Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Haagbeuken- en essenbos (N14.03) / Bossen op oude klei en leembodem

Bossen op oude klei en leembodem

Leeswijzer:
Deze tekst gaat over opgaande bossen op bodems die tot op een diepte van minimaal zestig centimeter uit leemgrond bestaat. Deze bossen komen vooral (maar niet uitsluitend) voor in Zuid-Limburg, waar zij onderdeel uitmaken van complexe hellinggradiënten. De hellingboszones met ondiepe kalksteen (mergel) worden op deze website apart behandeld bij het natuurbostype Kalkhellingbos. Alle andere zones van de hellingbossen komen hier aan bod. Vrijwel alle Zuid-Limburgse hellingbossen hebben – ongeacht hun plaats binnen de hellinggradiënt – een verleden als middenbos of hakhout, maar worden al sinds vele decennia niet meer als zodanig beheerd. De bossen die wel nog of weer actief als middenbos of hakhout worden beheerd, worden op deze website behandeld onder het cultuurhistorisch bostype Middenbos.

Inhoud van deze pagina: 

BETEKENIS
Oude bossen vol bosplanten
Niet te rijk, niet te arm
Aan de rand van een groot areaal
Bloemrijke randen

KENSCHETS
Rijk bloeiende voorjaarsbossen
Grote verschillen in geologie
Leemgronden buiten Zuid-Limburg
Nat in de winter, droog in de zomer
Echte bronnen …
… en schijnbare bronnen
Plantengemeenschappen
Doeltypen en habitattypen
Karakteristieke zonering
Ook fauna gebaat bij variatie in milieu
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Oude bossen vol bosplanten
De meeste bossen in ons land staan op zandgrond. Bossen op leem zijn betrekkelijk zeldzaam. Dat lijkt logisch: er zijn immers veel minder leem- dan zandgronden. Daarnaast speelt ook de grotere geschiktheid van leemgronden voor de landbouw een rol. Onze leemgronden zijn op de meeste plaatsen al eeuwen geleden in cultuur gebracht. Alleen daar waar – bijvoorbeeld door de steilte van de hellingen of de al te ongunstige waterhuishouding – landbouw geen optie was, mocht bos groeien, en in veel gevallen is dat bos, binnen zijn historische begrenzing, nog steeds aanwezig. De leembossen zijn gemiddeld dan ook een stuk ouder dan onze zandbossen, die grotendeels werden aangelegd in de tijd van de grote heideontginningen, eind 19de en begin 20ste eeuw.
De verschillen in bodem en ouderdom tussen de zand- en leembossen zien we duidelijk terug in de ondergroei. De meeste leemgronden vormen een uitstekend substraat voor de vestiging van vrijwel alle bosplanten die in ons land voorkomen. Daarbij komt dat de variatie in bodemgesteldheid op korte afstand binnen de leembossen doorgaans veel groter is dan op het zand. Dus ook voor specialistische fijnproevers onder de bosplanten zijn er volop mogelijkheden, En tenslotte geldt: hoe ouder het bos, des te rijker de bosflora. De ondergroei van bossen op leem is daarom meestal erg soortenrijk en herbergt veel echte bosplanten. In de bossen op de zandgronden daarentegen zijn het arme, verzuringgevoelige substraat en de geringe leeftijd niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van een rijke bosflora. Op veel plaatsen kun je daar zelfs uren door het bos lopen zonder één bosplant te zien!

Niet te rijk, niet te arm
Wat maakt de leemgronden nu zo geschikt voor veel bosplanten? Waarschijnlijk speelt een belangrijke rol dat ze van nature niet echt voedselarm, maar ook niet erg rijk zijn. Op de veel voedselrijkere kleigronden kunnen ruigtesoorten als brandnetels de ondergroei lang blijven domineren. Pas als de overmaat aan voedingsstoffen door de bodemfauna is vastgelegd in stabiele humus, treden de ruigtesoorten terug en krijgen de echte bosplanten een kans. Op de arme zandgronden spelen deze problemen niet. Daar belemmert juist het gebrek aan voedingsstoffen de vestiging van bosplanten. In een voedselarm milieu is de activiteit van de bodemfauna namelijk gering. Het gevolg is een slechte omzetting en dus stapeling van bladstrooisel bovengronds, en een geleidelijke verarming en verzuring ondergronds: voor de meeste bosplanten geen optimale omstandigheden.

