Pad: Natuurtypen / Vogelgraslanden (N13) / Wintergastenweide (N13.02) / Ganzegrasland

Ganzegrasland 

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS EN KENSCHETS
Inleiding
Wat is nou ganzengrasland?
Soorten ganzen in Nederland
Aantallen
Keuze van terrein en voedsel
Dus, wat is nou ganzengrasland?
Hebben ganzen een voorkeur?
Met bijdrage van
Literatuur

Inleiding
Ganzen zijn karakteristiek voor het Nederlandse landschap in de herfst, de winter en het begin van het voorjaar, zoals weidevogels dat in de zomer zijn. In tegenstelling tot de weidevogels doen de meeste ganzensoorten het erg goed. Dat is bijzonder, want tot halverwege de vorige eeuw waren ze schaars. Nederland herbergt veel ganzen en heeft daarmee een verantwoordelijkheid, lusten en lasten. Het is een verantwoordelijkheid die moet worden gezien in internationaal verband, omdat het om soorten gaat die over lange afstanden trekken. Een belangrijk aspect van het verblijf van ganzen in Nederland is ons grasland. Deze tekst bespreekt de rol van Nederlandse graslanden voor ganzen, de variatie daarin, en het beheer dat daarop gevoerd kan worden. Het is bedoeld voor alle beheerders van grasland die met ganzen van doen willen hebben.

Wat is nou ganzengrasland?
Ganzen zijn planteneters (herbivoren). Ze eten niet allemaal hetzelfde, maar er is wel veel overlap in dieet. En daarmee ook in terreingebruik. Veel ganzen verblijven op grasland, zowel ‘boerengrasland’ als ‘natuurgrasland’ in allerlei verschijningsvormen. Omdat ganzen belangrijk zijn uit het oogpunt van natuur en landbouw, is er veel aandacht voor. Er is speciaal beleid geformuleerd om ganzen op te vangen in speciaal daartoe aangewezen ganzenfoerageergebieden. Voor diverse Natura2000 gebieden zijn er doelen geformuleerd in termen van minimale aantallen verblijvende ganzen. Maar die beoogde aantallen moeten wel eten kunnen vinden, in en om de Natura2000 gebieden. Daarvoor moet er voldoende ganzengrasland zijn. Ganzengrasland is dus niet in zichzelf een natuurdoel. Het is een verzamelnaam voor allerlei graslandtypen waar ganzen eten kunnen vinden. Het achterliggende (natuur)doel is in bijzondere gevallen geformuleerd in termen van ganzen, maar vaker in termen van weidevogels, plantenrijkdom of agrarische productie. Om te begrijpen wat er allemaal onder ganzengrasland valt en welke beheersmaatregelen eventueel van toepassing zijn, is het zinvol eerst te bespreken om welke ganzen het hier gaat.

Soorten ganzen in Nederland
In Nederland komen zeven soorten ganzen met grote regelmaat en van nature voor. De Kolgans is de meest talrijke, gevolgd door de Brandgans en de Grauwe gans. Daarbij komen nog grote aantallen Smienten. Dat zijn eigenlijk eenden, maar ze gedragen zich als kleine ganzen als het om grasconsumptie gaat. Minder talrijk zijn de Rotgans, de Kleine rietgans, en de Toendra rietgans. De Dwerggans is zeldzaam, net als de Taiga rietgans, een ondersoort van de Rietganzen. Daarnaast komen in Nederland een soorten voor die hier van nature niet thuis horen, waarvan de Nijlgans, de Canadese gans en de boerengans (of soepgans) de bekendste zijn.
Het is nuttig om onderscheid te maken tussen overzomerende en overwinterende ganzen. We zijn in Nederland onderhand gewend aan overwinterende ganzen en de geformuleerde natuurdoelen ten aanzien van ganzen gelden voor deze groep. Beleid en beheer zijn erop gericht om de populaties overwinterende ganzen op effectieve wijze te beschermen, en tegelijkertijd te zorgen dat ze niet teveel schade aanrichten. Vooral in winter en voorjaar kunnen foeragerende ganzen namelijk veel schade veroorzaken aan met name wintergraan en gras.
Dat vooral Grauwe ganzen en Brandganzen hier overzomeren en tot broeden komen is een vrij nieuw fenomeen. Onder verschillende belangengroepen is er weerstand tegen de vooralsnog sterk toenemende aantallen overzomeraars. Behalve met schade in de landbouw heeft dat te maken met mogelijke schade aan andere dieren en planten. Op landelijk niveau streeft men er naar om de overzomerende aantallen niet te laten stijgen en er wordt driftig gediscussieerd over maatregelen om populaties te reguleren of te reduceren. Er is uiteraard moeilijk onderscheid te maken tussen leefwijzen en leefgebieden van de overwinterende en de overzomerende ganzen. Het beheer en beleid voor de ene groep kan effect hebben op de andere. Het komt lokaal voor dat ganzen ’s winters gastvrij opgevangen worden terwijl men ’s zomers de aantallen graag zou willen reduceren. In dit stuk gaan we verder niet in op het grasland voor de overzomerende ganzen en het daarbij behorende beheer.

