Pad: Natuurtypen / Droge schraalgraslanden (N11) / Droog schraalland (N11.01) / Stroomdalgrasland

Stroomdalgrasland

Inhoud van deze pagina:

BETEKENIS
Natuurlijke hooggelegen graslanden
Nederland heeft een eigen stroomdalflora
Strikte bescherming nodig
Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

KENSCHETS
Variatie in standplaats
Sturende processen
Stroomdalflora
Cilindermos en paddenstoelen
Bijzondere dieren in stroomdalgraslanden
Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Met bijdragen van
Literatuur

BETEKENIS

Natuurlijke hooggelegen graslanden
De Nederlandse stroomdalgraslanden zijn soortenrijke, relatief open, grazige begroeiingen op droge of matig droge, voedselarme, zandige of zavelige en veelal kalkhoudende groeiplaatsen langs de rivieren. De bodem bestaat meestal uit zand. De stroomdalgraslanden zijn te vinden op de van nature hogere terreingedeelten van de riviersystemen, zoals oeverwallen, stroomruggen en rivierduinen. Plaatselijk zijn ze bandvormig aanwezig op natuurlijke rivierdalranden en op dijken langs de grote rivieren. Die dijken kunnen worden gezien als kunstmatige rivierdalranden. De begroeiing is daar weelderiger doordat de door de mens opgebrachte bodem kleiig is en sterker vochthoudend.
Wie bij ‘stroomdal' aan een laagte denkt, ‘vergist zich; het woord ‘dal' verwijst hier naar het oorsprónkelijke rivierdal of het riviersysteem op regionaal landschapsniveau. Door zandafzetting en opslibbing zijn grote delen van het rivierengebied inmiddels veranderd in hoger gelegen landschappen. Langs de rivieren komt een grote variatie aan graslandtypen voor op laag tot hoger gelegen terrein, van nat tot droog en van kalkrijk tot kalkarm. De vochtminnende vegetaties van de riviersystemen, bijv. laag gelegen uiterwaarden, rekenen we echter niet tot het stroomdalgrasland.

Nederland heeft een eigen stroomdalflora
Stroomdalgraslanden komen in grote delen van Europa voor en zijn bijvoorbeeld in Midden-Europa vaak soortenrijker dan in Nederland. Langs elke rivier hebben ze echter weer een iets andere soortensamenstelling en zeker in Nederland, dat aan de rand van het verspreidingsgebied van stroomdalgraslanden ligt. Om het totaal aan variatie te behouden is het van belang om verspreid over het hele verspreidingsgebied in Nederland stroomdalgraslanden te beschermen. Een groot deel ervan is als een voorrangstype, een zogenoemd prioritair habitattype (H6120) in de Europese habitatrichtlijn opgenomen. Dat betekent dat Nederland zich voor de bescherming ervan extra zal inspannen.

Strikte bescherming nodig
Overal in ons land is de bijzondere stroomdalflora door intensief agrarisch beheer van de rivierbegeleidende graslanden onder druk komen te staan. Veel van de karakteristieke stroomdalsoorten staan op de Rode lijst en de meesten zijn ook internationaal gezien schaars. Van nature komen stroomdalgraslanden hoofdzakelijk langs de grote rivieren voor. Langs de Waal stroomafwaarts tot bij de Biesbosch, langs de IJssel, Lek, Dinkel (kalkrijke vorm) en Vecht en Beneden Regge (kalkarme vorm) zijn lokaal soortenrijke stroomdalgraslanden bewaard gebleven. Momenteel bedekt het stroomdalgrasland in goed ontwikkelde vorm naar schatting hooguit 30 hectaren. Op veel plaatsen zijn het kleine snippers, waarvan de flora verarmd is. De beste voorbeelden van pionierbegroeiingen van het habitattype zijn te vinden in het Natura 2000 gebied Gelderse Poort (deelgebied Millingerwaard). Voor herstel van de stroomdalgemeenschappen en uitbreiding op nieuwe locaties, is op de langere termijn meer ruimte voor de rivier nodig, meer rivierdynamiek, voldoende afzetting van zand en incidentele overstromingen. Voorlopig blijft het dringend noodzakelijk verdere achteruitgang te voorkomen door een strikte bescherming van de resterende locaties met stroomdalgraslanden en een adequaat beheer.