Aan de rand van een groot areaal
Bossen op leemgronden zijn zoals hierboven al werd opgemerkt verre van algemeen in Nederland. Afgezien van een paar bijzondere plekjes her en der in ons land zijn ze over wat grotere oppervlakten alleen te vinden op de lössgronden van Zuid-Limburg. In België en Duitsland (en ook verder in Midden-Europa) zijn bossen op leemgronden echter heel gewoon. Onze leemgronden liggen in feite aan de rand van een groot Midden-Europees areaal. De conclusie dat onze leembossen op Europese schaal niet zo veel voorstellen is echter wat al te kort door de bocht. Juist door hun ligging op de areaalrand hebben onze leembossen een eigen karakter en daarmee een bijzondere waarde.

Bloemrijke randen
Bossen op leemgronden hebben onder ongestoorde omstandigheden (dat wil zeggen als de druk vanuit de aangrenzende landbouwgebieden binnen de perken blijft) duidelijk gestructureerde randen met soorten- en bloemrijke mantel- en zoomgemeenschappen. Ook hierin verschillen ze sterk van de bossen op de arme zandgronden en – in mindere mate – ook van de bossen op klei. De bosranden op leem zijn in het algemeen beter ontwikkeld en rijker gestructureerd naarmate het substraat rijker is aan basen (met name kalk). Bovendien hebben de meeste bossen op leemgrond een voorgeschiedenis als hakhout, waardoor de plant- en diersoorten van de bosranden ook een vast maar dynamisch onderdeel van de boskernen werden.

KENSCHETS

Rijk bloeiende voorjaarsbossen
Veel bosplanten hebben wortelstokken, bollen of knollen. Dit stelt hen in staat om in het voorjaar snel uit te lopen, in bloei te komen, vrucht te zetten en weer reserves voor het volgend jaar op te bouwen. Op die manier profiteren ze maximaal van het tijdelijk hoge lichtaanbod op de bosbodem, tot het moment dat de bomen vol in blad zijn gekomen. Leembossen worden daarom – overigens net als de bossen op klei, maar anders dan de bossen op de arme zandgronden – van onder naar boven groen: eerst de kruiden en dan pas de houtige soorten. Omdat veel van de bosplanten op leembodem ook relatief grote, opvallende bloemen hebben (denk aan de Bosanemoon), kunnen de leembossen in het vroege voorjaar plotseling veranderen in een spectaculaire bloemenzee. Op het zand is het dan nog gewoon winter!

Grote verschillen in geologie
Het grootse areaal bossen op leemgronden in Nederland ligt in het Zuid-Limburgse heuvelland waar – buiten het stroomgebied van de Maas en de grotere beken – vrijwel overal een meer of minder dik pakket lössleem aan de oppervlakte ligt. Deze lössleem is niets anders dan een fijnkorrelige variant van dekzand. Dekzand is de naam voor het materiaal dat in de laatste ijstijd uit het noordwesten kwam aanwaaien en nu in de oostelijke helft van ons land de bovenste laag van de bodem vormt: meters dikke lagen zand. Het fijnste materiaal werd het verste meegevoerd en uiteindelijk als lössleem afgezet. Anders dan bijvoorbeeld in België is het overgangsgebied tussen de gewone dekzand- en de lössafzettingen erg smal en ligt globaal tussen Roermond en Sittard. Binnen het lössgebied vinden we – vaak op korte afstand – grote verschillen in bodemgesteldheid, die in een bos in de ondergroei tot uitdrukking komen. Deze hebben vooral te maken met de dikte van het lösspakket (relatief gering op de hellingen, dus daar waar verreweg de meeste bossen staan) en de aard van het onderliggende materiaal o.a. mergel uit de Krijt-periode (kalkrijk), vuursteen-eluvium (bijna volledig ontkalkte mergel), Tertiaire klei (vaak zeer kalkrijk), zandige en grindige terrasafzettingen uit het Pleistoceen (relatief arm en zuur). De bossen op ondiepe mergelbodems zijn – mede door hun rijkdom aan zeldzame orchideeënsoorten – zo afwijkend en waardevol dat zij als apart natuurbostype worden besproken (zie Kalkhellingbos).

