Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Hoog- en laagveenbos (N14.02) / Veenbos

Veenbos

Inhoud van deze pagina :

BETEKENIS
Het Veenbos-areaal is toegenomen
Afwisseling met open water, moeras of hoogveen belangrijk
Getuigenis van turfwinning
Veenbodem vormt natuurlijk archief
KENSCHETS
Laag bos met constant hoog waterpeil
Veenbos groeit op hoogveenranden en kraggen
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Veenmossen, cypergrassen en paddenstoelen kenmerkend
Fauna profiteert van afwisseling
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS


Het Veenbos-areaal is toegenomen
Veenbos is in Nederland te vinden in laagveenmoerassen, hoogveengebieden, langs venranden en op heel beperkte schaal ook in geïsoleerde delen van beekdalen. Het merendeel van het veenbos is spontaan en vrij jong en kent geen actief bosbeheer. De standplaatsen zijn meestal door toedoen van de mens ontstaan. Het veenbos-areaal is de afgelopen 50 jaar sterk toegenomen, met name in het laagveengebied, en beslaat inmiddels enkele duizenden hectaren. Het veenbos van laagveengebieden is buiten Nederland zeldzaam. Het zwaartepunt van de verspreiding van veenbos van hoogveengebieden ligt echter buiten ons land.

Afwisseling met open water, moeras of hoogveen belangrijk
De ecologische waardering van veenbos hangt samen met haar plek in het landschap. Zo is aanwezigheid van veenbos in de kern van een hoogveengebied in veel gevallen het gevolg van verdroging. Herstel van een open kern van levend hoogveen in combinatie met veenbos in de randzone is dan te prefereren boven behoud van veenbos in de kern. In veenbos komen diverse hoogveen- en moerasplanten voor, waaronder enkele zeldzame soorten zoals Rijsbes (Vaccinium uliginosum), Kleine veenbes (Oxycoccus palustris), Lavendelhei (Andromeda polifolia), Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum) en Kamvaren (Dryopteris cristata). De meeste soorten hogere planten en mossen zijn echter algemener in open moeras of hoogveen. Dit geldt niet voor het grote aantal voor veenbos specifieke paddenstoelen. Voor de fauna heeft het veenbos grote waarde in zijn landschappelijke samenhang en de afwisseling met open water, moeras of hoogveen. Die afwisseling leidt onder andere tot een grote diversiteit aan moeras- en bosvogels en insecten. De ecologische betekenis van het veenbos zelf zal naar verwachting aanzienlijk toenemen naarmate de nu nog jonge veenbossen ouder worden. De weinige voorbeelden van oudere veenbossen die we hebben laten al een toename van zeldzame plantensoorten van hoogveenmilieus zien. De grote internationale zeldzaamheid van veenbossen in laagveensystemen maakt dat Nederland een grote verantwoordelijkheid heeft voor dit bostype.

Getuigenis van turfwinning
In de meeste hoog- en laagveengebieden is in het verleden veen afgegraven voor de winning van turf als brandstof. Veel laagveengebieden hebben hierdoor een kenmerkend lijnvormig patroon van elkaar afwisselende uitgebaggerde petgaten en opgehoogde legakkers. Ook in hoogveengebieden wisselen door turfwinning ontstane veenputten en veendijkjes elkaar soms af. Veel petgaten, legakkers, veenputten en veendijkjes zijn tegenwoordig met verschillende typen veenbos begroeid. Ze vormen een kenmerkend landschapspatroon met grote cultuurhistorische waarde. Door met die patronen rekening te houden bij grootschalige natuurontwikkelings- en herstelprojecten is verlies van cultuurhistorische waarde te voorkomen.

Veenbodem vormt natuurlijk archief
Oude, intact gebleven delen van veenbodems - dwz niet vergraven en/of verdroogde en veraarde delen - zijn van grote betekenis als natuurlijk archief. Resten van planten en dieren blijven in niet verdroogd en veraard veen goed bewaard en vormen een schatkamer aan informatie over de landschapsgeschiedenis van de omgeving. Natuurontwikkelingsprojecten op veenbodem, waarbij vaak door afgraving getracht wordt jonge successiestadia te hestellen, kunnen een bedreiging vormen voor zulke bodemarchieven. Door dan niet het héle gebied in een cyclisch ontgrondingsbeheer op te nemen en representatieve delen van het bodemarchief te bewaren is het verlies van historische informatie te voorkomen.

