Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Haagbeuken- en essenbos (N14.03) / Kalkhellingbos

Kalkhellingbos

Leeswijzer:
Deze tekst heeft alleen betrekking op bossen op ondiepe kalkbodem. Die zijn in ons land beperkt tot Zuid-Limburg, waar zij voorkomen als onderdeel van een complexe hellinggradiënt. De boven- en onderliggende bostypen worden op deze website behandeld bij het natuurbostype Bossen op op oude klei en leembodem. Vrijwel al deze bossen hebben – ongeacht hun plaats binnen de hellinggradiënt – een verleden als middenbos of hakhout, maar worden al sinds vele decennia niet meer als zodanig beheerd. De bossen die wel nog of weer actief als middenbos of hakhout beheerd worden, worden behandeld onder het cultuurhistorische bostype Middenbos.

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Een stukje Midden-Europa in Nederland
Bossen vol orchideeën
Bijzondere fauna

KENSCHETS
Landschappelijke positie
Ontstaan uit hakhout…
… of uit kalkgrasland
Ook als opgaand bos bijzonder
Plantengemeenschappen
Habitattype en natuurdoeltype
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Een stukje Midden-Europa in Nederland
Bossen op kalkhellingen herbergen een rijke flora en fauna met vele voor ons land zeldzame soorten. Dit type natuurbos komt in ons land namelijk alleen voor in het zuidelijk deel van het Zuid-Limburgse heuvelland en bedekt daar slechts een heel beperkte oppervlakte. In feite vormen de Zuid-Limburgse kalkbossen een voorpost van een veel groter Midden-Europees areaal. Dat maakt ze echter niet minder waardevol. Integendeel! Zowel wat betreft het klimaat (nog niet echt continentaal) als wat betreft de geologie (zachte kalksteen) zijn de Zuid-Limburgse kalkbossen atypisch ten opzichte van vergelijkbare bossen in Midden Europa. Daardoor wijken zij ook in soortensamenstelling af van hun buitenlandse tegenhangers. De Limburgse kalkbossen zijn daarom niet alleen op nationale schaal maar ook internationaal gezien van grote betekenis.

Bossen vol orchideeën
Geen bostype in ons land is zo uitgesproken rijk aan orchideeënsoorten als de helling¬bossen op ondiepe kalkbodem. Het merendeel van deze soorten is – althans binnen de groep van bossen – geheel of vrijwel geheel tot dit bostype beperkt: Purperorchis, Mannetjesorchis, Vliegenorchis, Bleek bosvogeltje, Bergnachtorchis en Vogelnestje. De Grote keverorchis komt weliswaar ook in andere bostypen regelmatig voor, onder andere in bossen op rivierklei, maar bereikt nergens zulke opvallend hoge dichtheden als juist in de Zuid-Limburgse kalkbossen, waar zij op sommige plekken zelfs de ondergroei kan domineren. De botanische waarde van de kalkhellingen wordt echter niet alleen bepaald door de opvallende rijkdom aan – veelal lichtminnende – orchideeënsoorten. Ook vrijwel alle typische bossoorten die kenmerkend zijn voor de aangrenzende hellingzones met een diepere leembodem (zie Bossen op oude klei en leembodem) kunnen hier worden aangetroffen. Hieronder zijn veel opvallende voorjaarsbloeiers zoals Bosanemoon, Gele anemoon, Slanke sleutelbloem en Gulden boterbloem, maar ook minder uitbundig bloeiende soorten als Eenbes, Bosbingelkruid en Muskuskruid. Voorbeelden van de talrijke min of meer schaduwtolerante soorten die in enige mate gebonden zijn aan de hellingzone met ondiepe kalkbodem zijn bijzonderheden als Heelkruid, Zwarte gifbes, Ruig viooltje, Wilde akelei en Vingerzegge (zie Ook als opgaand bos bijzonder). Op plekken met een rijke bosflora komen bovendien ook verschillende zeldzame, kalkgebonden paddenstoelen voor (o.a. Grote aderbekerzwam en Groenwordende koraalzwam). Zo behoort de om zijn voorjaarsflora en orchideeën befaamde Schaelsberg ook in mycologisch opzicht tot de absolute toplocaties van ons land. De bosbodem daarentegen is – anders dan de diepere lössbodems en met name de grubben en holle wegen van het heuvelland – betrekkelijk arm aan bodembewonende mossoorten. De bryologische waarde van de kalkhellingen wordt vooral bepaald door de plaatselijk in het bos aanwezige (half)beschaduwde mergelwanden en mergelblokken.

