Pad: Natuurtypen / Rijke graslanden en akkers (N12) / Kruiden- en faunarijke akker (N12.05) / Kruidenrijke akker

Kruidenrijke akker

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Historische waarde
Akkerflora: bijzondere soorten
Akkerfauna: soorten van het akkerlandschap

KENSCHETS
Akkerplantenvegetaties: een typering
Akkers op kalkrijke bodem
Akkers op kalkarme bodem
Cultuurhistorische waarde van akkerplantenvegetaties
Aanpassingen van akkerplanten
Met bijdrage van
Literatuur

BETEKENIS

Historische waarde
Akkers met een goed ontwikkelde begroeiing van akkerplanten hebben een grote nostalgische waarde. Het beeld van wuivende korenhalmen, met daartussen het rood van klaprozen, het wit van kamilles en het blauw van korenbloemen appelleert sterk aan ons gevoel van oorspronkelijkheid. De esthetische aantrekkingskracht van dergelijke akkers heeft ook veel schilders verleid om hun artistieke kunsten te tonen. Toch gaat het in kruidenrijke akkers om veel meer soorten dan het genoemde drietal. Ongeveer honderd wilde plantensoorten hebben een grote voorkeur voor akkers en dat is om en nabij 7% van onze inheemse flora. Daarbij gaat het niet alleen om soorten van graanakkers maar ook van hakvruchtakkers, met bijvoorbeeld aardappels en bieten.
Historisch gezien vormen de akkers de ruggengraat van veel van onze landschappen, op zijn minst sinds de middeleeuwen. Alles werd in het werk gesteld om de monden van een groeiende bevolking te voeden. Ook het vee, of dit nu koeien waren of schapen, werd ingezet voor een hogere productie van voornamelijk graan. Heidevelden, blauwgraslanden, beekbegeleidende dotterbloemhooilanden: alles diende in grote lijnen één groot doel, namelijk de productie van mest voor de akker. Dit geldt in elk geval de pleistocene zandgronden en het heuvelland en wellicht ook het rivierengebied.
Het areaal kruidenrijke akkers is sterk afgenomen tussen 1940 en 1970. Goede voorbeelden zijn nog slechts te vinden in reservaten, vooral voor wat betreft de wintergraanakkers. Het totale areaal is moeilijk te schatten. Voor wat betreft de soortenrijke voorbeelden bedraagt dit wellicht nog geen 100 hectare.

Akkerflora: bijzondere soorten
In het kielzog van de akkerbouw hebben veel soorten uit drogere en warmere klimaten ons land weten te bereiken. In akkers komen soorten voor die van nature in aanspoelselgordels in West-Europa groeien, maar ook soorten die afkomstig zijn uit de Voor- en Klein-Aziatische steppen. Toch zijn niet alle akkerplanten soorten die uit andere milieus afkomstig zijn. Een aantal akkerplanten is helemaal nergens bekend uit natuurlijke standplaatsen. Een bekend voorbeeld is Dreps, een grassoort die geëvolueerd is in de akker; andere voorbeelden zijn Bolderik en Vlashuttentut.
De soortenrijkdom op de akker is sterk onder druk komen te staan, zodat nu een groot deel van de akkerplanten op de Rode Lijst staat. Van de typische soorten van voedselrijke akkers staat 16% op de Rode Lijst, van de kalkarme akkers 43% en van de kalkrijke akkers zelfs 91%! Het belang van akkers met een goed ontwikkelde akkerplantenvegetatie voor de instandhouding van de biodiversiteit in ons land is daarmee groot.

Akkerfauna: soorten van het akkerlandschap
Akkers zijn niet alleen van belang voor planten, ze vormen ook het leefgebied van veel diersoorten. Een kruidenrijke akker zal dan ook ten goede komen aan het behoud van akkerfauna, zoals Patrijs, Kwartel, Grauwe gors en Grauwe kiekendief. Toch moet hierbij wel de kanttekening worden gemaakt dat veel diersoorten van akkers vooral soorten zijn van het akkerlandschap, dus van het gehele samenstel van akkers, graslanden, bossen, vennen, hagen en beekdalen. Slechts weinig soorten zijn zo specifiek dat hun gehele levenscyclus zich afspeelt op een enkele akker (Zie verder Faunarijke akker).

KENSCHETS

Akkerplantenvegetaties: een typering
De soortensamenstelling van goed ontwikkelde akkerplantenvegetaties is afhankelijk van het moment van bodembewerking (dat weer afhankelijk is van het gewas) en van de bodemomstandigheden, waarbij vooral de kalkrijkdom van doorslaggevende betekenis is. Een aantal soorten komt echter in vrijwel ieder type akker voor, zoals Vogelmuur, Akkerviooltje, Echte kamille en Melganzevoet. De akkers worden vegetatiekundig samengevat in de Klasse der akkergemeenschappen (Stellarietea mediae).