Leemgronden buiten Zuid-Limburg
Ook buiten Zuid-Limburg zijn er in Nederland bosgebieden op leemgronden aanwezig. Een deel hiervan – de bossen op beeklemen – worden besproken bij Alluviale bossen. Een ander deel betreft lössige enclaves binnen het zandlandschap zoals die bijvoorbeeld te vinden zijn in oostelijk Noord-Brabant, maar ook hier en daar aan de lijzijde van de glaciale stuwwallen. Andere leemgronden hebben een geheel andere ontstaansgeschiedenis, maar vertonen in ecologisch opzicht toch overeenkomsten met de bossen in het heuvelland. De belangrijkste voorbeelden zijn de oude rivierleemgronden en de keileemgronden.
Rivierleemgronden liggen in de voormalige overstromingsvlakten van vlechtende rivieren uit het Pleistoceen (o.a. in Noord-Limburg en de Achterhoek). Keileemgronden zijn vooral te vinden op het Drents plateau en op de glaciale stuwwallen van Twente. Rivierleem is een humusarme en zeer slecht doorlatende waterafzetting, met – in vergelijking tot Holocene rivierklei – een relatief lutumarme bovengrond.
Keileem is een heterogeen mengsel van keien, grind, zand en leem en is ontstaan door verwering van de grondmorenes die werden achtergelaten door de gletsjers uit de voorlaatste ijstijd (Saalien). In de laatste ijstijd (Weichselien) werden de keilemen grotendeels overdekt met een pakket dekzand van wisselende dikte. De grens met de zandlandschappen is hier dan ook vaag. Globaal geldt echter dat bij dekzandpakketten dikker dan één meter, de keileem weinig invloed meer heeft op de bosontwikkeling.

Nat in de winter, droog in de zomer
Wanneer zich in een sterk geaccidenteerd landschap als het Zuid-Limburgse heuvelland onder het leempakket een laag van nog slechter doorlatend materiaal bevindt, wordt de hydrologie aanzienlijk gecompliceerder. In oude leembodems (en al onze leembodems zijn oud!) is in de loop der millennia heel geleidelijk een verplaatsing van kleideeltjes naar de ondergrond opgetreden. Het gevolg hiervan is dat zich op een diepte van enkele decimeters een laag van kleideeltjes kan bevinden (een zgn. briklaag). Deze briklaag is doorgaans niet waterdicht. Toch kan hier regenwater stagneren. Dit ‘schijngrondwater’ ontstaat vooral in het winterhalfjaar (verdamping laag). In de zomer is de verdamping is dan de neerslag. Vooral in hellingbossen kan er op een bepaald moment sprake zijn van een min of meer abrupt omslagpunt: het ‘schijngrondwater’ verdwijnt en de vochtvoorziening voor de vegetatie neemt vrij plotseling sterk af. Dit type grondwaterregime is de reden dat in de meeste bossen op leemgronden naast soorten van droge bossen ook vaak enige vocht- en storingsindicatoren aanwezig zijn.

