uit een combinatie van bladmossen, grassen, Blauwe en Rode bosbes (Vaccinium myrtillus en V. vitis-idaea) en andere dwergstruiken. Deze ondergroei vertoont sterke overeenkomst met die van het Berken-Zomereiken en Eiken-Beukenbos (zie onder).

In zure droge naaldbossen vinden in de ondergroei min of meer dezelfde opeenvolgingen in fasen plaats als in zure droge loofbossen (zie vervolg, onder ‘Berken-Eikenbos'). Donkere naaldbosopstanden van bijvoorbeeld Douglas- en Fijnspar komen doorgaans niet verder dan het bladmosstadium. In zulke bossen is de bosbodem bedekt met een dicht pakket naalden. Pas als met toenemende leeftijd iets meer licht door het kronendak dringt ontwikkelt zich een weelderig mosdek met stekelvarens.

Berken-Eikenbos

Zomereik (Quercus robur) en Ruwe berk (Betula pendula) typeren de boomlaag van het Berken-Eikenbos (42Aa1). Het overeenkomstige natuurdoeltype is ‘Loofbos van de arme zandgronden (3.64)'. Veel van deze bossen hebben een voorgeschiedenis als hakhout: het zijn spaartelgenbossen. Spaartelgen zijn eikenbomen die zijn ontstaan door omvorming van eikenhakhout. Daarbij werd één uitloper, de telg, van de hakhoutstoof gespaard, de rest werd weggenomen. Spaartelgenbos is herkenbaar aan de scheve boomvoeten en vaak kronkelige groei.

In de ondergroei van eikenbossen op voedselarme zandgronden zijn vier ontwikkelingsfasen te onderscheiden. In jonge bossen ontbreekt een kruidlaag, afgezien van hier en daar een polletje Bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en Struikhei (Calluna vulgaris). Aanvankelijk groeien onder de bomen vooral korstmossen maar dit prille stadium is buiten de kalkarme duinen vrijwel niet meer in ons land aanwezig. In fase twee overheersen in de moslaag bladmossen en die laag is vaak weelderig ontwikkeld. Het aantal paddenstoelen met mycorrhiza (= schimmels die als het ware een link tussen bodem en plant vormen) en bodemorganismen die van dood of verterend organisch materiaal leven (=saprofyten) is in deze pionierfase bijzonder groot. In fase drie gaan grassen overheersen en dan is het humusprofiel al verder ontwikkeld. Er is een dikke laag half-verteerd strooisel gevormd, een zogenoemde F-horizont. In het vierde en laatste stadium kan zich Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) vestigen. Dan is er een dikke strooisellaag aanwezig met aan de onderzijde een schoensmeerachtig laagje waarin geen plantenresten meer herkenbaar zijn, de zogenoemde H-horizont. Blauwe Bosbes gaat na ongeveer 75 tot 150 jaar overheersen, plaatselijk in gezelschap van Rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea) en in noord Nederland ook wel van Kraaihei (Empetrum nigrum). Dit bostype is van Europese waarde; het komt overeen met ‘habitattype H9190 Oude eikenbossen'. Het trekt veel wild aan. Bosbessen worden door edelhert, ree, wild zwijn gegeten, maar ook door das en vos.

Beuken-Eikenbos en Bochtige smele-Beukenbos

In de dichte laag van dwergstruiken van oud Berken-Eikenbos kunnen zich nieuwe boomsoorten vestigen en het bos verandert dan op den duur in Beuken-Eikenbos ( 42Aa2) of Bochtige smele-Beukenbos (42Aa3). Het natuurdoeltype van deze bossen is ‘Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (3.65)'. Beide bostypen zijn vooral karakteristiek voor lemige zandgronden, maar zijn - zij het sterk vertraagd - uiteindelijk ook op schralere bodems te verwachten. Omdat deze bossen een verleden als hakhout kenden bestaat de boomlaag meestal uit Zomereik (Quercus robur), in veel mindere mate Wintereik (Quercus petraea). Zonder menselijke ingrepen treedt in deze bossen de Beuk (Fagus sylvatica) op de voorgrond. Waar de Beuk overheerst is als gevolg van wortelconcurrentie, lichtgebrek en een dikke bladstrooisellaag de ondergroei uiterst beperkt. Waar eik een wezenlijk deel van de boomlaag inneemt, is de ondergroei interessanter. Plaatselijk is veel Adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) aanwezig. Adelaarsvaren wijst op meer dan 150 jaar oude bosgroeiplaatsen, net zoals Dalkruid (Maianthemum bifolium), Gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum) en Witte klaverzuring (Oxalis acetosella). Vooral het Bochtige smele-Beukenbos heeft soms een rijke mosflora, zowel op de bodem als op dood hout en epifytisch. Onder andere in Drenthe, met name in het Norgerholt en het Mantingerbos komt Beuken-Eikenbos voor waarin Hulst (Ilex aquifolium) een tweede, lagere boomlaag vormt. Dit bostype is internationaal waardevol; het komt overeen met ‘habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met Hulst'.