Bijzondere fauna
De hellingbossen van het Zuid-Limburgse heuvelland zijn voor ook voor veel groepen diersoorten van bijzondere betekenis. Grotere en mobiele soorten – met name zoogdieren en vogels – kunnen doorgaans niet aan één specifieke hellingzone gekoppeld worden, omdat zij vaak afhankelijk zijn van het omringende landschap. Zij vinden in de bossen vooral hun foerageergebied en broedgelegenheid of, in het geval van vleermuizen, hun zomerverblijf. Voor veel kleinere dieren ligt dit zeker anders, al is voor veel taxonomische groepen nog weinig systematische kennis voorhanden over de verspreiding over de verschillende hellingbosbiotopen. Evident is de relatie tussen kalkhellingen en huisjesslakken, vanwege hun hoge kalkbehoefte. Verschillende slakkensoorten zijn in ons land strikt gebonden aan bosbodems op ondiepe kalksteen. Ook kleine zoogdieren als Hazelmuis en Eikelmuis komen alleen voor in hellingbossen en aangrenzende houtwallen. Het Vliegend hert is kenmerkend voor bossen met dood, deels ondergronds eikenhout. Kijken wij naar de relatief goed bekende groep van de vlinders, dan blijken van de zeldzame (en verdwenen) soorten die gebonden zijn aan boslandschappen in het heuvelland, de meeste kenmerkend te zijn (geweest) voor juist de kalkrijke hellingen. Voorbeelden zijn Keizersmantel, Grote vos en Grote weerschijnvlinder onder de dagvlinders en de Bosrankvlinder onder de nachtvlinders. Geen van deze soorten gedijt echter in gesloten, opgaand bos. Het zijn juist de open plekken, bosranden en dergelijke die de waarde van de kalkrijke hellingbossen voor dag- en nachtvlinders bepalen (zie Middenbos).

KENSCHETS

Landschappelijke positie
Bossen op ondiepe kalkbodems zijn beperkt tot het zuidelijk deel van het Zuid-Limburgse heuvelland. Waar zij voorkomen bedekken zij niet de hele helling, maar zijn ze beperkt tot een vaak smalle zone waarin de kalksteen (mergel) dagzoomt of slechts door een dun pakket lössig hellingmateriaal is bedekt (maximaal 50 à 60 cm). Aan de bovenrand wordt deze zone begrensd door diepere lössbodems, aan de onderrand veelal door een zone met een bewortelbare bodem van verspoeld hellingmateriaal (colluvium). De verschillende, door geologie en erosie bepaalde zones van de Zuid-Limburgse hellingbossen hebben elk hun eigen bostype (zie Bossen van oude klei en leembodem). Binnen deze karakteristieke zonering van hellingbostypen nemen de bossen van de ondiepe kalkgronden een bijzondere positie in.
 

Een helling waarop kalkhellingbos kan voorkomen: de kalksteilrand, direct boven de colluviumwaaier, is de plek waar kalksteen (mergel) aan de oppervlakte ligt. Ook de zone direct erboven kan geschikt kalkhellingbos bevatten als de kalksteen niet dieper ligt dan 50 à 60 cm. Naar Bobbink e.a. 2008.

Ontstaan uit hakhout…
De Zuid-Limburgse hellingbossen – waaronder de zones met ondiepe kalkbodem – zijn voor een belangrijk deel al erg oud. Ze werden eeuwenlang beheerd als middenbos, dat wil zeggen als hakhout met overstaanders, een bosbouwkundig systeem dat tot voor kort in grote delen van Europa (maar niet in ons land!) heel gangbaar was. Op de meeste plekken in Zuid-Limburg werd deze beheervorm echter al vóór de Tweede Wereldoorlog opgegeven en volgden decennia van ‘nietsdoenbeheer’. Meer nog dan voor de andere hellingzones geldt voor de hellingbossen op ondiepe kalkgrond dat een aanzienlijk deel van de bosflora in feite een relict is uit de tijd dat het bos periodiek en zeer ingrijpend werd opengekapt. Vooral de zeldzame orchideeënsoorten als Purperorchis, Mannetjesorchis, Vliegenorchis en Bleek bosvogeltje zijn afhankelijk van periodieke lichtstelling en verdwijnen bij langdurige sluiting van het kronendak. Om dergelijke soorten te behouden zijn recent, vooral in de omgeving van Oud-Valkenburg (Schaelsberg, Oombos), beheerexperimenten gedaan waarbij lokaal het aloude middenbosbeheer in ere is hersteld (zie Middenbos).

