Pad: Natuurtypen / Vogelgraslanden (N13) / Vochtig weidevogelgrasland (N13.01) / Weidevogelgrasland

Weidevogelgrasland

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Nederland Weidevogelland
Exponenten van het poldermodel

KENSCHETS
Ontstaan van een weidevogelgemeenschap
Kenmerkende soorten
Verschillende soorten, verschillende eisen
Open polders, hoge waterpeilen en kleurrijke graslanden
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Nederland Weidevogelland
Nederland is rijk aan weidevogels. De vlakke, open en natte polders met bloemrijke graslanden zijn in het voorjaar van oudsher het domein van vogelsoorten als Kievit, Grutto, Tureluur en Veldleeuwerik. Met de term ‘weidevogels’ – in het Duits en Engels vertaald met respectievelijk Wiesenvögel en meadow birds – wordt een specifieke groep vogels aangeduid die vooral in graslanden nestelt en er hun jongen groot brengt. Ze zijn daarmee typisch voor de Hollandse polders en verbonden aan het boerenland. Internationaal gezien is het lage deel van Nederland een weidevogellandschap ten voeten uit. Nergens komen we in Europa zulke grote oppervlakten tegen van open poldergebieden. Dit heeft alles te maken met de oorsprong van Nederland als deltagebied van de grote rivieren, waarvan de vruchtbare kustzone in het westelijke en noordelijke deel van ons land zich bij uitstek leende voor productieve landbouw. Juist de zich gestaag ontwikkelende landbouw is dé drager geweest waarop de weidevogelgemeenschap in de periode 1940-1970 tot bloei kwam, maar werd – zoals tegen de eeuwwisseling bleek – uiteindelijk ook de oorzaak van de huidige teloorgang.
Het voor weidevogels zo aantrekkelijke polderhabitat is in de loop der tijd verworden tot een rijk weidevogellandschap. In sommige delen van Nederland kwamen en komen ongekend hoge dichtheden voor van weidevogels. Soms broeden op 1 ha – ter grootte van een voetbalveld – meer dan 10 paren weidevogels. Van sommige weidevogels broedt een groot deel van de West-Europese populatie in ons land. Dat geldt in het bijzonder voor Grutto, Tureluur, Scholekster en Kievit (tabel 1). Van de Scholekster bedraagt het Nederlandse aandeel in de Europese populatie 27% terwijl maar liefst 38% van de Grutto’s in ons land broedt (http://www.grutto.nl/) . En dan te bedenken dat de Grutto elders op de wereld alleen in kleine aantallen voorkomt in Oost-Europa en Rusland. Dat schept een grote internationale verantwoordelijkheid en maakt duidelijk waarom vogelbeschermers, boeren en overheid in ons land zich zo druk maken om deze soort. 
 
Soort Nederlandse populatie Aandeel van Nederland in Europese broedpopulatietabel vogelgrasland
Geschat aantal broedparen van een aantal soorten weidevogels in Nederland (periode 1998-2005) en het aandeel van de Nederlandse populatie in Europees verband (bronnen: Teunissen & Soldaat 2006): Recente aantalontwikkeling van weidevogels in Nederland. De levende Natuur).