Veldbies-Beukenbos - een buitenbeentje

Het Veldbies-Beukenbos (42Aa4) is in ons land een buitenbeentje in het heuvelland. Deze bosgemeenschap bereikt hier de noordgrens van zijn verspreidingsgebied: zijn zwaartepunt ligt in het heuvelland van midden Europa. Het Veldbies-Beukenbos is het zeldzaamste van de bostypen van zure droge grond die Nederland kent. Het komt in het uiterste zuidoosten van Zuid-Limburg voor op hoog gelegen plekken (>150 m +NAP) en beperkt zich daar ook nog tot een bijzonder bodemtype:  het vuursteen-eluvium met een lössdek van wisselende dikte. Zonder menselijk ingrijpen is dit een bos waarin beuk overheerst, met verspreid enkele wintereiken en in de struiklaag Mispel (Mespilus germanica) en Hulst. Witte veldbies (Luzula luzuloides) typeert de kruidlaag. Het overeenkomstige habitattype is ‘H9110 Veldbies-Beukenbossen' (zie ook Natuurbostype ‘Bossen op leemgronden'). .

Met bijdragen van:
Klaas van Dort, 14.11.06; Patrick Hommel & Rein de Waal, april 2007; Patrick Hommel & Jan den Ouden, november 2010.


Literatuur:

Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal & F.J. van Zadelhoff  2001. Handboek Natuurdoeltypen. Expertisecenturm LNV, Wageningen. Bijlsma, R.J. 2002.

Bosrelicten op de Veluwe. Een historisch-ecologische beschrijving. Alterra-rapport 647. Wageningen.

Hommel, P.W.F.M. 2003. Het Nederlandse bos: diversiteit en waarde in vergelijking met de ons omringende landen.

Hommel, P.W.F.M, K.W. van Dort & J.H.J. Schaminée, 1999. Quercetea robori-petraeae. In A.F.H. Stortelder, J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel (1999): De vegetatie van Nederland. Deel 5. Plantengemeenschappen van ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press. Uppsala, Leiden.

Houte de Lange, S.M. ten. (ed.). 1977. Rapport van het Veluwe-onderzoek. Een onderzoek van natuur, landschap en cultuurhistorie ten behoeve van de ruimtelijke ordening en recreatiebeleid. Wageningen.

Huisman, W.G. 1983. Grovedennenteelt op heidegronden in Nederland in voornamelijk de 19e eeuw. Nederlands Bosbouwtijdschrift 55 (7/8): 276-289.

Jansen, A.E., 1981. Vegetation and macrofungi of acid oakwoods in the north-east of the Netherlands. Agricultural Research Reports 923. Pudoc, Wageningen.

Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée. 2003. Habitattypen. Europese natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. 120 pp.

Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée. 2004. Soorten van de Habitatrichtlijn. Europese natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. 112 pp.

Lans, H. van der & G. Poortinga. 1986. Natuurbos in Nederland. Instituut voor Natuurbeschermingseducatie, Amsterdam, 192 pp.

Rövekamp C.J.A., & N.C.M. Maes. 2002. Autochtone genenbronnen en oude bosplaatsen op de Veluwe.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren. 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland deel 4, Bossen, struwelen en ruigten. KNNV, Utrecht.

Werf, S. van der, 1991. Bosgemeenschappen. Deel 5 in Natuurbeheer in Nederland. Pudoc, Wageningen,375 pp.

Al, E.J. (red.), 1995. Natuur in bossen. Ecosysteemvisie bos. IKC Natuurbeheer, Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website