KENSCHETS


Laag bos met constant hoog waterpeil
Veenbos bestaat uit laagblijvend bos dat gedomineerd wordt door Zachte berk (Betula pubescens) of Zwarte els (Alnus glutinosa). Het komt voor op plaatsen met een constant hoog waterpeil. Kenmerkend voor veenbossen - zoals bedoeld in deze tekst - is het relatief voedselarme en zure milieu. De kwaliteit van het grondwater wordt vooral bepaald door regenwater. In de ondergroei komt dit duidelijk tot uitdrukking: veenmossen treden sterk op de voorgrond.
Veenbos lijkt veel op een ander type van natuurbos: zie natuurtype Broekbos. In broekbos groeit echter nauwelijks veenmos. In broekbossen is het waterpeil ook constant hoog, maar het milieu is in vergelijking met veenbossen relatief voedselrijk en minder zuur. De kwaliteit van het grondwater in broekbossen wordt verder vooral bepaald door kwel en/of overstromingen met oppervlaktewater en in de vegetatie vinden we opvallend veel grote zeggesoorten en hoog opschietende soorten van moerasruigten zoals Gele lis (Iris pseudacorus) en Grote kattestaart (Lythrum salicaria). Overigens worden beide typen natuurbos - veenbossen en broekbossen - veelal samengenomen onder de noemer ‘broekbos' en komen in de praktijk ook veel overgangen voor.

In veenbossen is instandhoudingsbeheer niet noodzakelijk. Cruciaal voor de ecologie van veenbossen is ‘optimalisering' of voor veenbos geschikter maken van de waterhuishouding, zowel aangaande de waterstanden als de waterkwaliteit. De juiste hydrologische condities zijn niet alleen bepalend voor een goede ontwikkeling van bestaand veenbos, maar doorslaggevend voor het slagen van de ontwikkeling van nieuwe veenbossen. De concrete abiotische randvoorwaarden zijn afhankelijk van het landschap waarvan een veenbos deel uitmaakt. Overigens geldt in de meeste gevallen wel dat in veenbossen nauwelijks ‘eigen' plantensoorten voorkomen. In boomloze of ‘korte' begroeiingen die voorkomen op venige en andere standplaatsen waar veenbossen kunnen groeien, vinden wij veelal dezelfde en meer soorten. Natuurontwikkeling van nieuw veenbos is vooral van belang met het oog op verhoging van landschappelijke diversiteit en minder ten behoeve van behoud van soorten.


Veenbos groeit op hoogveenranden en kraggen
Van nature komt veenbos voor in de rand- en overgangsgebieden van hoogveen en vennen naar hogere zandgronden en in bepaalde verlandingsstadia van ondiepe meren en plassen in het laagveengebied. Veenmos in beekdalen is erg zeldzaam en beperkt tot geïsoleerde laagten. Het waterpeil staat het gehele jaar door aan of vlak onder maaiveld. De bodem bestaat uit veen: een opeenhoping van slecht afgebroken organisch materiaal. In ongestoorde hoogveengebieden vormt de waterhuishouding een gesloten door regenwater gevoed systeem. Veenvorming vindt hier plaats onder zure, voedselarme omstandigheden en wordt gedomineerd door veenmossen. Bij laagveenontwikkeling in ondiepe meren en plassen is sprake van een open hydrologisch systeem met aan- en afvoer van oppervlaktewater. Soms is ook sprake van kwelinvloed. De omstandigheden zijn hier matig voedselrijk. De bodem bestaat voornamelijk uit drijvende vegetatiematten: kraggen. Door de drijvende bodem staat het water voortdurend aan of net onder maaiveld. De kraggen groeien in dikte, wat leidt tot hydrologische isolatie. De regenwaterinvloed neemt toe, veenmossen gaan domineren en het laagveenbroekbos verandert geleidelijk in een veenbos. Deze ontwikkeling gaat sneller wanneer het oppervlaktewater zwak brak is. Van echte hoogveenvorming kan in het laagveengebied echter maar zelden gesproken worden. Er blijft vrijwel altijd sprake van enige kwel- en/of oppervlaktewaterinvloed, of van verdroging, doordat de kragge vast komt te liggen en dus niet meer met de waterstandsfluctuatie op en neer gaat. Meestal vestigt Zwarte els (Alnus glutinosa) zich in een vroeg stadium op de kraggen en blijft deze boomsoort lange tijd aanwezig terwijl de ondergroei zich aan zuurdere omstandigheden aanpast. Veel veenbos heeft zich na het staken van maaibeheer ontwikkeld als elzenbos op voormalig rietland of als berkenbos in voormalig veenmosrietland.

