Pad: Natuurtypen / Rijke graslanden en akkers (N12) / Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) / Bloemrijk grasland

Bloemrijk grasland

Inhoud van deze pagina

BETEKENIS
Bloemrijk grasland verdient bescherming
Definitie bloemrijk grasland

KENSCHETS
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden
Grote vossenstaartgrasland en Zilverschoongrasland
Paradepaardjes van het Nederlandse laagland - Wilde kievitsbloem en Weidekervel
Verschralingsstadia op voormalige landbouwgronden
Weidevogelgraslanden

BETEKENIS

Bloemrijk grasland verdient bescherming
In Nederland zijn op landelijke schaal een tiental landschapstypen te onderscheiden, ieder met een eigen combinatie van bodem-, water- en klimaateigenschappen. Op regionale en lokale schaal zijn die typen meer in detail onder te verdelen. Alle landschappen die zeer uitgesproken milieueigenschappen bezitten, zoals gebieden met droge zandgrond of krijtgrond, kwelgebieden en duinen, hebben een eigen, zeer kenmerkende flora en fauna. Vaak is deze flora en fauna het meest uitgesproken aanwezig in de grazige begroeiingen. Het is dus zeer terecht dat goed ontwikkelde graslanden van deze landschapstypen beschermd en behouden worden.

Qua oppervlakte bestaat het grootste deel van het zo algemene traditionele Nederlandse graslandlandschap echter uit graslanden van ‘gemiddelde' standplaatsen. Het zijn graslanden op bodems die geen bijzonder eigen, uitgesproken milieueigenschappen bezitten. De bodem is niet uitgesproken nat of droog, ook niet bijzonder voedselarm of voedselrijk, en evenmin uitgesproken zuur of basisch/kalkrijk. Omdat zulke terreinen zich uitstekend lenen voor de landbouw, zijn ze vrijwel allemaal in landbouwkundig gebruik genomen. Waar ze nog steeds in agrarisch gebruik zijn of tot voor kort in gebruik geweest zijn, is de flora en fauna sterk verarmd als gevolg van de industrialisatie van de landbouw. In het moderne agrarische cultuurgrasland overheersen hoogproductieve grassen, terwijl vroeger in het gewone Nederlandse boerengrasland een aanzienlijk aantal grassen, bloemplanten en kruiden algemeen waren. Veel van de voorheen ‘doodgewone' planten- en diersoorten van deze graslanden van ‘gemiddelde' standplaatsen zijn inmiddels net zo bedreigd als de meer kritische planten- en diersoorten die voor graslanden op allerlei bijzondere standplaatsen karakteristiek zijn. Daarom verdient het bloemrijke grasland hier een plek als apart natuurtype.

Van de vele soorten die in de graslanden van dit habitattype voorkomen zijn internationaal gezien het meest bijzonder de Wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) en de Weidekervel (Silaum silaus). Ze komen in de lager gelegen hooilanden voor. Nederland herbergt een van de grootste populaties van de Wilde kievitsbloem in Europa. Glanshaverhooilanden (16Bb) komen wijd verspreid in Europa voor, maar in het rivierengebied zijn vlakdekkende vormen zeldzaam en juist in Nederland komen deze nog lokaal voor. De goed ontwikkelde bloemrijke graslanden van ons land zijn van Europese betekenis en beschermd onder de habitatrichtlijn.


Definitie van bloemrijk grasland
Hoe onderscheiden we bloemrijke graslanden van de andere typen van graslanden? Dat gebeurt het beste aan hand van een schematisch overzicht van alle grazige, lage vegetaties, zie afbeelding 1. Alle in dit schema omkaderde typen van graslandgemeenschappen worden hier tot het bloemrijke grasland gerekend: ze nemen er een middenpositie in tussen de zwaar bemeste, zeer voedselrijke cultuurgraslanden met in hoofdzaak Engels raaigras (Lolium perenne), en de graslanden van minder voedselrijke standplaatsen met een specifieke eigen flora. De bloemrijke graslanden zijn de graslanden van de matig voedselrijke tot voedselrijke bodems die goed vocht vasthouden (leem, veen, klei) of waar het grondwater nooit erg diep in de bodem wegzakt. Veel van de huidige bloemrijke graslanden liggen op landbouwgronden die ten behoeve van natuurherstel in verschralingsbeheer zijn genomen. Het zijn ‘verschralingsstadia' op van oorsprong voedselarme bodems waar vroeger vaak natte of droge heide aanwezig was, blauwgrasland of bijv. kalkgrasland. In het vervolg van deze tekst zal onderscheid gemaakt worden tussen de bloemrijke graslanden op matig voedselrijke vochtige bodem en deze verschralingsstadia.



