Pad: Natuurtypen / Vochtige bossen (N14) / Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) / Broekbos

Broekbos

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Broekbos staat onder invloed van basenhoudend kwel- of oppervlaktewater
Oppervlakte en kwaliteit broekbossen is afgenomen
Grote variatie en hoge biodiversiteit
Hakhout is kenmerkend onderdeel van beekdallandschap
Veenlagen als natuurlijk archief

KENSCHETS
Opgaand nat elzenbos
Variatie in beekdalbroekbossen: plantengemeenschappen
Habitattype en natuurdoeltype
Moerasplanten, bronsoorten en paddenstoelen kenmerkend
Rijke gevarieerde fauna
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Broekbos staat onder invloed van basenhoudend kwel- of oppervlaktewater
Een belangrijk kenmerk van broekbossen is dat het er nat is. De grondwaterstand is hoog, daalt weinig onder het bodemoppervlak, bevindt zich 's winters en in het voorjaar vaak boven het bodemoppervlak en de luchtvochtigheid is er hoog. De meeste Nederlandse broekbossen zijn te vinden in beekdalen en kwelzones op zandgronden, in hoogvenen en in laagvenen. Broekbos in ruimere zin omvat berkenbroekbossen, elzenbroekbossen en bronbossen. Onder de noemer broekbossen (in striktere zin) komen hier de elzenbroekbossen (Alnetea glutinosae; Klasse 39) aan bod, die onder invloed staan van basenhoudend grond- of oppervlaktewater.

De relatief zure en voedselarme berkenbroekbossen, waar regenwaterinvloed overheerst, geen of nauwelijks invloed van basenhoudend kwel- of oppervlaktewater is en veenmossen sterk op de voorgrond treden, worden besproken onder het natuurtype Veenbos'.

Oppervlakte en kwaliteit broekbossen is afgenomen
Elzenbroekbossen hadden in het verleden een grote omvang in brede beekoverstromingsvlakten, door verlanding dichtgegroeide meanders van beken en rivieren en in grote mesotrofe moerassen, laagvenen dus. Deze broekbossen werden in de winter door oppervlaktewater geïnundeerd, terwijl het water in de zomer tot hooguit enkele decimeters beneden het maaiveld in de bodem wegzakte. In kwelzones die niet waren geïsoleerd van de rest van het beekdal, heersten dezelfde omstandigheden. Ook daar vonden in het winterhalfjaar inundaties met oppervlaktewater, in hoofdzaak beekwater, plaats en konden behoorlijk grote fluctuaties van het grondwaterpeil optreden; veel groter dan in de bronmilieus binnen reliëfrijke hellingcomplexen. Door intensief landbouwkundig gebruik en ontwatering van de beekdalen vormen broekbossen daar nu meestal kleine snippers die te lijden hebben van verdroging, verzuring, vermesting en watervervuiling. Hierbij moet men bedenken dat in het verleden de verschillen in kwaliteit tussen kwel- en beekwater veel geringer waren dan tegenwoordig. In laagveengebieden daarentegen is de oppervlakte van elzenbroekbos door het staken van beheer van natte hooilanden en rietlanden en door verlanding van ondiep water aanzienlijk toegenomen, maar ook hier treedt vermesting op.

Grote variatie en hoge biodiversiteit
De natuurwaarde van broekbos is groot. Het bostype is zowel nationaal als internationaal zeldzaam. De broekbossen vertonen een grote variatie in soortensamenstelling. Dit hangt samen met de grote verscheidenheid aan groeiplaatsen waarop de relicten van de Nederlandse broekbossen zich bevinden. Broekbossen zijn meestal spontaan ontstaan en vaak in het verleden in gebruik geweest als hakhout. Hoewel de kwaliteit en omvang van veel broekbossen sterk is teruggelopen, is de variatie en biodiversiteit nog altijd groot. In gebieden met veel kwelinvloed zijn broekbossen uitzonderlijk soortenrijk en bevatten ze veel zeldzame vaatplantensoorten. In de broekbossen die onder invloed staan van oppervlaktewater domineren vaak plantensoorten van natte ruigten en zijn meestal geen bijzondere vaatplanten te vinden. Broekbossen bevatten echter veel specifieke paddenstoelsoorten. Ook zijn ze rijk aan insecten, waaronder diverse kenmerkende loopkevers en libellen. De dichtheid aan broedende moeras- en bosvogels is hoog en ook voor enkele landelijk zeldzame amfibieën zijn broekbossen van groot belang. Zie verder onder ‘Kenschets'.

