Pad: Natuurtypen / Droge bossen (N15) / Duinbos (N15.01) / Duinbos

Duinbos

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Betrekkelijk recent
Duinbos: loofbos waardevol, naaldbos soms

KENSCHETS
Soortenrijk loofbos
Strandwallenlandschap
Strandvlaktenlandschap
Jonge duinen
De bosgrens
Kalkgrenzen en landschapszones
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Betrekkelijk recent
Duinbossen zijn een betrekkelijk recent verschijnsel. In de negentiende eeuw waren bossen nog zeer schaars in de duinen. Er werden vrijwel alleen lage, vochtige berkenbossen aangetroffen. Bossen met hoge bomen waren te vinden op een paar landgoederen en verder waren er hakhoutbosjes aan de binnenduinrand. Een uitzondering wordt gevormd door de omgeving van Bergen (N-H), waar al vanaf de 16e eeuw continu loofbos is geweest (Oude Hof, Bergerbos). Dat is de enige plaats aan de kust waar nu Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus), Hengel (Melampyrum pratense), Dubbelloof (Blechnum spicant) en epifyten van oude bossen voorkomen, en ook een grote populatie Boskrekels (Nemobius sylvestris). Rond 1900 werden veel bomen aangeplant in de duinen, meestal dennen, onder meer om verstuiving tegen te gaan. Bijna de helft van het duinoppervlak werd zo bebost. Het beheer van deze duinbossen was tot 1950 gericht op houtproductie. Rond 1950 is dit bosbeheer in de meeste duinbossen gestaakt en sindsdien vindt in de dennenbossen een omvorming tot meer natuurlijk loofbos of andere natuurlijke duinvegetaties plaats. Mede omdat de dennenplantages zeer soortenarm zijn, is - met het oog op herstel van natuurwaarden - deze omvorming een zeer positieve ontwikkeling. Een klein deel van het dennenbos heeft ‘moeder natuur' zelf opgeruimd. De zeewind met de bijbehorende zoutinwaai (saltspray) knaagt voortdurend aan de loefzijde van de meest westelijke dennenplantages en rolt deze geleidelijk op.

Duinbos: loofbos waardevol, naaldbos soms
Loofbossen behoren tot de soortenrijkste biotopen in de duinen, mede vanwege de veelheid aan ongewervelde dieren, zoals landslakken, kevers, galwespen en nachtvlinders. Deze loofbossen hebben een grote natuurwaarde, ook internationaal gezien. De biotopen van de open duinlandschappen zijn echter veelal rijker aan bijzondere soorten. Veel van de bosaanplant in de duinen was naaldbos, vooral van Zwarte den (Pinus nigra) en Zeeden (Pinus pinaster). Deze bossen worden niet tot de bijzondere duinbossen gerekend die beschermd zijn onder de Europese habitatrichtlijn. De meeste van deze naaldbossen zijn erg eenvormig. Sommige daarvan herbergen echter een flora of fauna die elders in de duinen of zelfs in heel Nederland niet of nauwelijks voorkomt. Het gaat hierbij vooral om paddenstoelen die aan naaldbomen gebonden zijn, maar ook om een aantal, vaak noordelijke, planten. Zulke planten zijn vooral varens en Wolfsklauwen (Lycopodiaceae), maar er horen ook soorten bij zoals Kleine keverorchis (Listera cordata), Dennenorchis (Goodyera repens) en Linnaeusklokje (Linnaea borealis). Deze soorten zijn echter aan relatief jonge, uniforme dennenbossen gebonden en zullen verdwijnen als zulke bossen ouder worden en er geen nieuwe bijkomen door natuurlijke verjonging.

KENSCHETS

Soortenrijk loofbos
Duinbossen zijn er in vele vormen, elk met zijn speciale natuurwaarden. In de ijle, vochtige berkenbossen (Meidoorn-Berkenbos) - vaak is dat niet meer dan een wat hoog uitgegroeid struweel met meidoorns en lage berken - komt bijv. veelal Grote keverorchis (Listera ovata) voor. Soms groeit er de orchidee Vogelnestje (Neottia nidus-avis); een saprofytisch organisme dat van dood of verterend organisch materiaal leeft.