Akkers op kalkrijke bodem
De akkers op kalkrijke bodem worden binnen de Klasse der akkergemeenschappen gerekend tot de Orde van Grote klaproos (Papaveretalia rhoeadis). Typische soorten die in alle kalkrijke akkers kunnen voorkomen zijn ondermeer de naamgevende Grote klaproos, Kroontjeskruid en Gewoon guichelheil.
In wintergraanakkers, die in de herfst worden bewerkt, komt daar een groot aantal soorten bij, waarvan de meeste zeer zeldzaam zijn in Nederland. Tamelijk gewoon zijn nog wel Akkerleeuwenklauw en Kleine wolfsmelk, maar verder gaat het om rariteiten als Naardenkervel, Akkerboterbloem, Groot en Klein spiegelklokje, Wilde weit, Naakte lathyrus, Nachtkoekoeksbloem en Ruw parelzaad. Ook de stoppelleeuwenbekjes (Eironde leeuwenbek en Spiesleeuwenbek) hebben hun thuis in dergelijke akkers. De enige twee voorbeelden van goed ontwikkelde wintergraanakkers op kalkrijke bodem liggen momenteel in Zuid-Limburg. Vroeger waren dergelijke akkers echter vrij algemeen in Zuid-Limburg en ook in het rivierengebied en in Zeeland kwamen tamelijk algemeen dergelijke soortenrijke akkerbegroeiingen voor.
In zomergraan- en hakvruchtakkers op kalkrijke bodem (die in het voorjaar worden bewerkt) komt een heel ander assortiment akkerplanten voor. Vrij algemeen is een vegetatietype waarin Doffe en Glanzende ereprijs en Witte krodde het aspect bepalen. Dergelijke begroeiingen blijken nog vrij algemeen voor te komen in de kleigebieden langs de kust en in het Rijnsysteem. Op de Maasklei en in lössgebieden is Tuinbingelkruid de soort die de vegetatie kan domineren. Al met al zijn de begroeiingen in zomergraan- en hakvruchtakkers veel soortenarmer dan die van wintergraanakkers en het aandeel bijzondere soorten is ook minder hoog.

Akkers op kalkarme bodem
Akkers op kalkarme bodem behoren tot de Orde van Gewone spurrie (Sperguletalia arvensis). Kenmerkende soorten voor deze orde zijn Gewone spurrie, Valse kamille en Eenjarige hardbloem.
In wintergraanakkers op kalkarme bodem komen twee vegetatietypen voor, afhankelijk van de voedselrijkdom en leemhoudendheid van de bodem. Windhalm, Korenbloem en Smalle wikke zijn soorten die zowel in wintergraanakkers op voedselarme als op voedselrijke kalkarme bodem voorkomen. De voedsel- en leemarme bodems zijn het domein van Slofhak, Korensla en Bleekgele hennepnetel. Vroeger groeide in dergelijke akkers in Drenthe ook de spectaculaire Oranjelelie. Deze begroeiing is heel kenmerkend voor de essen en kampen in het noorden en oosten van het land. Hoewel ze vroeger werkelijk overal voorkwam in deze gebieden, is ze nu teruggedrongen tot reservaatsakkers en akkers waar op traditionele wijze wordt geboerd. De voedsel- en leemrijkere akkers worden bevolkt door Bleke en Ruige klaproos, Klimopereprijs en Zandraket, waarbij in sommige gevallen ook Heelbeen en Handjesereprijs deel uitmaken van de vegetatie. Dergelijke begroeiingen kwamen vooral voor in het midden en zuiden van het land, maar goed ontwikkelde voorbeelden zijn ook hier schaars geworden. Nu is dit vegetatietype (in een iets afwijkende vorm) nog het meeste terug te vinden op begraafplaatsen, de dodenakkers. Op akkers zijn de beste voorbeelden te vinden bij Cortenoever en Linne.
In zomergraan- en hakvruchtakkers op kalkarme bodem is eenzelfde tweedeling te maken als in wintergraanakkers op deze standplaats. De armste standplaatsen zijn het domein van Hanenpoot en Glad vingergras, de rijkere van Gele ganzenbloem, Kromhals, Akkerandoorn, Akkerleeuwenbek en Glad biggenkruid. Gezamenlijk voor voedselarme en -rijke akkers is het voorkomen van Gewone reigersbek, Kaal knopkruid en Geelrode en Groene naaldaar.

Cultuurhistorische waarde van akkerplantenvegetaties
Al in een vroeg stadium van het vegetatiekundige onderzoek aan akkerplantenbegroeiingen werd opgemerkt dat lang niet in iedere akker goed ontwikkelde ‘onkruidvegetaties’ voorkwamen. Met name nieuwe akkers, of akkers in relatief jonge ontginningen, bleken arm aan goed ontwikkelde vegetaties. Dit gold bijvoorbeeld de akkers in de hoogveenontginningen. De hierboven gegeven beschrijving is dan ook een ideaalplaatje, dat opgaat voor gebieden met een lange akkerbouwhistorie. Goed ontwikkelde akkerplantenvegetaties zijn daarmee niet alleen onderwerp van natuurbescherming, maar ook van (cultuur-)historie.

Aanpassingen van akkerplanten
Onder de grote groep planten die optimaal voorkomt in akkers, zijn tal van aanpassingen te vinden die het leven in een dergelijk onrustig milieu mogelijk maken. De kiemperiode van een soort bepaalt of deze in wintergraan-, dan wel in zomergraan- en hakvruchtakkers groeit. Soorten die het hele jaar door kunnen kiemen, komen in beide typen akkers voor. De meeste soorten in akkers zijn eenjarig, en doorlopen dus hun hele levenscyclus binnen een vegetatieseizoen. Overjarige planten kunnen alleen overleven als dat ‘overjarige’ hun ondergrondse organen betreft. In de akker komen (of kwamen) dan ook een aantal rhizoom- en knolgeofyten voor, zoals Kweek, Kuifhyacint en Oranjelelie.
Met betrekking tot het oogsttijdstip en de verspreiding van planten kunnen grofweg drie strategieën onderscheiden worden, namelijk:

Veel akkerplanten kennen kiemrust, wat wil zeggen dat hun zaden jarenlang in de bodem kunnen liggen, waarbij de kiemkracht slechts langzaam afneemt. Met name in wisselende teelten komt dit deze soorten goed van pas. Op deze manier kunnen ongunstige jaren als zaad in de grond overbrugd worden.

Met bijdrage van:
Rense Haveman

Literatuur

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer en inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website