Aantallen
Overwinterende ganzen komen na afloop van het broedseizoen naar Nederland en buurlanden in Noordwest-Europa. Vanaf september lopen de aantallen snel op, en tegen mei is de meerderheid verdwenen. Nederland herbergt in deze maanden een groot aandeel van de verschillende Europese populaties, van Kolgans, Grauwe gans, Brandgans en Kleine Rietgans circa 60-80%. Zoals gezegd gaat het de laatste decennia om enorme aantallen ganzen in vergelijking met wat we van vroeger weten (zie de figuur).
ganzengrasland
Ontwikkeling van het aantal overwinterende ganzen en Smienten in Nederland sinds 1975-76. Weergegeven is het aantal vogeldagen per soort per seizoen. Een gansdag is een gecombineerde maat van het aantal ganzen en de verblijfsduur en geeft daardoor de voedselconsumptie weer. Bijvoorbeeld: ‘100 gansdagen’, kan betekenen 10 ganzen die 10 dagen blijven, of 2 ganzen die 50 dagen blijven. Uit: van der Jeugd et al. 2008.

De staat van instandhouding is voor de meeste soorten gunstig. Alleen de Dwerggans en de Taiga rietgans zijn zeldzaam. De wereldpopulatie van de Dwerggans neemt af, die van de Taiga rietgans is stabiel. Nederland heeft geen speciale verantwoordelijkheden voor deze soorten, maar het is wel interessant om te bedenken dat de Taiga rietgans vroeger een algemene soort is geweest. De Canadese ganzen komen niet veel voor in Nederland en zijn van oorsprong Noord-Amerikaans. Ook Nijlganzen en Boerenganzen zijn hier minder relevant. De overige soorten hebben sinds prehistorische tijden onze streken bezocht. Voor het beleid zijn momenteel vooral de in figuur 1 getoonde soorten van belang. De aantallen overwinterende ganzen in Nederland zijn zo hoog dat er veel schade optreedt aan boerengrasland. Om dit beheersbaar te houden is vanaf 2005 een opvangbeleid met opvanggebieden van kracht. Boeren krijgen subsidie en schadevergoeding om ganzen op te vangen.