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met de term veenbos worden hier alle bostypen bedoeld die in het boek ‘Vegetatie van Nederland' ingedeeld worden bij de klasse der Berkenbroekbossen (40), alsmede een beperkt deel van de klasse der Elzenbroekbossen (39): de subassociatie van Zompzegge van het Elzenzegge-Elzenbroek (39Aa2e) en de gelijknamige subassociatie van het Moerasvaren-Elzenbroek (39Aa1b).

Goed ontwikkeld veenbos behoort in hoogveengebieden tot de associatie Dophei-Berkenbroek (40Aa1). Bij verdroging wordt Pijpenstrootje (Molinea caerulea) meestal dominant en ontwikkelt zich eerst de Pijpenstrootje-rompgemeenschap van het berkenbroekbos (40Aa R2) en vervolgens de associatie Berken-Eikenbos (42Aa1). Aan randen van hoogveengebieden en vennen komt op de overgang naar een door grondwater gevoed hydrologisch systeem de Wilde gagel-rompgemeenschap van het berkenbroekbos (40Aa R1) voor. Ook een zekere aanrijking vanuit een naburige meeuwenkolonie (o.i.d.) kan tot het ontstaan van berkenbroekbossen met Wilde gagel (Myrica gale) leiden.

In laagveenterreinen ontwikkelt zich onder goede condities de associatie Moerasvaren-Elzenbroek (39Aa1) waarvan de jongere stadia (met weinig of geen veenmos) hier tot het natuurbostype ‘broekbos' gerekend worden en de oudere stadia (met veel veenmos) tot het ‘veenbos'. Bij zuurdere en voedselarmere omstandigheden ontwikkelt zich hier normaal gesproken uiteindelijk de associatie Zompzegge-Berkenbroek (40Aa2).

Op oudere kraggen die beïnvloed worden door kwel ontwikkelt zich soms de voor beekdalen kenmerkende broekbos-associatie Elzenzegge-Elzenbroek (39Aa2). Dergelijke bijzondere situaties worden hier echter niet tot de veenbossen gerekend. Hetzelfde geldt voor de buitenrand van jonge kraggen waar sprake is van meer overstromingsdynamiek, vaak dominantie van grote zeggen optreedt en zich de Moeraszegge-rompgemeenschap van het Elzenverbond (39Aa R3) kan ontwikkelen.

Op licht verdroogde geïsoleerde kraggen kan de uitheemse struik Zwarte appelbes (Aronia x prunifolia) zich vestigen en snel uitbreiden, waardoor de Zwarte appelbes-derivaatgemeenschap (40Aa D1) van het Berkenbroekbos ontstaat. Bij verdere verdroging verbraamt de vegetatie tot de Gewone braam-rompgemeenschap van het Berkenbroekbos (40Aa R3).

Op aan de ondergrond vastgegroeide kraggen ontwikkelt zich bij steeds verdergaande verdroging en eutrofiëring achtereenvolgens dominantie van Hennegras (Calamagrostis canescens), Gewone braam (Rubus fruticosus) en soms Grote brandnetel (Urtica dioica). Er ontwikkelen zich dan de rompgemeenschappen met Hennegras (39Aa R1), Braam (39Aa R2) en Brandnetel (39Aa R4) van het Elzenverbond.
Het natuurtype Veenbos valt bij de habitatrichtlijn onder Veenbossen (H91D0) en bij de natuurdoeltypen onder Hoogveenbos (3.63) en subtype a van Laagveenbos (3.62a).