In de bossen met hoge bomen (Abelen-Iepenbos) vinden wij Maarts viooltje (Viola odorata), Voorjaarshelmbloem (Corydalis solida), ook Vingerhelmbloem genoemd, en ook de in de duinstreek volledig ingeburgerde stinzensoort Wilde hyacint (Scilla non-scripta). In sommige eikenbossen van de duinstreek groeien eeuwenoude eiken die tot hun kroon in het zand staan, met o.a. Baardmos (Usnea sp.) op de takken en tapijten van Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis) op de grond. In doorgeschoten eikenhakhout groeit Neptunusmos (Lepidozia reptans) op de boswalletjes. Ook de paddenstoelenflora van de duinbossen is bijzonder rijk. Tien van de 50 kilometerhokken in Nederland die het rijkst aan paddenstoelen zijn, betreffen duinbossen.

Dat de duinbossen ouder worden, is goed te merken aan o.a. de toename van vleermuizen, veranderingen in de zweefvliegenfauna en de uitbreiding van dagvlinders, als het Bont zandoogje (Pararge aegeria). Met het ouder worden van de duinbossen, komen inmiddels de karakteristieke vogelsoorten van oudere loofbossen, zoals Boomklever (Sitta europaea), Zwarte specht (Dryocopus martius), Glanskop (Parus palustris), Appelvink (Coccothraustes coccothraustes), in meer of mindere mate voor in de duinen. In de duinbossen met struikondergroei is de Nachtegaal (Luscinia megarhynchos) talrijk. De Kleine barmsijs (Carduelis cabaret) broedt voor een belangrijk deel in de duinen, met name in berken- en elzenbossen op de Waddeneilanden. Deze soort broedt vanaf 1960 in Nederland, heeft in de jaren tachtig een hoogtepunt gehad, maar is inmiddels weer sterk op zijn retour.

Strandwallenlandschap
Het gebied dat wij gemakshalve aanduiden als ‘de duinstreek' bestaat in feite uit drie heel verschillende landschappen. Deze drie landschappen zijn: de strandwallen, de strandvlakten en de jonge duinen. Vanwege de onderlinge verschillen in ontstaansgeschiedenis en ouderdom, verschilt de bodemgesteldheid en daardoor de plantengroei. Het strandwallenlandschap ontstond tussen 3000 en 1500 voor Christus en is in ons land het fraaist bewaard gebleven in Zuid-Holland en Kennemerland. Het strandwallenlandschap bestaat uit verschillende, lang gerekte en min of meer evenwijdig aan de kust lopende zandbanen, vooral ontstaan door afzetting van zeezanden. Hier en daar is verstuiving van dit zand opgetreden en zijn ‘oude duinen' opgewaaid tot een hoogte van maximaal ongeveer 10m. Het strandwallenlandschap is veel ouder en heeft over het algemeen minder reliëf dan het landschap dat gewoonlijk wordt verstaan onder duinen en beter met ‘jonge duinen' wordt aangeduid. Sinds de vorming van de strandwallen is zoveel tijd voorbij gegaan dat de leemarme zandbodems relatief diep zijn ontkalkt. Eeuwen van gebruik als heidegrond voor de schapenteelt, vergelijkbaar met de situatie op de hogere zandgronden van oostelijk en zuidelijk Nederland, hebben de verarming en verzuring van de bodem bevorderd.

Het bostype dat nu van nature op de ontkalkte strandwallen thuishoort, is een vorm van Zuur droog bos. Er is vrij veel bos in het strandwallenlandschap. Toch zijn daar zure droge bossen vrij zeldzaam. Dat komt doordat het grootste deel van de strandwalbossen een verleden heeft als landgoedbos. Dat verleden maakt dat de bosstructuur, de vegetatie, de flora - inclusief stinzenplanten - en de fauna, en zelfs de hele bodemgesteldheid van onze strandwalbossen sterk afwijkt van de zure droge bossen die op de ontkalkte strandwallen thuishoren. De landgoedbossen vertegenwoordigen de belangrijkste natuurwaarden van het strandwallenlandschap. Behoud van deze waarden vereist een geheel ander beheer dan het aanpalende natuurbos. Voor meer informatie, zie Cultuurhistorisch bos.