Afbeelding 1: Schema van de belangrijkste Nederlandse graslandtypen, waarbij de positie in het schema verwijst naar de meest karakteristieke standplaatseigenschappen. De omkaderde typen worden hier tot het bloemrijke grasland gerekend.
De pijlen geven aan welke ontwikkelingen theoretisch op kunnen treden bij verschraling van een Raaigrasweide. In de bovenste helft van het schema staan de grondwaterafhankelijke vegetaties, en in de onderste helft de minder of niet grondwaterafhankelijke vegetaties. Binnen die beide groepen staan de kalkminnende vegetaties bovenaan, en zuurminnende onder. Van links naar rechts zijn de typen nader gerangschikt naar het gehalte aan voedingsstoffen: voedselrijk links, voedselarm rechts.

KENSCHETS

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Het bloemrijke grasland op de wat drogere meer hoog gelegen standplaatsen behoort veelal tot het Glanshaver-verbond (16Bb) of het Kamgras-verbond (16Bc) en dat op de vochtigere lager gelegen standplaatsen tot het Verbond van Grote vossenstaart (16Ba) of Zilverschoon-verbond (12Ba). Voor zover de graslanden bepaalde kenmerkende soorten bevatten kunnen ze behoren tot een van de binnen die verbonden onderscheiden associaties zoals de Kievitsbloem-associatie (16Ba1) en Glanshaver-associatie (16Bb1). De kritische kensoorten zijn echter erg zeldzaam geworden. Als in het grasland alleen soorten voorkomen die kenmerkend zijn voor verbonden of voor klassen, gaat het om een rompgemeenschap. Veelal kunnen we dan toch een onderscheid maken in vochtig en droog bloemrijk grasland naar mate er vocht- of droogteminnende planten aanwezig zijn. De meest soortenrijke bloemrijke hooilanden liggen in de uiterwaarden en op komgronden van het rivierengebied, op oeverwallen in beekdalen en op hellingen en droogdalen in het heuvelland. Soortenrijk bloemrijk grasland komt ook op dijken voor. Daar vormt dit grasland linten en ligt het relatief hoog en droog. De lager gelegen graslanden van dit habitattype worden af en toe overstroomd en sommige staan onder invloed van kunstmatige bevloeiing.

Ruimtelijke overgangen naar andere typen van grasland komen vaak voor, in het heuvelland vooral naar kalkgrasland en in het rivierengebied naar stroomdalgrasland. Waar sprake is van overgangen of mozaïeken kan in het natuurbeheer beter de daar beschreven informatie worden gebruikt. Het systeem van natuurdoeltypen onderscheidt Bloemrijk grasland van het heuvelland (3.37), het zand- en veengebied (3.38) en het rivieren- en zeekleigebied (3.39). Daarbij gaat het om de drogere bloemrijke graslanden. De natte, bloemrijke graslanden vallen onder de natuurdoeltypen nat, matig voedselrijk grasland (3.32) en de vochtige variant van het bloemrijk grasland van het zand- en veengebied (3.38). De meest soortenrijke van onze bloemrijke graslanden behoren tot het habitattype ‘Laaggelegen schraal hooiland'(H6510).

Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden
In het heuvellandschap, het rivierengebied en in het zeekleigebied zijn de meest soortenrijke bloemrijke graslanden te vinden op relatief goed ontwaterde bodems. In het heuvelland zijn dit lössbodems op de plateaus, bodems op afspoelsel van kalkhellingen en de drogere delen van beekdalen. In het rivierengebied betreft het vooral de bodems met zavel of niet te zware klei, bijvoorbeeld op stroomruggen en dijken. Ook in het zeekleigebied betreft het zavelige of zandige kleibodems. Afhankelijk van gebruik of beheer als hooiland of als weide ontstaan soortenrijke Glanshaverhooilanden (16Bb) of Kamgrasweiden (16Bc). Intensief gebruik of afwisselend maaien en begrazen maakt dat het onderscheid vervaagt. Beeldbepalende soorten in deze graslanden zijn vaak Margriet (Leucanthemum vulgare), Knoopkruid (Centaurea jacea) en Goudhaver (Trisetum flavescens). De lijst van minder algemene en zeldzame plantensoorten die daarnaast aanwezig kunnen zijn is heel lang. Bijvoorbeeld het bijna verdwenen Spits havikskruid (Hieracium lactucella) komt in dit type van graslanden voor.

Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden kunnen tevens zeer rijk zijn aan paddenstoelen. Enkele van de beste Europese graslanden met Wasplaten (Hygrocybe sp.) zijn de Glanshaverhooilanden op het fort Rhijnauwen in het rivierengebied bij Utrecht en de bermen van de Julianadijk in Midden-Limburg.

Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden vormen voor veel soorten insecten een aantrekkelijk leefgebied, door de bloemenrijkdom, de relatief hoge biomassaproductie van de vegetatie en het van oorsprong extensieve beheer. De insectenrijkdom vormt mede de basis voor hoge dichtheden aan zoogdieren en vogels.

Als we de verschralingsstadia buiten beschouwing laten, komen in zandgebieden Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden alleen voor in beekdalen en aan de randen en in veengebieden komen ze vooral daar voor waar het veen gemengd is met zand of klei. Omdat het hier om kalkarmere bodems gaat, is de vegetatie en de paddenstoelenflora hier veel minder soortenrijk dan in het rivierengebied en heuvelland. Dit heeft ook zijn weerslag op de insectenrijkdom, maar beïnvloedt de vogels en zoogdieren slechts in geringe mate.

Vossenstaartgrasland en Zilverschoongrasland
Er zijn grofweg drie mechanismen die een vochtminnend bloemrijk grasland in stand kunnen houden: goed vasthouden van water, periodieke overstroming en hoge grondwaterstanden. Zware klei houdt zeer goed vocht vast en in natte perioden worden deze bodems makkelijk zuurstofloos. Hierop ontwikkelen zich onder natte omstandigheden Zilverschoongraslanden (12Ba) en op beter ontwaterde plekken Vossenstaartgraslanden (16Ba). De naam heeft betrekking op Grote vossestaart (Alopecurus pratensis).

Met name in de uiterwaarden van de rivieren liggen vochtminnend bloemrijke graslanden die overspoeld worden. Dat kan onregelmatig zijn, tijdens rivierhoogwater in het binnenland, of regelmatiger in het getijdengebied in de mondingsgebieden van de rivieren. In de overstromingszones kunnen allerlei typen van vochtminnende bloemrijk grasland voorkomen.
Ten slotte zijn er vochtminnende bloemrijke graslanden waar het grondwater jaarlijks tot in de wortelzone reikt, bijvoorbeeld in beekdalen en op veengronden. Dit zijn vaak overgangen naar Dotterbloemgraslanden.

In de graslanden van het Zilverschoon-verbond komen plantensoorten voor die zowel aangepast zijn aan tijdelijke overspoeling en tijdelijk zuurstofloze bodems, als aan perioden met vochttekorten. De Associatie van Geknikte vossenstaart (12Ba1) is zeer goed bestand tegen overstroming. Opvallend is het hoge aandeel zouttolerante soorten in de gemeenschappen van dit verbond. Mogelijk treedt er in veel van deze graslanden ook onder zoete omstandigheden een ‘zoutpan-effect' op: in droge perioden verdampt het rijkelijk aanwezige water en de zouten blijven achter in de bodem. Door de overstroming is de insectenrijkdom van Zilverschoongraslanden niet zeer groot.