Hakhout is kenmerkend onderdeel van beekdallandschap
Broekbossen vertegenwoordigen belangrijke landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Ze vormen een kenmerkend onderdeel van het beekdallandschap zoals dat in grote delen van Nederland vanaf de late middeleeuwen tot rond 1900 heeft bestaan. Het broekbos was aanwezig op de meest laaggelegen delen van de beekdalen die door langdurige hoge waterstanden niet als grasland konden worden gebruikt. Natte hooilanden, weilanden en broekbos vormden een afwisselend geheel. Het broekbos was een behoorlijk productief bos met jaarlijkse aanwascijfers van rond de 10 m3/ha. De broekbossen werden meestal beheerd als hakhout dat vele gebruiksdoelen kende en waarvan de omloop varieerde van 5 tot 15 jaar. Van de grotere broekboscomplexen waren vaak alleen de randen in hakhoutbeheer, omdat het centrale deel vanwege de hoge waterstanden niet of nauwelijks toegankelijk was. Het hakhoutbeheer is in de meeste broekbossen rond 1950 gestaakt, waardoor er nu vooral doorgeschoten hakhout aanwezig is.

Veenlagen als natuurlijk archief
Hoewel minder dan bij veenbossen, zijn ook bij broekbossen veenlagen in de bodem aanwezig die een belangrijke functie hebben als natuurlijk archief. Om verlies van de archiefwaarde te voorkomen,  is het noodzakelijk deze lagen bij afgravingen, bijvoorbeeld in het kader van natuurontwikkeling, te sparen.

KENSCHETS

Opgaand nat elzenbos
Elzenbroekbos is tot circa 25 m hoog bos dat gedomineerd wordt door Zwarte els (Alnus glutinosa). Deze hoogte wordt echter alleen bereikt in beekdalen. In laagveenlandschappen blijft de hoogte van elzenbroekbos beperkt tot ongeveer 10 m. Hier komen elzenbroekbossen meestal voor in smalle stroken langs Veenbos' (Berkenbroekbos) en op randen van kraggen. Die broekbossen worden tot het Moerasvaren-Elzenbroek (39Aa1) gerekend.

In niet aangetaste elzenbroekbossen is het grondwaterpeil permanent hoog en daalt het niet tot beneden 20 cm onder het maaiveld. In de ondergroei van het elzenbroekbos overheersen dan grote zeggen als Elzenzegge (Carex elongata) of hoog opschietende moerasplanten als Gele lis (Iris pseudacorus) of Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), terwijl in de hydrologisch meer geïsoleerde kernen van Veenbos' (Berkenbroekbos) veenmossoorten in de ondergroei domineren.

Variatie in beekdalbroekbossen: plantengemeenschappen
Elzenbroekbossen bevinden zich in beekdalen op zeer natte groeiplaatsen waar sprake is van uittredend grondwater, periodieke overstroming met oppervlaktewater (beekwater), of een combinatie hiervan. De watersamenstelling en -dynamiek hangen nauw samen met de ligging in het landschap en de afzettingen van waaruit grondwater toestroomt. Goed ontwikkeld broekbos van beekdalen behoort meestal tot het Elzenzegge-Elzenbroek (39Aa2). Hiervan komen, afhankelijk van de groeiplaatskenmerken, verschillende subassociaties voor.

In de bronmilieus in strikte zin zijn de hydrologische omstandigheden gedurende het hele jaar constant: het uittredende grondwater staat aan maaiveld en heeft jaarrond dezelfde temperatuur en samenstelling. Hier is op kleine schaal de subassociatie met Bittere veldkers (39Aa2b) aanwezig, samen met het soortenrijke Goudveil-Essenbos (43Aa4), een bostype waarvan de beste voorbeelden te vinden zijn in reliëfrijke streken van Zuid-Limburg en van de Twentse stuwwallen. Daar vormt het veelal een mozaïek met Vogelkers-Essenbossen (43Aa5) en Eiken-Haagbeukbossen (43Ab1).
Kwelrijke situaties in het beekdal kennen meestal een wat grotere grondwaterdynamiek dan de bronmilieus. De watersamenstelling verschilt per locatie, doordat het herkomstgebied van het kwelwater anders is. Situaties die hoofdzakelijk gevoed worden door lokaal grondwater, dat door zijn korte ondergrondse verblijftijd basenarm is, zijn begroeid met broekbos van een subassociatie van het Elzenzegge-Elzenbroek: het Zompzegge-Elzenbroek (39Aa2e). Dit type vormt een overgang naar de natte bossen van zuurdere standplaatsen met vnl. berken; zie natuurtype Veenbos'.

Stroomafwaarts gaande, in iets voedselrijkere delen van beekdalen, speelt regelmatige overstroming (=inundatie) met beekwater meer en meer een belangrijke rol, vaak in combinatie met aanvoer van kalk- en ijzerhoudend kwelwater. In de zomerperiode zakt het grondwater hier tot enkele decimeters onder het maaiveld. Op deze standplaatsen fluctueren zowel de waterstanden als de watersamenstelling gedurende het jaar.

De bodemopbouw van de verschillende beekdalbroekbossen verschilt per locatie. Meestal bestaat de bodem uit veen op zand of veen op leem. De dikte van de venige bovenlaag is variabel, maar is dikwijls niet meer dan enkele decimeters.