Strandvlaktelandschap
Tussen de oude strandwallen liggen grote langgerekte laagten; dit zijn voormalige strandvlakten. Vanaf het moment dat de zee geen toegang meer tot deze laagten had, begon daar veenvorming op gang te komen. Nu liggen er dikke veenpakketten die plaatselijk - bijvoorbeeld aan weerszijden van de monding van de Rijn bij Katwijk - met een kleilaagje zijn afgedekt. Grote delen van dit landschap zijn als agrarisch grasland in gebruik, maar plaatselijk komt ook bos voor. Het natuurbostype dat op deze gronden thuishoort, is volledig vergelijkbaar met de bossen van het (klei op)veenlandschap elders in West-Nederland, uitgezonderd locaties in de binnenduinrand die kwel of oppervlaktewater uit de duinen ontvangen. De belangrijkste waarden van de strandvlakten vinden wij echter in de voor deze streek kenmerkende, eeuwenoude essenhakhoutpercelen. De grootste aaneengesloten oppervlakten vinden we tussen Den Haag en Leiden, maar ook elders, bijvoorbeeld bij Castricum, Heemskerk en Lisse, zijn waardevolle voorbeelden aanwezig. Voor meer informatie over het specifieke beheer van het essenhakhout, zie Cultuurhistorisch bos.

Jonge duinen
De reliëfrijke strook van duinen die langs de gehele Nederlandse kust loopt van Cadzand in het zuidwesten tot Rottumeroog in het noordoosten, dat is wat gewoonlijk onder duinen wordt verstaan en beter aangeduid wordt met ‘jonge duinen'. Deze strook is geologisch gezien heel jong. De oudste, meest landinwaarts gelegen delen dateren van circa 900 na Christus. De jongste, direct langs de kust gelegen delen zijn grotendeels nauwelijks twee eeuwen oud. Op enkele plaatsen langs de kust treedt ook nu nog duinvorming op.

Het oude strandwallenlandschap is een fundament dat onder de jonge duinen doorloopt, behalve op plaatsen waar vroeger de zee toegang had tot het achterland, of waar rivieren uitmondden. Daar is dit fundament niet aanwezig en ontbreekt de elders typerende kalkgradiënt van zeereep tot binnenduin. Toch is de overgang tussen beide landschapstypen op veel plaatsen zeer abrupt: dat noemen we de ‘binnenduinrand'. De scherpe overgang heeft enerzijds te maken met een groot verschil in hoogte en reliëf, anderzijds is het zo dat de binnenduinrand veelal niet direct grenst aan de oude duinen, maar aan een met veen gevulde strandvlakte. Een van de mooiste voorbeelden hiervan is het Zeepe op Schouwen. Op sommige plekken is de grens minder duidelijk, vooral waar de oude duinen over grote oppervlakten door het jonge duinzand heen ‘schemeren'. Dergelijke situaties, die o.a. bij Monster en De Zilk voorkomen, zijn uiteraard zowel geologisch als ecologisch erg interessant. Op veel plaatsen zijn bij de vorming van de jonge duinen een of meer oude strandwallen in het verstuivingsproces betrokken geraakt en heeft een vermenging van oud ontkalkt strandwalzand met jong, kalkrijk duinzand plaatsgevonden. De geleidelijke overgang in kalkgehalte (kalkgradiënt) van zee naar binnenduin, die op veel plaatsen langs de Hollandse kust voorkomt, is mede onder invloed van deze vermenging ontstaan.
In het jonge buitenduin met zijn harde, zilte zeewind is een natuurlijke bosontwikkeling nauwelijks mogelijk. Hier is wel naaldhout aangeplant.