Keuze van terrein en voedsel
Ganzen zijn soorten van het open land. Ze benutten de kust, het rivierengebied en de overige laaggelegen delen van Nederland. Daarbinnen gaat het om een hele reeks van terreintypen. Hun originele habitats uit vroeger tijden zijn ten dele verdwenen. De Taiga rietganzen zitten aan het ene eind van het spectrum, in het zoete milieu, deels op veen en heide maar tegenwoordig ook op gras en akkers. De Grauwe ganzen benutten grasland, maar ook rietmoeras, kwelders en akkers. De Rotganzen, aan de andere kant van het spectrum, zitten een deel van hun tijd in het zoute milieu, op wadvlaktes, zeegras en kwelders. De verschillen in terreinkeuze hangen samen met verschillen in het verteringsstelsel. Maar ondanks de verschillen hebben allen, in vergelijking met andere herbivoren, een relatief kort darmstelsel. Dat dwingt hen om voedsel te selecteren van hoge kwaliteit en om erg veel tijd aan foerageren te besteden. Vooral de kleinere ganzensoorten moeten selectief zijn. Voedsel van hoge kwaliteit heeft een hoog eiwitgehalte, bevat veel energie en weinig vezels. Naarmate planten groter en ouder worden neemt de kwaliteit af. Dat geldt voor individuele plantensoorten, maar in grote lijnen ook in vergelijking tussen plantensoorten.
Natuurlijk zijn er dieetverschillen maar sommige plantensoorten worden consistent gemeden, terwijl andere soorten vaak in het dieet worden opgenomen. De grassoorten die ganzen graag lusten hebben zachte bladeren. Gewoon kweldergras (Puccinellia maritima), Rood zwenkgras (Festuca rubra), Geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus), Fioringras (Agrostis sp.), Beemdgras (Poa sp.), Timoteegras (Phleum pratense) en Raaigras (Lolium sp.). De zoute soorten daarvan worden vooral door Brand- en Rotgans geconsumeerd, die op de kwelders ook nog enkele andere plantensoorten graag eten. Kolgans, Brandgans en Smient foerageren vrijwel volledig op grasland. Grauwe gans, Rotgans en Rietgans eten niet altijd op gras, maar toch nog wel meer dan tweederde van de tijd. Grauwe ganzen eten in de ruitijd veel riet. Grauwe ganzen hebben een snavel waarmee ze kunnen graven. In de winter graven ze naar wortelstokken van Witte klaver (Trifolium repens), Zulte (Aster tripolium), Heen (Bolboschoenus maritimus), Engels slijkgras (Spartina anglica), Riet (Phragmites australis) en Lisdodde (Typha sp.). Buiten het grasland wordt op akkers gegeten van oogstresten, zoals suikerbieten, wortels, maar ook wintergraan en koolzaad. Ook nog niet gerooide suikerbieten en wortelen worden gegeten als de gelegenheid zich voordoet.

Dus, wat is nou ganzengrasland?
Zoals hierboven beschreven vinden ganzen hun voedsel in Nederland op wadplaten, zeegrasvelden, kwelders, zomerpolders, uiterwaarden, overig grasland, rietmoerassen en akkers. Vegetatiekundig gezien zijn dat zeer diverse eenheden, met elk een eigen beheer. Akkers, rietmoerassen, een deel van de onbegraasde kwelders, zeegrasvelden en wadvlakten vallen niet onder de toch al algemene noemer ‘grasland’. Daarom wordt ‘ganzengrasland’ – voor het doel van dit stuk – nader gedefinieerd. Het zijn alle door grassoorten gedomineerde vegetatiegemeenschappen die in Nederland in enige mate gebruikt worden door overwinterende ganzen. Daarbij geldt dat ganzen in sommige delen van het seizoen ook andere leefgebieden benutten als foerageerterrein.
In termen van oppervlak en aantallen ganzen gaat het vooral om de zwaar bemeste, zeer voedselrijke cultuurgraslanden met in hoofdzaak Engels raaigras (Lolium perenne). Het merendeel (bijna 80%) van de in Nederland overwinterende ganzen foerageert hier. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de graslanden van de matig voedselrijke tot voedselrijke bodems (zie Kruidenrijke akker) en begraasde kwelders. Kennis over de benutting door ganzen van graslanden op voedselarme bodems is schaars. Deze typen hebben slechts een geringe functie voor ganzen.