Exponenten van het poldermodel
Nederland staat in het buitenland bekend om zijn oer-Hollandse polders waarvan het stereotype landschap verbeeld is in de Verkade-albums van weleer: kleurrijke graslandpolders doorsneden met sloten, windmolen op de achtergrond, grazende zwartbonte koeien én weidevogels – zoals Kievit, Grutto en Veldleeuwerik. Weidevogels horen in de beeldvorming tot de logische inventaris van een polder en brengen die tot leven. Ze hebben daarom een belangrijke cultuurhistorische en recreatieve betekenis, en dragen sterk bij aan de beleving van een polder. Dat besef dringt vandaag de dag vooral door in polders die geheel verstoken zijn van vogelleven: hier is letterlijk sprake van een silent spring.
Dat laatstgenoemde beeld kunnen we ons nauwelijks voorstellen, maar het samengaan van polderlandschap en weidevogels is niet langer een vanzelfsprekendheid. In de moderne boerenpraktijk blijven de koeien op stal en wordt zó vroeg in het voorjaar én zo massaal gemaaid dat in de grasgroene graslanden nauwelijks plaats is voor weidevogels. Die ruimte voor weidevogels is er alleen waar de boer hart heeft voor weidevogels en zijn bedrijfsvoering aanpast, bijvoorbeeld door plaatselijk hogere waterpeilen in te stellen en later te maaien. En dat gebeurt. Duizenden boeren in ons land houden zich bezig met weidevogelbeheer over een oppervlakte van ca. 30.000 ha, gefinancierd door de overheid (natuurgebieden met weidevogelbeheer beslaan samen 17.000 ha). Op een oppervlakte van maar liefst 370.000 ha wordt aan nestbescherming gedaan. Dit alles vraagt om samenwerking en veel overleg tussen boeren, overheid, vogelwachters en natuurbeschermers. Omdat bijna driekwart van de weidevogels op gangbaar gebruikt boerenland broedt, zijn weidevogels in hoge mate afhankelijk van het succes van dit agrarische natuurbeheer. Ze zijn ook op deze wijze exponenten van het poldermodel.
 
KENSCHETS

Ontstaan van een weidevogelgemeenschap
Om te begrijpen waarom het Nederlandse polderlandschap zo aantrekkelijk is voor weidevogels moeten we terug naar het ontstaan van de weidevogelgemeenschap. Een groot deel van de weidevogels kwam van oorsprong voor in open gebieden met een korte vegetatie, zoals steppen, open beekdalen en kustgebieden. Met de opkomst van de landbouw ontstonden halfnatuurlijke terreintypen die geschikt bleken als weidevogelbiotoop, zoals natte heiden, venen en ’s winters overstroomde graslanden. Deze terreintypen kwamen tot in de eerste helft van de 20e eeuw op grote schaal voor in ons land. Gaandeweg werden deze gronden verder in cultuur gebracht, licht ontwaterd en meer en meer bemest. Deze hooi- en weilanden bleken voor weidevogels een optimale broedhabitat: het landbouwkundig gebruik was extensief, de graslanden waren voedselrijk en de opgroeiomstandigheden voor weidevogelkuikens waren optimaal. Als gevolg hiervan waren weidevogels het meest talrijk in periode 1940-1970.
Met de verdere ontwatering en de intrede van kunstmest werden de graslanden droger, minder kruidenrijk en nam de grasproductie toe. Ook werd steeds vroeger gemaaid: tussen 1910 en 2000 is de maaidatum van de eerste snede in het voorjaar met meer dan een maand naar voren geschoven. Sommige weidevogels – Scholekster, Kievit, Grutto en Tureluur – pasten zich aan en gingen ook vroeger broeden, andere soorten konden die grote veranderingen niet bijbenen. Kritische soorten van natte, kruidenrijke en laat gemaaide hooilanden als Kwartelkoning, Zomertaling, Kemphaan en Watersnip gingen al voor 1970 sterk achteruit en zijn inmiddels zo goed als verdwenen uit het boerenland. Ook andere soorten hebben terrein prijs moeten geven, vooral vanaf 1990. Anno 2008 staan weidevogels over de gehele linie sterk onder druk en zijn ook vroeger algemene soorten als Grutto, Slobeend en Veldleeuwerik in de gevarenzone beland.
 