De bosgrens
In de duinen vormt bos lang niet overal het eindstadium van de successie. Het eindstadium kan ook een duingrasland zijn waarin Buntgras (Corynephorus canescens) overheerst (zie ‘Grijze duinen'). Aangezien hier bij de bosaanplant geen rekening mee is gehouden, staan beheerders nu voor de opgave om te bepalen welke van de eenvormige naaldbosopstanden het best omgevormd kunnen worden naar loofbos en welke naar andere vegetatietypen. Op ‘natuurlijke bosgroeiplaatsen', plaatsen waar bos van nature groeit of zou groeien als de mens niet ingrijpt, gaat de voorkeur uit naar omvorming in loofbos, op plaatsen waar van nature geen bos groeit naar boomloze duingemeenschappen. Complicaties bij de bepaling van de bosgrenzen zijn de bodembewerking en de mestgift die de naaldbossen hebben ‘meegekregen' bij de aanleg: hebben die een blijvend effect? Dan is er ook nog het zogenoemde ‘domino-dilemma': bosplantages die enerzijds kunnen bestaan dankzij de kunstmatige luwte van zeewaarts aangeplante opstanden, en die anderzijds zelf luwte scheppen voor wat landinwaarts ligt ... enzovoorts.
Behalve naaldbos is ook het meeste loofbos in de duinen aangeplant. In de 19e eeuw waren dat vooral uitgestrekte eiken(hakhout)plantages ten behoeve van de leerlooierij. In de vorige eeuw vooral ten behoeve van het natuurschoon (recreatie zouden we nu zeggen).

Kalkgrenzen en landschapszones

De enorme rijkdom van de natuur in de duinen wordt voor een belangrijk deel bepaald door de rijkdom aan geleidelijke overgangen in het milieu op locale schaal (= gradiënten). Op landschapsschaal, in het duinlandschap, zijn duidelijke grenzen te onderscheiden die verschillen in kalkgehalten van de bodem aangeven. Een belangrijke, welbekende grens is de grens tussen het in aanleg kalkrijke, zuidelijke Renodunale district en het al van oudsher kalkarme, noordelijke Waddendistrict. Deze grens ligt bij Bergen (N-H). Het kalkgehalte van de bovengrond neemt in principe - tenzij vermenging plaatsvindt - af met de stabilisering van het duinzand en het ouder worden van de duinlandschappen. In het jonge ‘buitenduin' aan de kustzijde kunnen in het Renodunale district voor Nederland uitzonderlijk hoge kalkgehalten gemeten worden, de bovengronden van het ‘binnenduin' aan de vastelandzijde van de duinstrook zijn volledig ontkalkt. Echter, van de kust landinwaarts gaande binnen één duingebied is veelal geen sprake van één geleidelijke ontkalkingsgradiënt. Dit komt doordat de jonge duinen tijdens een aantal verschillende dynamische fasen zijn ontstaan die zijn gescheiden door stabiele tussenfasen. Dat heeft geleid tot een zekere verbrokkeling ofwel discontinuïteit in de ontkalkingsgradiënt en het ontstaan van landschapszones met een heel eigen ecologische identiteit. De grote verschillen tussen de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden zijn niet alleen een gevolg van de ouderdom, maar ook van verschillen in het oorspronkelijke sediment waaruit deze duinen zijn gevormd. Het herkennen van deze zones, zoals op verschillende schaalniveaus beschreven, gekarteerd en verklaard door Henk Doing, is een ‘must' voor elke duinbeheerder. Zie voor meer informatie landschapstype Duin- en Kustgebied en de natuurtypegroep Open duin.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
In duinen bepalen vooral vier factoren de variatie aan bostypen: afstand tot zee, kalk, water en menselijk handelen. De grootste variatie vinden we in het Renodunaal district. Dat ligt voor de hand: daar zijn van nature de grootste verschillen in kalkgehalte aanwezig. Voor bossen in de duinen is de afstand tot de zee van groot belang. In het gure buitenduin met zijn harde, zilte zeewind is een natuurlijke bosontwikkeling nauwelijks mogelijk. Hier is echter wel naaldhout aangeplant. In het middenduin vinden wij wel natuurbos, maar daar alleen in de valleien: het Meidoorn-Berkenbos (43Aa3). Dennenplantages zijn hier veel algemener dan in het buitenduin. Het binnenduin tenslotte heeft het grootste bosoppervlak. Hier vinden we zowel uitgestrekte dennenplantages als meer natuurlijke loofbossen en de bossen groeien hier ook buiten de valleien in de luwte van hoge duinruggen.