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden
Stroomdalgrasland maakt deel uit van een uitzonderlijk gevarieerd rivierenlandschap tussen zomer- en winterdijk. Grazige uiterwaarden, oude doorbraakkolken die wielen heten, zijn er te zien omringd door knotwilgen en heggen zoals in het Maasheggenlandschap. Kronkelwaarden met hun hoge en lage delen vormen relicten van stroomverleggingen, kleiputten en wilgenstruwelen wisselen op kleine schaal af met elementen van menselijke oorsprong. Er zijn baksteenfabrieken, veelal buiten gebruik en geliefd bij vleermuizen, verdedigingswerken zoals het Fort bij Pannerden, eendenkooien, boerderijen en waterhuishoudkundige werken, zoals zomerkaden, sluisjes en klepduikers. Vestingstadjes en dorpen zijn vaak op oeverwallen gebouwd, of op zogenoemde donken, ‘begraven' rivierduinen die nog deels boven de klei of veenlaag uitsteken. Wierden en andere al dan niet kunstmatige verhogingen getuigen tevens van de vroegere strijd tegen het wassende water. Dankzij onder meer Bataven en Romeinen worden in het rivierengebied ook zeer oude sporen van vroegere bewoning aangetroffen. De combinatie van cultuurhistorie, landschappelijke variatie en mogelijkheden tot watersport op de rivier, lokt vele bezoekers.

KENSCHETS

Variatie in standplaats
Voor een nadere beschrijving is het zinvol om een onderscheid te maken in drie typen van stroomdalgrasland op verschillende standplaatsen: (1) op zavelige, kalkhoudende, matig droge bodem, (2) op zandige, kalkrijke en droge bodem en (3) op zandige, kalkarme en droge bodem. Het aandeel van de pionierplanten en -dieren varieert sterk in deze graslanden; dit is ook afhankelijk van de wegslijting en afzetting van materiaal, zogenoemde erosie en sedimentatie, tijdens overstromingen.

Daar waar rivieren dieper ingesneden zijn in het landschap kunnen stroomdalgraslanden van type 3, op kalkarme, dalranden van de pleistocene zandgronden tot ontwikkeling komen. Dat is vooral het geval langs de Maas. Op zandige en zavelige winter-en zomerdijken kunnen alle drie genoemde typen van stroomdalgrasland tot ontwikkeling komen. Dit is afhankelijk van het type van de opgebrachte bodem. De meest natuurlijke stroomdalgraslanden komen voor op oeverwallen en rivierduinen. Zoals vermeld bij het rivierengebied is na de aanleg van winterdijken in de late Middeleeuwen de dynamiek in de uiterwaarden sterk toegenomen en hiermee nam ook de vorming van oeverwallen en rivierduinen toe. In latere tijden, na de aanleg van zomerkades en kribben lag de nadruk op de afzetting van slib in de lagere delen van de uiterwaarden. Een groot deel van de natuurlijke stroomdalgraslanden bestaan in hun huidige vorm dus al enkele eeuwen lang.

Sturende processen
In de riviersystemen treedt enerzijds een jaarlijks terugkerende piekafvoer van rivierwater in de winter en het voorjaar op, en anderzijds zijn er 's zomers droge periodes met lage rivierwaterstanden. Gedurende deze seizoensgebonden cyclus wordt langs de rivieren op vele plaatsen sediment afgezet, terwijl er elders juist grond wegspoelt. Het aldus gemodelleerde landschap wordt vooral gekenmerkt door rivierduinen, stranden, moerassen en stroomdalgraslanden. De belangrijkste sturende processen bij ontstaan en behoud van stroomdalgraslanden in een natuurlijke situatie zijn begrazing, rivierdynamiek (overstroming, zandafzetting, erosie), winddynamiek (nodig voor rivierduinvorming) en ijsgang.