… of uit kalkgrasland
Een klein deel van de huidige hellingbossen is voor zover bekend nooit als middenbos beheerd. Het gaat hierbij om bosaanplant of spontane bosopslag op voormalige schrale, vaak door schapen begraasde hellinggraslanden. Net als de heidevelden van de arme zandgronden verloren veel van deze graslanden rond de voorlaatste eeuwwisseling hun betekenis voor de agrarische bedrijfsvoering. De betekenis van schapenmest was door de uitvinding en brede toepassing van kunstmest sterk afgenomen en wol kon goedkoper van elders worden aangevoerd. In de eerste helft van de vorige eeuw zijn veel hellinggraslanden om die reden verdwenen. Hoewel op de zone met een ondiepe kalkbodem zeker veel van de hierboven genoemde karakteristieke soorten zullen hebben gegroeid (o.a. Purperorchis, Mannetjesorchis en Vliegenorchis) is daar in de huidige jonge hellingbossen doorgaans niets van terug te vinden. Ook hebben veel echte bossoorten de weg naar het jonge bos nog niet weten te vinden.

Ook als opgaand bos bijzonder
Ook wanneer in de oudere hellingboscomplexen – met hun verleden als middenbos – de meeste hakhoutsoorten verdwenen zijn door langdurige beschaduwing en gebrek aan verstoring, blijven de plekken met een ondiepe kalkbodem goed herkenbaar. Zeker als de bodem erg ondiep is en de helling op het zuiden gericht, blijft de boomlaag vaak relatief laag en open. Een soort die hier duidelijk van profiteert is de Bosrank die op de kalkhellingen veel prominenter aanwezig is dan in de hellingboszones op diepere (löss)bodem. Andere karakteristieke soorten die wijzen op een ondiepe kalkbodem en na kap langdurig aanwezig kunnen blijven, zijn onder andere Wilde liguster, Ruig Viooltje, Vingerzegge, Geelgroene zegge, Wilde akelei, Muursla en Muurhavikskruid. Soorten als Bosroos, Ruig klokje, Heelkruid en Zwarte gifbes komen weliswaar in de aangrenzende boszones sporadisch voor, maar hebben wel een duidelijke voorkeur voor ondiepe kalkbodems. Zelfs algemene hellingbossoorten als Grote keverorchis, Blauwsporig bosviooltje en Eenbes hebben hier hun optimum. Naarmate het bos ouder wordt nemen ook de kansen voor holtebewoners toe, zoals vleermuizen en de recent verschenen Middelste bonte specht.

Plantengemeenschappen

Habitattype en natuurdoeltype
Alle Eiken-Haagbeukenbossen (Carpinion betuli) van het Zuid-Limburgse heuvelland vallen onder habitattype 9160: sub-atlantische en midden-Europee wintereikenbossen of eiken-haagbeukenbossen van het Carpinion betuli. De indeling van de bossen op ondiepe kalkbodem als natuurdoeltype is iets ingewikkelder. Het Handboek Natuurdoeltypen maakt namelijk een onderscheid tussen

Zoals hierboven al werd opgemerkt is echter in het grootste deel van het Zuid-Limburgse middenbosareaal de afgelopen decennia een ontwikkeling gaande van hakhout (met overstaanders) naar opgaand bos. Overigens is de in het Handboek gegeven kenschets van dit opgaande bos (‘de boomlaag bestaat vooral uit beuken’) onjuist en misleidend. Als belangrijkste boomsoorten treffen wij hier vooral Gewone es, Zomereik, Zoete kers en – in toenemende mate ook – Gewone esdoorn aan (zie ook Bossen op oude klei en leembodem).

Met bijdrage van:
Patrick Hommel

Literatuur

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website