Graslanden van Grote vossenstaart zijn relatief arm aan plantensoorten. Veel van de soorten die in de wat drogere graslanden voorkomen ontbreken hier vanwege de zuurstofloze kleibodem in de natte periodes. Anderzijds is de bodem niet nat genoeg om soorten van het Zilverschoongrasland voldoende ruimte te bieden. Slechts een beperkt aantal soorten kan op de vruchtbare klei de concurrentie aan met grassen als Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis) en Ruw beemdgras (Poa trivialis). Vooral Kruipende boterbloem (Ranunculus repens) en Pinksterbloem (Cardamine pratensis) lukt het vaak toch kleur te geven aan dergelijke weiden.

Paradepaardjes van het Nederlandse laagland - Wilde kievitsbloem en Weidekervel
De Kievitsbloem-associatie (16Ba1) en de Associatie van Grote pimpernel en Weidekervel (16Ba2) zijn zeldzame ‘paradepaardjes'. De Wilde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) is nog massaal aanwezig in het boezemland van het Zwarte Water bij Hasselt. In minder uitbundig ontwikkelde vorm komt de Kievitsbloem-associatie ook nog voor langs de IJssel en in het laagveengebied bij Reeuwijk.
De graslanden met Wilde kievitsbloem zijn - althans tegenwoordig - optimaal ontwikkeld op kleibodem waar veen in de ondergrond zit en de bodem tot ver in het voorjaar nat blijft. Behalve uiterwaarden betreft dit ook boezemlanden. Omdat deze gronden in het voorjaar nat en koud zijn, komt de groei van de grasachtigen pas laat op gang. De bollen van de Wilde kievitsbloem en de wortelstokken van Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus) lopen juist wél vroeg uit, dus krijgen ze hier alle ruimte.

Graslanden met Weidekervel (Silaum silaus) zijn alleen aan te treffen op een zeer beperkt aantal plekken. Op de standplaats stijgt het grondwater 's winters tot in of boven het maaiveld stijgt. Die stijging van de grondwaterspiegel komt op rekening van hoge rivierwaterstanden of is het gevolg van lokale kunstmatige regulatie, zoals in bekade delen van uiterwaarden. De standplaatsen drogen 's zomers oppervlakkig uit. De belangrijkste vindplaats van de Associatie van Grote pimpernel en Weidekervel is de Hengstpolder in de Sliedrechtse Biesbosch. Vroeger kwam de gemeenschap veel voor in overlaatgebieden langs de Dommel, maar daar is ze zo goed als verdwenen.

Verschralingsstadia op voormalige landbouwgronden
In eerste instantie is de oppervlakte van bloemrijke graslanden in samenhang met de landbouw almaar uitgebreid. Vooral op de zand- en veengronden is in het verleden op grote schaal bloemrijk grasland ontstaan door ingrepen ten behoeve van agrarische belangen: door ontwatering van veengronden en beekdalen, door lichte bemesting, door het mengen van verschillende bodemlagen en door bevloeiing. Door lichte ontwatering ontstonden voor een deel natte graslanden met veel Echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi) en Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius) of ander Dotterbloemgrasland. Op zandgronden ontstonden veelal tamelijk soortenarme vormen van bloemrijk grasland, van Glanshaverhooilanden en Kamgrasweiden, en door bevloeiing ook graslanden met wat meer soorten en bijv. veel Herfsttijloos (Colchicum autumnale).

Echter, met de intensivering van de landbouw zijn vrijwel al de bloemrijke graslanden veranderd in zwaar bemeste monotone cultuurgrasweiden. Meestal zijn ze ingezaaid met Engels raaigras (Lolium perenne), soms met andere hoogproductieve cultuurgrassen. Tegenwoordig wordt op veel plekken geprobeerd om via verschralend natuurbeheer weer bloemrijk grasland terug te krijgen: in natuurontwikkelingsprojecten, in het agrarische landschap en in natuurterreinen. Hierbij moet in de gaten worden gehouden dat het slechts ten dele gaat om plekken waar het bloemrijk grasland ‘thuishoort': plekken dus met bodems die goed vocht vasthouden (leem, veen, klei) of waar het grondwater nooit erg diep in de bodem wegzakt. In gebieden met andersoortige bodem- en waterregimecondities zal bij een verschralingsbeheer een ontwikkeling naar een andere grazige begroeiing in gang worden gezet die wél bij de plek ‘hoort', bijvoorbeeld naar heischraal grasland, natte of droge heide, Dotterbloemgrasland of kalkgrasland. In de beginfase van het verschralingsproces kan op deze plekken gedurende een zekere periode echter wel sprake zijn van bloemrijke graslanden als verschralingsstadia. Het is dus zaak goed te letten op de mogelijkheden die de standplaats biedt bij het kiezen en vastleggen van het doeltype van het beheer.