Habitattype en natuurdoeltype
Wanneer het voorkomt op alluviale afzettingen valt het natuurtype broekbos onder het habitattype Alluviale bossen (H91E0) van de habitatrichtlijn. Het valt onder het natuurdoeltype Bos van bron en beek (3.67).

Moerasplanten, bronsoorten en paddenstoelen kenmerkend
In goed ontwikkelde broekbossen die onder invloed staan van basenhoudend kwel- en oppervlaktewater wordt de ondergroei gekenmerkt door aanwezigheid van diverse polvormende zeggensoorten in combinatie met moerasplanten. Karakteristiek zijn Elzenzegge (Carex elongata) en de lage struik Zwarte bes (Ribes nigrum). In de meeste broekbossen is de Elzenzegge de enige bosplant in strikte zin. Wanneer het water in de winterperiode onder het maaiveld blijft, komen er ruigtekruiden bij, waaronder Grote brandnetel (Urtica dioica), maar echte verruiging treedt pas op bij sterke verdroging en vermesting. Kenmerkende plantensoorten voor broekbossen van bron- of kwelmilieus zijn bijv. Hazelaar (Corylus avellana), Bosanemoon (Anemone nemorosa), Dotterbloem (Caltha palustris), Paarbladig en Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium en C. oppositifolium), Bittere veldkers (Cardamine amara), Boswederik (Lysimachia nemorum), Bosereprijs (Veronica montana), Groot heksenkruid (Circaea lutetiana), Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia), Slanke en Hangende zegge (Carex strigosa en C. pendula) en locaal Bospaardenstaart (Equisetum sylvaticum). De meeste van deze soorten zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam. Veel paddenstoelsoorten, zoals de Elzenboleet (Gyrodon lividus), Elzenrussula (Russula annetorum), Elzenmelkzwam (Lactarius lilacinus), Kleine Elzengordijnzwam (Cortinarius bibulus) en Mycena rhenana zijn kenmerkend voor broekbossen. Diverse voor elzenbroekbos karakteristieke paddenstoelsoorten staan op de rode lijst.

Rijke gevarieerde fauna
Broekbossen zijn rijk aan insecten. Zo zijn er ten minste 25 loopkeversoorten, waarvoor Nederland het centrum van het verspreidingsgebied vormt, die een voorkeur hebben voor dit bostype. Er zijn geen vogelsoorten die uitsluitend voorkomen in broekbossen, maar deze bossen leveren wel nestgelegenheid en voedsel aan een groot aantal moeras- en bosvogels. In het winterhalfjaar kunnen wij bijvoorbeeld van de Sijs (Carduelis spinus) grote groepen zien foerageren op de elzenproppen. De broedvogeldichtheid is hoog en de samenstelling van de broedvogelpopulatie hangt nauw samen met de bosstructuur. Zo zijn wat grotere opengewaaide of opengekapte delen geschikt voor Houtsnip (Scolopax rusticola) en Waterral (Rallus aquaticus), jonge bosgedeelten voor Sprinkhaanzanger (Locustella naevia) en Kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) en oude bosgedeelten voor Wielewaal (Oriolus oriolus) en Sperwer (Accipiter nisus). Een afwisselende bosstructuur biedt mogelijkheden voor Nachtegaal (Luscinia megarhynchos) en Appelvink (Coccothraustes coccothraustes). Open broekbosdelen vormen ook een belangrijke biotoop voor de zeldzame amfibiesoorten Alpenwatersalamander (Triturus alpestris), Vinpootsalamander (Triturus helveticus), Vuursalamander (Salamandra salamandra) en Boomkikker (Hyla arborea).


Met bijdragen van:
Robbert Wolf, augustus 2006; Patrick Hommel & Rein de Waal, april 2007; Camiel Aggenbach en Renée Bekker namens DT beekdallandschap, juli 2007; Gert-Jan van Duinen, september 2007.

Literatuur:
Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal & F.J. van Zadelhoff 2001. Handboek Natuurdoeltypen. Expertisecenturm LNV, Wageningen.

Stortelder, A.H.F., P.W.F.M. Hommel, R.W. de Waal, K.W. van Dort, J.G. Vrielink & R.J.A.M. Wolf 1998. Broekbossen, Bosecosystemen van Nederland deel 1. KNNV, Utrecht.

Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel 1999. De Vegetatie van Nederland 5, ruigten, struwelen, bossen. Opulus, Uppsala.

Waal, R.W. de & P.W.F.M. Hommel 2005. Abiotische typering van bostypen in Nederland. Vochtregime, zuurgraad, voedselrijkdom en humusvorm. Alterra-rapport 1258. Alterra, Wageningen.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren 2005. Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland deel 4, Bossen, struwelen en ruigten. KNNV, Utrecht.

Werf, S. van der 1991. Bosgemeenschappen. Natuurbeheer in Nederland 5. Pudoc, Wageningen.

Wolf, R.J.A.M. 1992. Ontstaansgeschiedenis en beheer van de Nederlandse elzen- en berkenbroekbossen. Dorschkamprapport 680, Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website