Echte bronnen …
Een briklaag als geheel is verre van waterdicht en voorkomt niet dat regenwater door een leembodem infiltreert. Uiteindelijk infiltreert het water door het hele Zuid-Limburgse leempakket – en in het zuiden van het heuvelland ook door de onderliggende mergel – om op een dieper gelegen (klei)laag ‘werkelijk’ te stagneren. Ligt de bovenkant van deze laatste stagnerende laag hoger dan de daldiepte, dan zal door horizontale afstroming het water ergens op de helling uittreden. Gevolg: een bronzone, waarin de grondwaterkwaliteit vooral bepaald wordt door de chemische eigenschappen van zowel de stagnerende laag als de pakketten waardoor het materiaal geïnfiltreerd is. In het Limburgse heuvelland betekent dit doorgaans dat het bronwater basenrijk is, in het noordelijk deel dankzij de stagnerende laag van tertiaire klei, in het zuiden dankzij de infiltratie door het mergelpakket. De vochtvoorziening van deze bronzones is veel stabieler dan die van de hierboven genoemde plekken met ‘schijngrondwater’. Hoe stabiel, hangt af van verschillende factoren zoals de dikte van het bovenliggende pakket en de grootte van het inzijggebied.

… en schijnbare bronnen
Ook in keileembossen kunnen zich lage plekken bevinden waarin de vegetatie lijkt te duiden op kwelinvloeden. Zeker in de reliëfrijke wereld van de glaciale stuwwallen kan dat ook het geval zijn, met dien verstande dat hier het water door zandige lagen infiltreert om vervolgens op de keileem te stagneren en halverwege de helling uit te treden. Maar niet alle bronvegetaties op keileem zijn werkelijk bronnen. In verschillende oude bossen in Twente treffen wij natte laagten aan waar relatief basenrijke keileem verborgen ligt onder een dun pakket arm dekzand. Het regenwater infiltreert door het zand, wordt aangerijkt door het keileem en komt bij hoge grondwaterstanden aan de oppervlakte. Ook waar de keileem zich buiten de wortelzone van bomen en ondergroei bevindt, kan dan een vegetatie ontstaan die lijkt te duiden op kwel, maar in feite zo’n lokaal grondwater¬systeem indiceert.

Plantengemeenschappen
De leemgronden zijn bovenal het domein van de Eiken-Haagbeukenbossen (Carpinion betulae). In Nederland wordt binnen dit verbond slechts één associatie onderscheiden: het Stellario-Carpinetum. Typisch voor deze associatie zijn Aardbeiganzerik, Kleine maagdenpalm, Eenbloemig parelgras, Boszegge en Donkersporig bosviooltje. De hegemonie van de Eiken-Haagbeukenbossen wordt alleen doorbroken door

Doeltypen en habitattypen
Alle Carpinion-bossen worden gerekend tot habitattype 9160, het Luzulo-Fagetum tot habitattype 9110. De Fago-Quercetum-bossen zijn opgenomen in de lijst van de Habitatrichtlijn (type 9120), maar alleen indien het bossen van vóór 1850 betreft. Dit is op de leemgronden en vooral in Zuid-Limburg veelal het geval. Romp¬gemeenschappen van het Quercion vallen echter niet onder de habitatrichtlijn.
De indeling van de bossen op ondiepe kalkbodem als natuurdoeltype is iets ingewikkelder. Het Handboek Natuurdoeltypen maakt namelijk een onderscheid in

Zoals hierboven al werd opgemerkt, is echter in het grootste deel van het Zuid-Limburgse middenbos-areaal de afgelopen decennia een ontwikkeling gaande van hakhout (met overstaanders; type 3.58) naar opgaand bos (type 3.68).
Overigens is de in het Handboek gegeven kenschets van opgaand bos (‘de boomlaag bestaat vooral uit beuken’) onjuist en misleidend. Als belangrijkste boomsoorten treffen wij hier vooral Gewone es, Zomereik, Zoete kers en – in toenemende mate – Gewone esdoorn aan; Beuk speelt doorgaans alleen in de schrale zone langs de plateauranden een bescheiden rol (zie ook Kalkhellingbos). De bossen op leemgronden buiten het heuvelland vormen de voedselrijkere variant van Natuurdoeltype 3.65 (Eiken- en Beukenbos van lemige zandgronden). Hier is de beuk weliswaar belangrijker dan in het heuvelland, maar wordt hij in zijn voorkomen beperkt door zijn onvermogen te groeien onder sterk wisselende vochtomstandigheden.