Geschikt als weidevogelgrasland
Vooral de vochtige varianten van bloemrijk grasland vormen leefgebieden voor weidevogels en zijn potentieel zeer geschikt als weidevogelgrasland. Weidevogelgrasland heeft een aparte plaats gekregen in dit websitesysteem. Het is echter ook mogelijk de doelstelling van bloemrijk grasland te verruimen of te verschuiven met speciale aandacht voor de vogelfauna. Het systeem van natuurdoeltypen voegt bij het bloemrijk grasland (3.32, 3.38 en 3.39) een variant toe die heet ‘bloemrijk weidevogelgrasland'. In het nadrukkelijk opnemen van de weidevogelfauna in de doelstelling van bloemrijke graslanden ligt echter wel een knelpunt verscholen. Door de aftakeling van het agrarische landschap kunnen veel weidevogelsoorten alleen overleven als er graslanden zijn die zo worden ingericht en beheerd dat hun behoeften op de eerste plaats komen. In dit weidevogelgrasland moet de productie van voedsel, met name regenwormen en gras, optimaal zijn. Dit betekent dat de bodem niet zuur mag worden en dat er een snelle afbraak van organisch materiaal moet plaatsvinden. Daarvoor is bekalking nodig, enige bemesting en veelal ook lichte ontwatering. Al met al leidt een beheer dat is toegespitst op de weidevogels vaak tot een tamelijk monotoon grasland dat moeilijk bloemrijk kan worden genoemd. Binnen het OBN staat veel onderzoek in weidevogelgebieden op het programma. Het websitesysteem heeft pagina's gereserveerd voor weidevogelgrasland, ganzengrasland en vogelgrasland. De teksten daarvan zijn in voorbereiding.

Met bijdragen van:
Emiel Brouwer en Moniek Nooren, oktober 2007 en Klaas van Dort, november 2006.

Literatuur:
Corporaal, A., M.A.P. Horsthuis & J.H.J. Schaminée. 1993. Oecologie, verspreiding en plantensociologische positie van de Kievitsbloem (Fritillaria meleagris) in Nederland en Noordwest-Europa. Stratiotes 6: 14-39.

Peters, B, G. Kurstjens & W. Helmer. 2002. Van Rijnruit tot Maasraket. 10 jaar natuurontwikkeling in Nederland. WWF.

Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal & F.J. van Zadelhoff 2001. Handboek Natuurdoeltypen. Expertisecenturm LNV, Wageningen.

Corporaal, A.,  2003. Advies inzake behoud en uitbreiding van een lokale populatie kievitsbloemen Alterra, - 19 blz.

Jalink, L.M., Keizer, P.J. & Brouwer, E (2002). Paddestoelen in schrale graslanden. Natuurhistorisch Maandblad 91 (4): 85-86.

Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée. 2003. Habitattypen. Europese natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. 120 pp.

Aggenbach, C.J.S. en M.H. Jalink. 2005; deel 9 Boezemlanden van de serie indicatorsoorten, 1995-2007, Staatsbosbeheer, Driebergen, bewerkt door M.J. Nooren

Aggenbach, C.J.S., J. Grijpstra en en M.H. Jalink. 2007; deel 10 Uiterwaarden van de serie indicatorsoorten, 1995-2007, Staatsbosbeheer, Driebergen, bewerkt door M.J. Nooren

Westreenen, F.S. van & Kruit, L. (1996). Spits havikskruid in Zuid-Limburg. Natuurhistorisch Maandblad 85 (3): 57-62.

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website