oeverwallen en rivierduinen worden vooral gevormd door afzetting van zand en zavel tijdens de piekafvoeren van het rivierwater. Grote rivierduinen kunnen vervolgens door verstuiving nog hoger worden. Het vers afgezette sediment is tamelijk voedselrijk. Het kalkgehalte ervan varieert. Riviersedimenten in het Rijnsysteem en in de Maas stroomopwaarts van Venlo bevatten vrij veel kalk, elders meestal weinig. Verse afzettingen van kalkrijk zand en zavel raken eerst begroeid met pionierplanten van tamelijk voedselrijk milieu. Stikstof spoelt al binnen enkele jaren uit. Ook de hoeveelheid beschikbaar fosfaat neemt spoedig af, vooral in grofkorrelige of kalkrijke bodems. De ontkalking verloopt veel minder snel. Na een pionierfase met kalkrijke, voedselrijke omstandigheden volgt dus een periode met kalkrijke, tamelijk voedselarme omstandigheden. Dit zijn goede standplaatsen voor de vestiging van kalkminnende stroomdalgraslanden. Afhankelijk van het kalkgehalte en de aanvoer van zuurbufferende stoffen door overstroming en hoge grondwaterstanden zal na verloop van tijd echter verzuring op gaan treden (zie ook zuurbuffering). Dit gebeurt vooral op droge zandbodems, minder op zavel, en de verzuring begint in de toplaag van de bodem. Zolang de verzuring beperkt blijft tot de toplaag, bestaat het stroomdalgrasland uit een mozaïek van oppervlakkig wortelende, zuurtolerante plantensoorten en van diep wortelende, kalkminnende soorten. Als ook de diepere bodemlaag verzuurt, gaan de soorten van droge, zwak zure bodem op de voorgrond treden. De stroomdalgraslanden op de oeverwallen en rivierduinen vertonen dan veel overeenkomst met die van de zwak zure dalranden van de pleistocene zandgronden.

Vanouds werden de stroomdalgraslanden een of twee keer per jaar kortstondig overstroomd, met uitzondering van de graslanden op de kruin van de winterdijk. De overstroming voorkomt sterke verzuring, bovendien wordt een groot deel van het strooisel afgevoerd met het water. Strooisel en humus blijft alleen zeer plaatselijk liggen in de vorm van vloedmerk: aanspoelsel, dat in het rivierengebied ook wel ‘veek' genoemd wordt. Tijdens overstromingen wordt vaak nog enig zand afgezet of er spoelt juist een deel van het grasland weg. Hierdoor blijven er plekken met een pioniermilieu aanwezig, een belangrijke voorwaarde voor veel planten van rivierduinen. rivierduinen die tot boven het bereik van het rivierhoogwater zijn opgestoven of waar de rivierdynamiek is afgenomen kunnen uiteindelijk geheel zuur worden, zodat er zich heischrale graslanden, heidevegetaties en zuur bos of heide kunnen ontwikkelen.

Stroomdalflora
Veel plantensoorten zijn min of meer aan het rivierengebied gebonden (fluviatiele soorten) en worden ‘stroomdalplanten' genoemd. Het zijn meestal soorten die zich vanuit Midden-Europa langs de rivieren tot in de laagvlakte hebben verspreid. Ze hebben een continentale of submediterrane verspreiding en Nederland ligt aan de uiterste noordwest grens van hun verspreidingsgebied.
Deze stroomdalsoorten groeien vooral in droge graslanden en zomen op kalkrijke, relatief voedselarme bodem en hebben een zekere voorkeur voor warme hellingen met een zuidoostelijke, zuidelijke of zuidwestelijke expositie. Daar komt het microklimaat het meest overeen met het klimaat van Midden-Europa. De klassieke stroomdalplanten waren al voor de 19de eeuw in ons land. Geregeld worden in de uiterwaarden nieuwe plantensoorten waargenomen waarvan sommige zich blijvend vestigen en dus inburgeren. Naast stroomdalsoorten zijn er ook veel pionier- en ruigtesoorten die alleen of hoofdzakelijk in het rivierengebied district voorkomen.