Karakteristieke zonering
Binnen de Eiken-Haagbeukenbossen van de leemgronden wordt in Nederland een zestal subassociaties onderscheiden. De belangrijkste hiervan zijn in volgorde van toenemende voedsel- en kalkrijkdom:

In het veld liggen deze typen vaak in één gradient waarbij het oxalidetosum aan de arme kant aansluit op het Beuken-Eikenbos. Het fraaist ontwikkeld is deze gradiënt te zien in de Zuid-Limburgse hellingbossen, waar de armste zone met Beuken-Eikenbos (Fago-Quercetum) vlak onder de plateaurand ligt en via een zone met opvallend veel Witte klaverzuring en Bosanemoon (het oxalidetosum) overgaat in een zeer soorten- en bloemrijke wereld met o.a. veel Slanke sleutelbloem, Eenbes en Aronskelk. Daaronder, op het colluvium, ligt dan weer de zone met Daslook, Gele anemoon en veel Bosbingelkruid (het allietosum). Waar aaneengesloten Daslook-velden de helling op lijken te kruipen, hebben we doorgaans met een ‘tong’ van los, colluviumachtig helling¬materiaal van doen.
Ook op de leembodems buiten Zuid-Limburg kunnen we een dergelijke zonering van bostypen terugvinden, al is daar aan de rijke kant de typische subassociatie (typicum) het hoogst haalbare. Mooie voorbeelden liggen bijvoorbeeld in Drentse bossen waar de keileem met een dekzandlaag van variabele dikte is afgedekt. Hoe dunner de afdeklaag, des te rijker de bosbodem.

Ook fauna gebaat bij variatie in milieu
De fauna is doorgaans minder specifiek aan de bostypen en hellingbossen gebonden dan de plantensoorten. Voor veel diersoorten is juist de variatie milieutypen van belang. Het kan daarbij gaan om afwisseling binnen het bos, maar ook – op een ander schaalniveau – om de afwisseling binnen het landschap. Deze afwisseling maakt de hellingbossen van Zuid-Limburg geschikt voor alle levensstadia van de zeldzame Vuursalamander. De even zeldzame Geelbuikvuurpad is alleen afhankelijk van de hellingbossen om de winter door te komen. Vleermuizen gebruiken de bossen juist weer ’s zomers om in te foerageren. Afwisseling binnen het bos heeft – voor wat de fauna betreft – vooral te maken met de aanwezigheid van oudere bomen en van variatie in de bosstructuur en daarmee van het microklimaat op de bosbodem. Soorten die profiteren van de aanwezigheid van oude bomen zijn bijvoorbeeld holtebewoners als de Boommarter en verschillende vleermuissoorten. Insectensoorten als het Vliegend hert zijn afhankelijk van de aanwezigheid van dood (eiken)hout. Soorten die afhankelijk zijn van een open bosstructuur en een warm microklimaat zijn bijvoorbeeld de Eikel- en Hazelmuis, die voorkomen in zonbeschenen ruigten en struweel, maar ook bedreigde dagvlinders van bosranden als Keizersmantel, Grote weerschijnvlinder en Bosparelmoervlinder. Juist de groep van warmte- en lichtminnende diersoorten is in het heuvelland – in feite net als bij de planten het geval is – sterk achteruitgegaan door het staken van het aloude middenbosbeheer (zie ook Kalkhellingbos en Middenbos).

Met bijdrage van: 
Patrick Hommel

Literatuur

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website