Hebben ganzen een voorkeur?
Nou en of. De voorkeur uit zich in een verhoogde benutting ten opzichte van het alternatief. Dat wil zeggen, ze brengen meer tijd door op plekjes die ze prefereren zolang daar genoeg staat. Maar bij ganzen kun je het soms ook aan het gedrag zien. Lokaal kunnen uitzonderlijk rijke plekjes fél worden verdedigd door dominante mannetjes of zelfs door hele families. Ganzen zijn kieskeurig, selectief en hebben waarschijnlijk een grote terreinkennis opgebouwd in de loop der jaren. Het is niet zomaar een stelletje darmstelsels dat gras consumeert. Het zijn lang levende individuen met een hechte familieband en een sterke sociale structuur. Dominante paartjes kunnen de beste plekjes bezetten en weten die ook goed te vinden.
Traditie speelt ongetwijfeld een grote rol, maar toch kunnen ganzen goed inspelen op veranderingen in het terrein. Waar het beter wordt blijven ze langer hangen, waar het minder wordt verdwijnen ze. Dat speelt op grote en op kleine ruimtelijke schaal. Toen de Lauwerszee werd ingepolderd, waren er in de herfst al snel grote aantallen Brandganzen aanwezig die profiteerden van het nieuwe foerageergebied. Toen in de polder van Schiermonnikoog de actieve verjaging van ganzen werd ingeruild voor een beleid van gedogen, nam de aanwezigheid van Rot- en Brandganzen daar in het voorjaar sterk toe. Maar ook op de vierkante meter ontdekken ganzen het wanneer zich kansen voordoen. Een kleine proef met het blootleggen van wortelstokken van riet in de Dollard leidde tot aanzienlijke vraat hierop door Grauwe ganzen, en in een andere proef bleken kleine kunstmatig bemeste vlakjes binnen een week een grote aantrekkingskracht op Rot- en Brandganzen uit te oefenen.
Deze voorbeelden maken al voor een belangrijk deel duidelijk waar de voorkeur van ganzen ligt: rust en het juiste voedsel. Gebieden zonder verstoring zijn veel aantrekkelijker dan gebieden met verstoring. Ze wènnen wel, en als de nood hoog is eten ze heús wel vlakbij die drukke weg, maar als het niet hoeft mijden ze verstoring. Sommige goede voedselterreinen kunnen daardoor sterk onderbenut blijven. Daarbij komt dat ze een veilige slaapplaats nodig hebben. Meestal zijn dat plekken, vaak ook op het water, waarvan ze uit ervaring weten dat ze daar veilig zijn. Zonder een veilige slaapplaats kunnen ze niet, en omdat vliegen energie kost worden potentiële voedselterreinen op grote afstanden van slaapplekken niet gebruikt. De afstanden waarover ze forensen varieert van nul tot wel veertig kilometer. Maar op tien kilometer afstand ligt de seizoensgemiddelde benutting al duidelijk lager dan op vijf kilometer, bij overigens gelijke omstandigheden.
Vervolgens zijn verschillen in benutting sterk terug te voeren op verschillen in kwaliteit (zoals hierboven gedefinieerd), hoeveelheid en productiviteit van voedsel. Nergens was de gemeten benutting ooit zo hoog als door Rotganzen in mei op het intensief beheerde grasland van het ganzenreservaat Zeeburg (Texel). De bedekking met voedselplanten was hoog (Engels raaigras en Beemdgras), de productiviteit ervan ook en de kwaliteit helemaal. Dit kon door een uitgekiend beheer van hoge kunstmestgiften en schapenbeweiding in en buiten het ganzenseizoen. Naarmate er minder voedselplanten staan, bijvoorbeeld door vegetatiesuccessie, neemt de benutting door ganzen af. Dat is heel goed te zien geweest rond, bijvoorbeeld, het Leekstermeer waar in de jaren negentig het aandeel Pitrus (een voor ganzen onverteerbare plant) sterk toenam door veranderingen in beheer. Of op de kwelders van Schiermonnikoog, waar met de tijd de voor ganzen geschikte vegetatie verdween op plaatsen waar veebegrazing uitbleef.
Er zijn leerzame proeven gedaan waarbij de hoeveelheden voedsel voor ganzen in het veld zijn gemanipuleerd. Méér blijkt dan voor ganzen niet altijd beter te zijn. Met name de kleinere soorten kunnen niet zo goed uit de voeten met lange pruiken gras. Bij Brandganzen, Rotganzen en Smienten is aangetoond dat de voedselopnamesnelheden omlaag gaan bij te hoge graslengtes. Er is een optimum grashoogte, afhankelijk van gewaskwaliteit en beschikbare alternatieven.
Maar iedere grasmat, ook de korte aantrekkelijke, kan meer of minder productief zijn door verschillen in bodem, bemesting en seizoen. Dergelijke verschillen vertalen zich goed in de benutting door ganzen. Vooral in het zoute milieu spelen seizoensverschillen heel sterk mee. Aan het eind van de winter loopt de hoeveelheid voedsel hier relatief hard terug, en de productie komt in het voorjaar pas laat op gang.
Aldus kunnen we een rijtje geven van graslandtypen, geordend naar de mate waarin ze potentieel door ganzen jaarrond kunnen worden benut, als rust en afstand tot de slaapplaats dat toelaten. De hoogste waarden van benutting worden gevonden op intensief en extensief beheerde graslanden in het zoete milieu. Daarna volgen intensief beweide kwelders en dan de onbeweide kwelders.

Met bijdrage van:
Daan Bos

Literatuur

 

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website