De meer dan 150 soorten stroomdalplanten komen in ons land hoofdzakelijk voor op rivierduinen en oeverwallen. Daar leven ze als het ware op ‘een droog eiland' omringd door vochtige tot natte natuur. Een deel groeit ook op droge en snel opwarmende standplaatsen buiten ons rivierengebied, met name in de kalkhoudende duinen en in Zuid-Limburg. Karakteristieke stroomdalsoorten zijn Cypreswolfsmelk (Euphorbia cyparissias), Sikkelklaver (Medicago falcata), Geoorde zuring (Rumex thyrsiflorus), Tripmadam (Sedum reflexum), Veldsalie (Salvia pratensis) en Brede ereprijs (Veronica teucrium). Binnen het rivierengebied treden regionale verschillen op in soortensamenstelling. De flora van het Rijnsysteem en die van het zoetwatergetijdengebied aan de benedenlopen van de grote rivieren zijn soortenrijker dan de flora van het Maassysteem. Het Rijngedeelte is het rijkst aan stroomdalsoorten. Daarbij neemt het aantal van oost naar west gaande af.

Cilindermos en paddenstoelen in stroomdalgraslanden
In optimaal ontwikkeld stroomdalgrasland komen enkele zeer zeldzame bladmossen voor. Een in hoge mate karakteristieke component van de Associatie van Sikkelklaver en Zachte haver is het bladmos Cilindermos (Entodon concinnus). Deze Rode Lijst soort groeit vrijwel uitsluitend op open plekjes in droge uiterwaarden op kalkhoudend rivierzand die door begrazing of andere dierlijke activiteit zijn ontstaan. Hoog gelegen ijl begroeide uiterwaarden die geschikt zijn voor Cilindermos zijn te vinden langs IJssel en Lek (de Luistenbuul), en in de Sliedrechtse Biesbosch. Ook uit de presentie van de kalkminnende mossen Smaragdmos (Homalothecium luteum) en Sparrenmos (Thuidium abietinum, vrijwel uitgestorven in Nederland) blijkt de verwantschap van stroomdalgraslanden met kalkgraslanden.
Veel oude stroomdalgraslanden zijn bijzonder rijk aan paddenstoelen, met name Satijnzwammen (Entoloma soorten) en Wasplaten (Hygrocybe soorten). Dit geldt niet alleen voor kalkrijke maar ook voor kalkarme stroomdalgraslanden, zoals de Zeldersche Driessen bij Gennep.

Bijzondere dieren in stroomdalgraslanden
Stroomdalgrasland is in principe een geschikte broedbiotoop voor Veldleeuwerik (Alauda arvensis), Kwartel (Coturnix coturnix), Grasmus (Sylvia communis), Patrijs (Perdix perdix), Roodborsttapuit (Saxicola rubicola) en Grauwe klauwier (Lanius collurio). Een hoog aandeel warmteminnende dieren maakt deel uit van de karakteristieke stroomdalgrasland fauna. Te denken valt aan Grindwolfspin (Arctosa cinerea) en diverse soorten graafbijen, sprinkhanen zoals het Knopsprietje (Myrmeleotettix maculatus) en dagvlinders zoals Bruin blauwtje (Aricia agestis) en Wolfsmelkpijlstaart (Hyles euphorbiae).