De natuurlijke loofbossen in het binnenduin behoren tot twee bosgemeenschappen. Bossen op standplaatsen waar nog enige kalk in de bovengrond aanwezig is, worden gerekend tot het Abelen-Iepenbos ( 43Aa1). Die bosgemeenschap kennen wij in iets andere vorm ook van de hoge oeverwallen in het rivierengebied (zie onder natuurtype Alluviale bossen). Bossen op standplaatsen waar de bovengrond volledig ontkalkt is of primair kalkarm en waar ook geen kalk meer via boomwortels en bladstrooisel ‘rondgepompt' wordt, behoren tot het Zomereik-verbond (42Aa). In deze bossen hoopt zich op de bodem strooisel op. Dit bevordert ontkalking, verzuring en verarming van de bodem en in de loop van de tijd gaan deze bossen steeds meer lijken op de ‘arme' bossen van de hoge zandgronden van Nederland (zie onder natuurtype Zuur droog bos). Ontkalking, verzuring en verarming van de bodem treedt overigens ook op in de uitgestrekte dennenplantages van het binnenduin. Nergens in Nederland is de verzuring en verarming onder naaldhout zover voortgeschreden als in de duinstreek en met name in het al van oorsprong kalkarme Waddendistrict.
Op droge tot circa 1 m ontkalkte duingrond aan de binnenduinrand of op de strandwallen kan het Beuken-Eikenbos (42Aa2; vroeger heette dit Wintereiken-Beukenbos) voorkomen. Hierin groeien soms de kenmerkende soorten Lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), Dalkruid (Maianthemum bifolium), Dubbelloof (Blechnum spicant), Hengel (Melampyrum pratense) en Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus). Hulst (Ilex aquifolium) kan op verzuurde standplaatsen talrijk voorkomen, zoals in het Bergerbos. Op de oudste gedeelten van de jonge duinen breidt de Beuk zich de laatste tientallen jaren flink uit; geholpen door de zeer lage konijnenstand. Mogelijk leidt dit tot ontwikkeling van een Beuken(-Eiken)bos.

Het laatste nog te vermelden bostype is de landgoedvorm van het Abelen-Iepenbos: de subassociatie van Wilde hyacint (43Aa1c) die ook bekend staat als ‘stinzenbos'. Die bosgemeenschap is op veel plaatsen in de binnenduinrand fraai ontwikkeld, vooral in Kennemerland. Vegetatiekundig en beheersmatig sluit dit bostype naadloos aan bij de landgoedbossen van de strandwallenlandschappen (zie Cultuurhistorische bossen).

De hier beschreven duinbossen komen overeen met het natuurdoeltype Park-stinzenbos en het habitattype Duinbossen (H2180). Het habitattype is zeldzaam langs de Europese kusten, maar komt in ons land over een relatief grote oppervlakte voor. De duinbossen met berken en eiken, behorend tot het Meidoorn-Berkenbos of tot het Zomereik-verbond zijn min of meer tot ons land beperkt. Dat geeft ons land een extra verantwoordelijkheid voor dit habitattype.

Met bijdragen van:
André Aptroot, augustus 2006; Patrick Hommel & Rein de Waal, april 2007; Rienk Slings, Wouter van Steenis, juni 2007.

Literatuur:
Boerboom, J.H.A. & V. Westhoff, 1974. Samenlevingen van planten in het duin. In: N. Croin Michielsen (red.). Meijendel, duin - water - leven; p. 70-83. Van Hoeve; Den Haag / Baarn.

Doing, H., 1974. Landschapsoecologie van de duinstreek tussen Wassenaar en IJmuiden. Med. Landbouwhogeschool Wageningen 74-12. 111 pp. (met losse kaartbijlagen).

Doing, H., 1988. Landschapsoecologie van de Nederlandse kust. Een landschapskartering op vegetatiekundige grondslag. Stichting Duinbehoud / Stichting Publicatiefonds Duinen, Leiden. 228 pp. (met losse kaartbijlagen).

Hommel, P.W.F.M., 1999. Duinbossen rond de kalkgrens. In: P.W.F.M. Hommel, M.A.P. Horsthuis & V. Westhoff (red.). Excursieverslagen 1996. Plantensociologische Kring Nederland, Wageningen; p. 65-70

Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel, 1999. De vegetatie van Nederland. Deel 5: Ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press, Uppsala.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren, 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 4: Bossen, struwelen en ruigten. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website