Kenmerkende soorten
De term ‘weidevogel’ is niet strak gedefinieerd. In het standaardwerk ‘Ecologische atlas van de Nederlandse weidevogels’ worden ruim 20 vogelsoorten onderscheiden als weidevogel. Deze soorten broeden overwegend in graslandgebieden. Het bijzondere is dat weidevogels onderling geen familie zijn. Wat hen samenbrengt is de overeenkomende habitatvoorkeur. Steltlopers vormen de kern: Scholekster, Kievit, Grutto en Tureluur en afhankelijk van de situatie soms ook Kluut, Wulp, Watersnip en Kemphaan. Andere vaste soortgroepen zijn eenden (Bergeend, Wilde eend, Krakeend, Zomertaling, Slobeend en Kuifeend) en weidezangvogels (Veldleeuwerik, Graspieper en Gele kwikstaart). Ook de Knobbelzwaan wordt beschouwd als echte weidevogel. Soorten die minder regulier in weidevogellandschappen broeden zijn Tafeleend, Wintertaling, Patrijs, Kwartel en Kwartelkoning. In zeer natte graslanden broeden soms ook Zwarte stern en Visdief, in ruige beekdalgraslanden Paapje en Roodborsttapuit. Langs de kust treffen we soms de Bontbekplevier broedend op akkers.
 
Verschillende soorten, verschillende eisen
Ondanks hun gezamenlijk optreden zijn er duidelijke verschillen in de eisen die weidevogels stellen aan hun broedomgeving. Eenden zijn veelal gebonden aan natte gebieden met veel sloten terwijl typische pioniers als Scholekster, Kluut en Bontbekplevier – in feite kustvogels – een voorkeur hebben voor open en kale gronden en daarom vooral op akkers broeden, ook maïsakkers. Patrijs, Kwartel en Veldleeuwerik zijn aangewezen op kruidenrijke vegetaties waar ze zoeken naar zaden en onkruiden. Verschillen in eisen hebben vrijwel altijd te maken met de biologie van de soort. Een paar voorbeelden. Als plevier is de Kievit een oogjager met korte poten, wat de voorkeur verklaart voor korte en open vegetaties. De Grutto daarentegen is met zijn lange poten anatomisch juist aangepast aan een lange vegetatie en boort met zijn lange snavel in de bodem op zoek naar regenwormen. Op droge en vaak harde bodems kan hij niet uit de voeten. De Watersnip is nog meer gespecialiseerd: in zijn beweegbare snavelpunt bevinden zich gevoelige zenuwen waarmee hij prooi kan opsporen. Dat lukt alleen in zeer natte, weke bodems en de watersnip is dan ook uitermate gevoelig voor verdroging. En waarom broeden alleen Scholeksters op grinddaken? Als enige van de steltlopers worden de jongen pullen door de ouders gevoerd terwijl de andere weidevogelkuikens zelf op zoek moeten naar insecten e.d.
Een opvallend ecologisch verschil is te zien in de wijze waarop weidevogels omgaan met hun nest en de belagers daarvan. In een reeks van zo-goed-mogelijk-verstoppen tot de-aanval-is-de-beste-verdediging heeft elke soort zijn eigen ecologische niche. Kemphaan en Watersnip steken al hun energie in het verstoppen van het nest in een dichte en hoge vegetatie. Ze vertrouwen volledig op hun perfecte schutkleur (bij de Kemphaan het vrouwtje) en verdedigen hun nest niet. Aan de andere kant van het spectrum zijn er Scholekster en Kievit. Hun nesten liggen open en bloot in het gras of zand. Beide soorten zijn fel gekleurd, vooral de zwart-witte Scholekster, en ze verdedigen het nest fel tegen predatoren. Ze zijn daar zo succesvol in dat andere weidevogels graag in de buurt van deze soorten broeden.
De grote verschillen tussen soorten hebben mogelijk met de oorsprong te maken. De pioniers die van oorsprong thuishoren in kustgebieden en/of steppen leggen hun nest bijna per definitie op kale bodems en dan is inderdaad de aanval de beste optie. Juist deze soorten treffen we vaak op kale (maïs)akkers. Soorten die broeden in vroegere overstromingsgraslanden en zeggenrijke moerassen zijn perfect aangepast aan hogere vegetatie.
 