Veenmossen, cypergrassen en paddenstoelen kenmerkend
De ondergroei van goed ontwikkeld veenbos wordt gekenmerkt door aanwezigheid van diverse soorten veenmossen en cypergrasachtigen. In hoogveengebieden zijn plantensoorten zoals Fraai en Gewimperd veenmos (Sphagnum fallax en S. fimbriatum), Gewone dophei (Erica tetralix), Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Kleine veenbes (Oxycoccus palustris) karakteristiek. Drogere delen bevatten veel Pijpenstrootje (Molinea caerulea) en dwergstruiken zoals Rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea) en soms Rijsbes (Vaccinium uliginosum). In het laagveen nemen Gewimperd veenmos, Haakveenmos (Sphagnum squarrosum), Oeverzegge (Carex riparia), Riet (Phragmites australis), Moerasstruisgras (Agrostis canina) en Melkeppe (Peucedanum palustre) een belangrijke plaats in de ondergroei van goed ontwikkeld veenbos in. Veenbos bevat een groot aantal specifieke paddenstoelsoorten, waaronder zeldzame soorten zoals de Witte berkenboleet (Leccinum niveum), de Veenmosgordijnzwam (Cortinarius tubarius) en het Elzenmosklokje (Galerina heimansii). Een aantal van de paddenstoelsoorten van het veenbos zijn soorten die karakteristiek zijn voor bossen. In het algemeen geldt echter dat de plantensoorten die wij in de veenbossen kunnen aantreffen niet specifiek aan het bosmilieu gebonden zijn.

Fauna profiteert van afwisseling
Veenbossen hebben vooral een landschappelijke en faunistische waarde. Veel zeldzame en minder zeldzame diersoorten profiteren van veenbos als onderdeel van een grotendeels open moeras- of hoogveengebied. Vogels als Grauwe klauwier (Lanius collurio), Klapekster (Lanius excubitor), Aalscholver (Phalacrocorax carbo), Purperreiger (Ardea purpurea), Roodborsttapuit (Saxicola rubicola), Blauwborst (Luscinia svecica), Paapje (Saxicola rubetra), Bosrietzanger (Acrocephalus palustris), Rietgors (Emberiza schoeniclus), Grasmus (Sylvia communis), IJsvogel (Alcedo atthis), Wielewaal (Oriolus oriolus) en Boompieper (Anthus trivialis) gebruiken het veenbos bijvoorbeeld als zangpunt, uitkijkpost of nestgelegenheid. Ook veel insectensoorten hebben baat bij afwisseling van veenbos met open terrein.

Met bijdragen van:
Robbert Wolf, 24.08.2006; Patrick Hommel & Rein de Waal, 25.04.2007; Patrick Hommel, november 2010.


Literatuur:
Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal & F.J. van Zadelhoff  2001. Handboek Natuurdoeltypen. Expertisecenturm LNV, Wageningen.

Stortelder, A.H.F., P.W.F.M. Hommel, R.W. de Waal, K.W. van Dort, J.G. Vrielink & R.J.A.M. Wolf 1998. Broekbossen, Bosecosystemen van Nederland deel 1. KNNV, Utrecht.

Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel 1999. De Vegetatie van Nederland 5, ruigten, struwelen, bossen. Opulus, Uppsala.

Waal, R.W. de & P.W.F.M. Hommel 2005. Abiotische typering van bostypen in Nederland. Vochtregime, zuurgraad, voedselrijkdom en humusvorm. Alterra-rapport 1258. Alterra, Wageningen.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland deel 4, Bossen, struwelen en ruigten. KNNV, Utrecht.

Wolf, R.J.A.M. 1992. Ontstaansgeschiedenis en beheer van de Nederlandse elzen- en berkenbroekbossen. Dorschkamprapport 680, Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Inrichting | Herstelbeheer en inrichting |

 

Zoek via Natuurportal:kennis delen met Groen Kennisnet
help
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website