Plantengemeenschappen, doeltypen en habitattypen
Stroomdalgraslanden zijn bloemrijke graslanden op droge kalkhoudende zandbodems die voor een deel behoren bij twee associaties van het Verbond der droge stroomdalgraslanden (14Bc; Sedo-Cerastion). De Associatie van Vetkruid en Tijm (14Bc1) is een plantengemeenschap op relatief kalkarme groeiplaatsen en bestaat uit een mozaïek van overblijvende planten en eenjarige gewassen. De associatie komt van oudsher goed ontwikkeld voor in het Maasdal. De begroeiingen van de Associatie van Sikkelklaver en Zachte haver (14Bc2) prefereren kalkrijk zand en bestaan gewoonlijk uit een tamelijk gesloten gemeenschap met veel bloeiende planten en een grote variatie in structuur. Dit vegetatietype komt vooral voor in het naar verhouding kalkrijke Rijnsysteem. Jonge stadia van stroomdalgraslanden wijken sterk af door een met hoge dynamiek samenhangend ruderaal karakter. Pionierbegroeiingen van stroomdalgrasland worden gerekend tot de Kweekdravik-associatie (31Ca2). De best ontwikkelde voorbeelden zijn te vinden in het Natura 2000 gebied Gelderse Poort (deelgebied Millingerwaard). Een aan stroomdalgrasland verwant vegetatietype (Associatie van Schapengras en Tijm; 14Bb1), is beperkt tot kalkarme zandbodems langs de Dinkel, de Overijsselse Vecht en het Maasdal. Hier en daar komen kleinschalige mozaïeken voor van de bovengenoemde gemeenschappen met droge weiden van het Kamgras-verbond (16Bc). Zowel de Kamgrasweiden, graslanden van het Glanshaververbond (16Bb), de Associatie van Schapengras en Tijm en de Kweekdravik-associatie zijn echter geen ‘echte' stroomdalgraslanden. De minder droge graslanden op zavel, kleiige bodem en zandbodems met een zekere grondwaterinvloed vallen meestal onder het Glanshaververbond (16Bb) en die graslanden worden hier bij een ander natuurtype gerekend, zie de websitepagina bloemrijk grasland. Ruimtelijke overgangen zijn mogelijk met aangrenzende graslandgemeenschappen van bijv. de natuurtypen bloemrijk grasland, dotterbloemgrasland, nat schraalgrasland en heischraal grasland.
Stroomdalgrasland valt binnen het systeem van natuurdoeltypen in de categorie ‘Bloemrijk grasland van het rivieren- en zeekleigebied' (3.39, subtype a). De meest soortenrijke van onze stroomdalgraslanden vallen onder het prioritair habitattype H6120- als ‘Kalkminnend grasland op dorre zandbodem'.

Met bijdragen van:
Klaas van Dort en Moniek Nooren, november 2006, Emiel Brouwer, oktober 2007

Literatuur:
Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal & F.J. van Zadelhoff 2001. Handboek Natuurdoeltypen. Expertisecenturm LNV, Wageningen.

Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée. 2003. Habitattypen. Europese natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. 120 pp.

Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée. 2004. Soorten van de Habitatrichtlijn. Europese natuur in Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. 112 pp.

Opstal, A.J.F.M. van., L.J. Draaijer & P. Aukes. 1997. Ecosysteemvisie Graslanden. Rapport nr. 27. IKC Natuurbeheer, Wageningen. 176 pp.

Peters, B, G. Kurstjens & W. Helmer. 2002. Van Rijnruit tot Maasraket. 10 jaar natuurontwikkeling in Nederland. WWF.

Aggenbach, C.J.S., J. Grijpstra en en M.H. Jalink. 2007; deel 10 Uiterwaarden van de serie indicatorsoorten, 1995-2007, Staatsbosbeheer, Driebergen, bewerkt door M.J. Nooren.

Weeda, E.J. 1992. Voorkomen en standplaats van het kalkmos Entodon concinnus (De Not.) Par. Langs de grote rivieren. Gorteria 18: 39-55.

Weeda, E.J., H. Doing & J.H.J. Schaminée. 1996. Koelerio-Corynephoretea. In J.H.J. Schaminée, A.H.F. Stortelder & E.J. Weeda (1996): De vegetatie van Nederland. Deel 3. Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. Opulus Press. Uppsala, Leiden.

Link naar Habitattypendatabase - Stroomdalgraslanden op de website van het Ministerie van LNV

| Bedreigingen | Regulier beheer | Herstelbeheer | Inrichting |

 

Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein Zoeken in de
infobladen

(U gaat naar de
website van
Groen Kennisnet)
Groen Kennisnet, een netwerk van kennisportalen in het groene domein
Homepage
Home | Colofon | Print pagina
Zoek binnen deze website