Open polders, hoge waterpeilen en kleurrijke graslanden
Weidevogels houden in het algemeen van open tot zeer open, vochtige tot natte graslandgebieden die overwegend extensief tot matig intensief gebruikt worden en waar geen of weinig ‘storingsbronnen’ aanwezig zijn in de vorm van wegen en bebouwing. Zie hier een optimaal weidevogellandschap in een notendop. Bovenbestaande omschrijving is wat door de bocht. Watersnip, Wulp, Graspieper komen ook voor in minder open gebieden, bijvoorbeeld in beekdalen. Wel geldt dat vrijwel alle weidevogels de onmiddellijke nabijheid mijden van fietspaden, wegen en bebouwing; op enige afstand (ca. 100- 250 m) van deze storingsbronnen broeden aanzienlijk meer weidevogels dan op korte afstand. De verstoring verschilt per situatie en is bij wegen bijvoorbeeld afhankelijk van de verkeersintensiteit.
Een weidevogelgebied moet voldoen aan een aantal voorwaarden die per soort net wat anders liggen. Voor eenden en steltlopers is de aanwezigheid van plas-drasse en/of ondiep onder water staande (0-20 cm) terreindelen zeer aantrekkelijk, vooral in het voorjaar. De vogels kunnen hier gezamenlijk overnachten en overdag zijn het rust-, poets- en drinkplaatsen waar het een komen en gaan is van weidevogels. Van essentieel belang is de aanwezigheid van voldoende voedsel voor volwassen weidevogels en in de jongenfase ook voor de kuikens. Dat voedsel bestaat voor de steltlopers grotendeels uit regenwormen en emelten (larven van de langpootmug). De kuikens van die steltlopers leven de eerste weken uitsluitend van insecten die ze zelf moeten zoeken. Dat lukt het best in een kruidenrijke vegetatie die niet te dicht van structuur is: de kleine kuikens moeten er goed door heen kunnen lopen. Een bijkomend voordeel van dergelijke kleurrijke vegetaties is dat de kuikens nauwelijks opvallen en minder gemakkelijk ten prooi vallen aan hun belagers.
De meeste weidevogels komen voor bij een relatief hoge grondwaterstand, dat wil zeggen dat het grondwater niet te ver onder het maaiveld staat (40-50 cm in het voorjaar). Onder die omstandigheden droogt de bodem niet uit en is het voedsel voor de steltlopers goed bereikbaar. Minstens zo belangrijk is dat het graslandgebruik in de wat nattere polders minder intensief is. Een matige bemesting gaat in die graslanden gepaard met een kruidenrijke vegetatie en een late maaidatum. Dat laatste is heel belangrijk voor alle weidevogels. De meeste weidevogels vestigen zich eind maart/begin april en leggen rond half april eieren. Ze hebben dan tenminste zes weken rust nodig: drie à vier weken om de eieren uit te broeden en nog eens drie à vier weken om te zorgen dat de jongen op eigen benen kunnen staan en vliegvlug worden. Dat betekent normaal gesproken dat, om de kuikens veilig te laten opgroeien, niet voor begin juni gemaaid moet worden. In de reguliere boerengraslanden is dat zonder aangepast beheer een uitzondering. Soorten als Kwartelkoning, Kemphaan en Kwartel broeden nog veel later en hebben geen enkele kans in vroeg gemaaide graslanden. Een optimaal weidevogelgebied combineert daarom de eisen van de verschillende weidevogels in een gevarieerd aanbod aan graslandtypen met verschillen in bemesting, beweiding en maaidatum.
Behalve in graslanden kunnen soms ook in akkergebieden hoge dichtheden van weidevogels broeden. De echte graslandvogels komen sporadisch tot broeden op akkers, maar Patrijs, Kievit, Scholekster en Veldleeuwerik zijn geregelde broedvogels. In West-Friesland, Oost Groningen en Zuidwest Nederland broeden veel Gele kwikstaarten op akkerland. Zie voor natuur op akkers Kruidenrijke akker en Faunarijke akker.

Met bijdrage van:
Eddy Wymenga

Literatuur

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website